zaterdag 10 juli 2010

Oosterscheldekering

_
Er hebben zich de laatste dagen zinnen in mijn hoofd geschreven. Die zinnen spinnen een verhaaltje over twee broers. Een grote en een kleine. Ontsprongen uit mijn schoot, met een gemoedelijke tussenpose van een jaar of tien.

Ze zitten samen op het Zeeuwse strand. Achter hen schilderen de golven en de blauwe lucht een tafereel van kristalheldere zuinigheid. Trage windmolens getuigen plechtig. De Oosterscheldekering trekt een loodrechte streep door het landschap. Van het alles verterende water, de ongenaakbare woede van de zee herinneren de meeuwen en de duinen zich al lang niets meer. Nochtans brachten minder fortuinlijke kinderen hier minder dan een mensenleven geleden offers die kinderen niet horen te brengen. De ijskoude stormvloed rukt al zevenenveertig jaar lang de wonden van Zeeland open. Een dam laat zich niet bouwen in het hart.

De grote broer kijkt naar de kleine. Samen graven ze in het zand. Groot graaft achteruit, naar de jongen die hij wil blijven. Klein graaft vooruit, naar de jongen die hij zal worden. Ze vinden elkaar onderweg, geven elkaar de hand. Onder het zand.

Groot en klein vloeien daar samen. Als eb en vloed lopen ze in elkaar over. De grens verdwijnt ondanks het onderscheid. Heel groot wordt heel klein. Het bruin van de aarde in de ogen van de ene wordt het blauw van het uitspansel in die van de andere. Donkere, ontembare krullen worden lange, gouden slierten. En wat groot weet, weet plots ook klein. Dat de maan de zee dirigeert, als een ritmische symfonie van vanzelfsprekendheid, die hen inpalmt en vasthoudt. Dat straks hun zandkasteel naar de golven verhuist, in honderdduizend kleine stukjes, om daar, voor even, de dromen van andere jongens waar te maken.

Kom, zegt klein tegen groot, we gaan zwemmen. En daar, in de branding, vinden ze hun grens terug. Klein laat zich nog graag dragen door de deining. Groot blijft al met beide voeten op de grond.
_

maandag 7 juni 2010

In de ban van Nestzaliger

_
Het is al 125 jaar geleden dat Ernest Claes het levenslicht zag. Dat gebeurde op een steenworp van waar ik woon. Twee dagen geleden heb ik nog eens aan zijn graf gestaan. Eigenaardig hoe we aan een grafsteen een spoor van de vergane mens hopen te vinden, een aanknopingspunt. Terwijl we daar eigenlijk nooit veel meer tegenkomen dan wat letters op een koude steen. In het beste geval misschien een verbleekte foto.

Nest is al bijna 42 jaar Nestzaliger. Een gelukzalige toestand waarin hij zich tot in de eeuwen der eeuwen mag bevinden. Getuige daarvan is een zwart graf tegen de muur van de abdijkerk van Averbode. Deus est amor, staat erop, terwijl je van een man als Claes toch iets eloquenters verwacht. Maar die drie woorden getuigen van een eenvoud die zijn dorpsgenoten al lang niet meer in hem terugvonden. Onterecht. Ze verweten hem van alles en nog wat, terwijl hij in feite zijn heimat nooit heeft verlaten.

Maar dat wilde ik eigenlijk niet zeggen. Ik wilde zeggen dat ik voorgoed mijn hart verloren heb aan Nest en zijn schrijfsels. Gisteren, aan de zondagse ontbijttafel, bij een dampende tas koffie en een pistolet met goed wat boter en zelfgemaakte aardbeienconfituur, las ik aan mijn vijftienjarige dochter het verhaal voor van Wannes Raps. Tijdens de eerste paragrafen luisterde ze wat onwillig.
‘Waarom is dat nu literatuur?’ vroeg ze, en ik probeerde haar een uitleg te geven.
‘Laat me gewoon lezen,’ stelde ik snel voor, want ik hoopte dat ze het antwoord misschien in de zinnen van het verhaal zou vinden.
Een uur lang wandelden we samen met Wannes doorheen de velden en de bossen van Zichem en Everbeur. We stroopten konijnen en hazen, vlochten rieten manden en dronken drupkes jenever tot we er vrolijk van werden. En toen het tijd was voor arme Wannes om in de koude vriesnacht tussen Kerstavond en Kerstmis, gekleed in het zondags kostuum van vader Claes zaliger, te voet naar Diest te gaan, stapten we drie passen achter hem. We zagen hoe de sukkelaar, na een leven zonder thuis of eigen volk, een schone dood gegund was.

