maandag 7 juni 2010

In de ban van Nestzaliger

_
Het is al 125 jaar geleden dat Ernest Claes het levenslicht zag. Dat gebeurde op een steenworp van waar ik woon. Twee dagen geleden heb ik nog eens aan zijn graf gestaan. Eigenaardig hoe we aan een grafsteen een spoor van de vergane mens hopen te vinden, een aanknopingspunt. Terwijl we daar eigenlijk nooit veel meer tegenkomen dan wat letters op een koude steen. In het beste geval misschien een verbleekte foto.

Nest is al bijna 42 jaar Nestzaliger. Een gelukzalige toestand waarin hij zich tot in de eeuwen der eeuwen mag bevinden. Getuige daarvan is een zwart graf tegen de muur van de abdijkerk van Averbode. Deus est amor, staat erop, terwijl je van een man als Claes toch iets eloquenters verwacht. Maar die drie woorden getuigen van een eenvoud die zijn dorpsgenoten al lang niet meer in hem terugvonden. Onterecht. Ze verweten hem van alles en nog wat, terwijl hij in feite zijn heimat nooit heeft verlaten.

Maar dat wilde ik eigenlijk niet zeggen. Ik wilde zeggen dat ik voorgoed mijn hart verloren heb aan Nest en zijn schrijfsels. Gisteren, aan de zondagse ontbijttafel, bij een dampende tas koffie en een pistolet met goed wat boter en zelfgemaakte aardbeienconfituur, las ik aan mijn vijftienjarige dochter het verhaal voor van Wannes Raps. Tijdens de eerste paragrafen luisterde ze wat onwillig.
‘Waarom is dat nu literatuur?’ vroeg ze, en ik probeerde haar een uitleg te geven.
‘Laat me gewoon lezen,’ stelde ik snel voor, want ik hoopte dat ze het antwoord misschien in de zinnen van het verhaal zou vinden.
Een uur lang wandelden we samen met Wannes doorheen de velden en de bossen van Zichem en Everbeur. We stroopten konijnen en hazen, vlochten rieten manden en dronken drupkes jenever tot we er vrolijk van werden. En toen het tijd was voor arme Wannes om in de koude vriesnacht tussen Kerstavond en Kerstmis, gekleed in het zondags kostuum van vader Claes zaliger, te voet naar Diest te gaan, stapten we drie passen achter hem. We zagen hoe de sukkelaar, na een leven zonder thuis of eigen volk, een schone dood gegund was.

Toen ik naar mijn dochter keek, zag ik dat zij, net zoals haar sentimentele moeder, tot tranen toe beroerd was. Trage druppels rolden over haar wangen. Ikzelf was er erger aan toe. Ik zat schaamteloos te snotteren, en kreeg nauwelijks de laatste woorden van het verhaal over mijn lippen, omdat ik daags voordien nog aan het graf van de schrijver had gestaan.
_