Toen ik naar mijn dochter keek, zag ik dat zij, net zoals haar sentimentele moeder, tot tranen toe beroerd was. Trage druppels rolden over haar wangen. Ikzelf was er erger aan toe. Ik zat schaamteloos te snotteren, en kreeg nauwelijks de laatste woorden van het verhaal over mijn lippen, omdat ik daags voordien nog aan het graf van de schrijver had gestaan.
_

woensdag 10 februari 2010

Jenny & co.

_
Het is een zonovergoten dag geweest in Scherpenheuvel. Elders in het land stond, wegens zware sneeuwval, meer dan negenhonderd kilometer file. Wie op zijn werk moest geraken in de sneeuwzones had pech. Mij is die ellende gelukkig gespaard gebleven. Ik woon, en ik overdrijf niet, op achthonderd meter van mijn nieuwe job. Trouwens, op woensdag ben ik vrij. Dan heb ik tijd om mij toe te leggen op mijn andere nieuwe job: schrijven voor Het Nieuwsblad Online.

Maar zelfs zonder pakken sneeuw was het vandaag bar koud rond de basiliek. Ik moest namelijk naar het postkantoor. Ik probeer dat gebouw zoveel mogelijk te vermijden. Het overkomt me dat ik in een opwelling naar Diest rijd om een verzending te doen. Inwoners van Scherpenheuvel weten waarover ik spreek, maar laat mij toch even toelichten waarom het postkantoor in Scherpenheuvel met momenten een kille, onherbergzame plaats is.

Ik stapte binnen en zag, tot mijn opluchting, dat beide loketten open waren.
Links, op haar vaste plaats, zat Jenny. Rond gezicht. Mis-en-plis in de juiste plooi. Strenge bril aan een touwtje. Teveel rode lippenstift. Felgekleurde blouse. Wollen trui, die ze waarschijnlijk ooit nog zelf gebreid heeft. De rest van Jenny zat strategisch verborgen achter haar bureau, en laat mij eerlijk zijn, ik was er niet rouwig om.
Rechts, achter het tweede loket, zat een jonge vrouw die ik niet kende, terwijl ze voor ’t zelfde geld, zoals we hier zeggen, misschien al jaren voor de post werkt.
Aan beide loketten werd iemand bediend. Jenny praatte, op haar gebruikelijke minachtende toon, met een vrouwelijke klant. Haar jonge collega bediende Jacqueline, een vriendin van mijn moeder, een kwieke dame, tweede helft van de zestig.
‘Ik heb één grote bruine envelop nodig,’ legde Jacqueline uit, ‘maar ik zie hier alleen pakjes van tien liggen.’
‘Dat klopt,’ was het karige antwoord.
‘Verkopen jullie ook losse enveloppen?’
‘Nee, mevrouw, we verkopen ze alleen in pakjes van tien.’
Jacqueline drong aan.
‘Zou ik toch niet gewoon één envelop kunnen kopen? Die andere negen kan ik niet gebruiken.’
‘Nee, mevrouw.’ De jonge dame werd meteen een beetje ongeduldig. Ik draaide mij om en keek achter mij, in de veronderstelling dat het postkantoor intussen was volgelopen met een grote schare nieuwe klanten. Behalve ik stond er niemand te wachten.
‘Nee, mevrouw,’ herhaalde ze, ‘je moet er tien tegelijk kopen.’
‘Dat is raar,’ ging Jacqueline onverstoorbaar verder, en keek naar mij. ‘Ik heb hier vroeger nochtans al eens één envelop gekocht, hoor.’ Ik geloofde haar.
Ze keerde zich terug naar de loketbediende.
‘Dus dat kan nu niet meer?’
Een diepe zucht ontsnapte aan de jonge vrouw.
‘Nee, mevrouw, zoals ik al zei moet je een pakje van tien enveloppen kopen. Trouwens, wij hebben hier nooit losse enveloppen verkocht.’ Ik merkte dat ook Jenny intussen meeluisterde.
‘Dat klopt niet,’ drong Jacqueline aan, en ik bewonderde de vastberadenheid waarmee ze dat deed, ‘want ik heb er hier vroeger ooit al eens eentje gekocht.’
Bij deze opmerking verloor de loketbediende haar cool.
‘Dat zal dan vóór de oorlog geweest zijn,’ gooide ze Jacqueline in het gezicht. Dat maakte een abrupt einde aan het gesprek. De vriendin van mijn moeder haalde haar schouders op, glimlachte naar mij en droop af.
Jenny begon te lachen.
‘Voor sommige mensen kan je niks goed doen,’ zei ze. Nu was het mijn beurt om mijn cool te verliezen.
‘Je kan op zijn minst beleefd blijven,’ zei ik boos, en ik keerde mij naar de jonge vrouw achter het rechtse loket. ‘Er was helemaal geen reden om op die manier te reageren.’
Jenny schoot haar meteen ter hulp.
‘We hebben hier echt nooit losse enveloppen verkocht.’
Alsof dat intussen nog niet duidelijk was.

Toen ik weer op straat stond, leek het alsof de temperatuur met tien graden gezakt was. Als er in de zomer nog eens een hittegolf komt, weet ik waar naartoe voor een beetje verkoeling.
_

woensdag 3 februari 2010

Kinderen opvoeden is gevaarlijk

_
Het staat in De Standaard Online vandaag. Kinderen opvoeden is gevaarlijk. Gevaarlijk voor de kinderen, weliswaar, of dat zou het volgens de Amerikaanse auteurs van het boek Fifty Dangerous Things (You Should Let Your Children Do) toch moeten zijn. Laat ze experimenteren, laat ze hun grenzen aftasten. Het is maar door te proberen en te falen dat ze de grotemensenwereld leren inschatten.
Dit is een boek, je had het misschien al begrepen, voor overbeschermende ouders. Wij geven onze kinderen niet meer de gelegenheid om in alle vrijheid gevaarlijke dingen te doen. De Witte van Zichem mocht nog in zijn blootje in de Demer springen. Nu laten ouders dat niet meer toe. Ten onrechte, aldus dit boek.

Een greep uit de vijftig tips. Dit zijn, volgens de onderzoekers, de dingen waartoe we onze kinderen moeten aanmoedigen om betere volwassenen te worden: met stenen gooien, een auto besturen, op straat slapen, een speer smijten, allerlei dingen in de microgolf opblazen, spullen uit het raam van de rijdende auto gooien, een bom in een zak maken, op het dak kruipen, voorwerpen van hoge plaatsen naar beneden laten vallen, een katapult maken, in een vuilbak duiken, dingen in de fik steken met een vergrootglas, je vrienden vergiftigen, met vuur spelen, glas stuk slaan.

Toen ik dat las, kreeg ik plots een ingeving. In België kunnen de Amerikaanse onderzoekers hun boek onder een andere titel op de markt brengen: Fifty Ways to Survive in Brussels (Things You Should Teach Your Children). Het zou een overlevingsgids kunnen zijn, een manier voor ouders om hun kinderen voor te bereiden op de harde werkelijkheid van de straat.
Het zijn namelijk doelgerichte oplossingen en initiatieven waaraan de inwoners van Brussel behoefte hebben, niet het eindeloos, communautair gezwam waarin dit debat weer aan duizelingwekkende snelheid dreigt te hervallen. Het internet loopt nu al over van blogs en opiniestukken boordevol creatieve ideeën. Er is geen politicus, advocaat of politiecommissaris die zijn gedacht nog niet heeft gezegd. Nultolerantie, samenvoeging van de politiezones, snelrecht, drastische reorganisatie, opsluiting, deportatie. Bovendien haast iedereen in Vlaanderen zich om erop te wijzen hoe lang geleden het al is dat zij waarschuwden voor een groeiend probleem in Brussel. ‘Hadden jullie toen maar geluisterd.’
Er zijn mensen die luisteren. Didier Gosuin van het FDF bijvoorbeeld, burgemeester van Oudergem, de meest verfranste gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Gosuin luistert al jaren. In een interview zei hij gisteren dat ook nu weer de Vlaamse politici lijden aan institutionele waanbeelden. Hij waarschuwt dat als de Vlaamse partijen de politie en justitie in Brussel in vraag stellen, de Franstaligen de oververtegenwoordiging van de Vlamingen in het Brussels parlement terug ter discussie zullen brengen.
Communautair gezwam dus, en meteen ook het einde van het debat. Met het mes op de keel, zoals het wel vaker gaat in de politiek.

Ik beken schuld: ik ben een overbeschermende ouder. Ik laat mijn kinderen niet elkaar het mes op de keel zetten, of van het dak springen, of uit het raam van de rijdende auto hangen. Maar laat het nu in een onbewaakt ogenblik zijn dat mijn twee jongste kinderen een springtouw tussen twee keukenstoelen bonden om te leren hoogspringen. Met heel veel bloed en een rit naar de spoedgevallen tot gevolg.
Ze zullen dus toch nog goed terecht komen, mijn kinderen.
_

dinsdag 26 januari 2010

In het land der zieken is de apotheker koning

_
De griep is in het land, zei mijn moeder gisteren. Meteen stelde ik mij een arrogante tovenaar voor die vastberaden door de straten stapt en met zijn toverstok willekeurige mensen aanraakt. Hij deelt niet alleen influenza uit, maar ook allerlei andere nare virussen en bacteriën: verkoudheden, buikgriep, ontstekingen van de bovenste luchtwegen en de alom populaire je-niet-goed-in-je-vel-voelen-en-niet-precies-weten-waarom.
We hebben ze allemaal in huis. Hier en daar ligt er een kind in bed of op de sofa. Kermend smeken ze om thee of water of een toastje met smeerkaas. Ik bedien iedereen met de glimlach, zelfs na amper drie uren nachtrust. Met een brakend kind in bed liggen heeft zo het voordeel dat je tegelijk ook in het midden van de nacht naar de Australian Open kan kijken. Ja, er staat een televisie in mijn slaapkamer.

Maar de ellende begon eerder op de avond. Erik Van Looy had net zijn derde vraag gesteld toen de maag van mijn jongste dochter keerde. Het ene feit had met het andere geen uitstaans, gezien Erik en Loes zich niet in dezelfde ruimte bevonden. Eerst ging de hele mand met gestreken was eraan (kon zij het helpen dat die in de gang stond toen ze haar nootjes en chocomelk niet kon bedwingen) en een half uur later doopte ze uiterst zorgvuldig de badkamer. Bestaat er al een wet die het verband verklaart tussen de ernst van een buikgriep en de afstand naar het toilet? We zouden ze misschien de Wet van Geubels kunnen noemen.

Alles wat ik haar aan medicatie probeerde te geven, om de krampen, maar vooral het braken te stoppen, kwam er meteen weer uit. Iets vóór middernacht stuurde ik een berichtje naar mijn zus om te vragen of ze Motilium suppo’s in huis had. Pilletjes wel, antwoordde ze, maar geen suppo’s. Dan maar snel op zoek naar de apotheker van wacht op www.apotheek.be. Handige website. Ik typte mijn postcode in en kreeg een verrassende boodschap. ‘Geen wachtdienst voorzien voor deze postcode. U kan zich wenden tot onderstaande naburige gemeentes.’

Wablieft? Er zijn acht apothekers in mijn gemeente. Niet één of twee, maar acht. Drie in mijn eigen deelgemeente Scherpenheuvel, twee in Zichem, één in Averbode, één in Messelbroek en één in Testelt. Bij geen enkele van hen kon ik terecht.
Ik kreeg gelukkig wel twee suggesties. Eentje in Diest en een andere in Rillaar. De ene op vijf km van mijn huis, de andere op zes kilometer. Je hoort me echt niet klagen. Snel even heen en weer rijden, dacht ik. Dat kan toch niet zo moeilijk zijn. Ik vertrouwde om middernacht mijn zieke dochter toe aan de zorgen van haar grote broer en vertrok.
‘Ik ben over een kwartier terug,’ zei ik. ‘Hooguit twintig minuten.’

Er brandde geen licht bij de apotheker in Diest. Niet eens het groene kruis. Ik hoopte dat ik me niet van adres vergist had. Ik parkeerde de auto, en de koplampen verlichtten het huis. Er hing een groot blad aan de deur waarop te lezen stond: Niet aanbellen na 22u tenzij voor dringende gevallen MET voorschrift.

Wablieft? Mijn kind lag al twee uur lang haar darmen uit haar lijf te kotsen, om het even cryptisch te stellen, en hier mocht ik niet eens aanbellen. I don’t think so! Ik stapte uit en belde toch aan. Het duurde een hele tijd voor er een stem aan de parlofoon te horen was. In enkele woorden legde ik uit waarvoor ik gekomen was. Dat ik mij niet had laten afschrikken door de waarschuwing aan de deur, omdat dit wel een dringend geval was, maar dan ZONDER voorschrift.
‘Het spijt me,’ zei de vrouwelijke stem streng. ‘Ik kan je alleen Motilium tabletten of siroop meegeven. Voor suppo’s heb je een doktersvoorschrift nodig.’

Wablieft? Verontwaardigd stapte ik in mijn auto. Tijdens het rijden stuurde ik een boodschapje naar mijn zoon. Het zal nog iets langer duren voor ik thuiskom, schreef ik. Is alles in orde? Ik kreeg geen antwoord. Misschien stond hij zijn zusje kokhalzend te assisteren.
Ik reed eerst de parking op van een kapperszaak in Rillaar, en stond al bij de voordeur, voor ik mijn vergissing inzag. De apotheker is de buurman van Kapsalon Wendy. De groene verlichting in de vorm van een kruis staat tussen de twee parkings in.
Tot mijn horror hing hier hetzelfde bord naast de bel. Alleen voor dringende gevallen. Ik belde toch aan. Een mannenstem dit keer.
‘Het spijt me, mevrouw, maar Motilium suppo’s vereisen een voorschrift.’
Diepe zucht.
‘Ze braakt al twee uur non-stop,’ overdreef ik maar een beetje. ‘Ik kan echt niet zonder die suppo’s naar huis gaan. Ze is helemaal uitgeput.’
Er viel een korte stilte.
‘Hoe oud is ze?’ vroeg de stem.
Een doorbraak. De transactie verliep volledig via een schuif, die automatisch open en dicht schoof. Het heeft naar het schijnt iets met drugverslaafden te maken.

Na het toedienen van de medicatie op de noodzakelijk verschrikkelijke wijze, hield het braken eindelijk op. Nog één keer moest ze. Om het af te leren. Daarna viel ze in een onrustige slaap.
Meteen maakte ik van de gelegenheid gebruik om terug naar www.apotheker.be te surfen. Dat moet hier toch ergens vermeld staan, zei ik bijna luidop. Dat je bij de apotheker van wacht niet meer terecht kan na 22u. Ik heb elke bladzijde van de website zorgvuldig gelezen. Geloof me, het staat nergens vermeld.

De beste oplossing is ongetwijfeld nooit meer ziek worden. Ik heb al een mailtje gestuurd naar Marc Van Ranst, onze gelauwerde griepcommissaris, om een persoonsbeschrijving te vragen van Tovernaar Influenza. Ik ga vannacht op pad met mijn Kalashnikov. Iemand zin om mee te gaan?
_