zaterdag 15 oktober 2011

De kat bij de melk zetten

Gisteren las ik ergens dat uit onderzoek gebleken is dat mensen die van zoetigheden houden socialer en vriendelijker zijn dan hun minder suikerlievende medemens. De bevindingen van de Amerikaan Brian Meier, professor in de Psychologie, werden onlangs gepubliceerd in de Journal of Personality and Social Psychology. Mensen die naar gezoete lekkernijen smachten zouden niet alleen zachter van karakter zijn, maar ook hun vrije tijd sneller opofferen om vrijwilligerswerk te doen. Het zou een gevolg zijn van de borstvoeding die ze kregen, en de nauwe band die daardoor ontstond met hun moeder.

Als dat waar is, moet ik een onwaarschijnlijk sociaal en vriendelijk mens zijn. Ik wasem de jovialiteit als het ware langs mijn poriën uit, zoveel hou ik van alles wat zoet en lekker is. De theorie van de borstvoeding zou dus wel eens kunnen kloppen. Alhoewel. Voor mijn zacht karakter durf ik toch mijn hand niet in het vuur te steken. Een slecht karakter heb ik, zeggen sommige mensen, of misschien bedoelen ze een slecht geweten? Wie zal het zeggen.

Joviaal of niet, teveel zoetigheden eten is niet goed voor een mens. Je wordt er dik van. Ik ben daarvan het levende bewijs. Mijn moeder zegt altijd: ‘Eet dan gewoon een beetje minder!’ en het mens heeft gelijk. Alleen… ik kan dat niet. Ik heb een snoep- en koekenschuif waar ik geregeld in duik, en zelfs wanneer die leeg is, vind ik altijd wel ergens iets lekkers. Bij de koffie in de (H)Eerlijkheid, tijdens een bezoek bij vrienden, of op kantoor.

Daar moest ik aan denken toen ik vanochtend in de Coreliokranten het artikel las over de VGGZ, de Vereniging voor Geestelijke Gezondheidszorg, in Hasselt, dat een nieuw centrum heeft gebouwd vlak naast een kinderdagverblijf en een kleuterschool. In dit nieuwe centrum zullen allerhande patiënten worden behandeld die kampen met psychische en psychiatrische problemen, onder hen ook een aantal veroordeelde zedendelinquenten, en dus ook pedofielen. De ouders en directie van de kleuterschool zijn verontwaardigd, en protesteren tegen de aanwezigheid van deze patiënten. De VGGZ haast zich om te zeggen dat slechts een zeer klein percentage van de zedendelinquenten ook effectief veroordeelde pedofielen zijn, en als ik die cijfers omreken, kom ik tot de vaststelling dat er om de twee dagen een pedofiel op de campus zal aanwezig zijn.

De vraag van de bezorgde directie en ouders is: waarom de kat bij de melk zetten? Waarom die mensen niet behandelen op een andere plaats? Een plaats waar de verleidingen minder groot zijn, of beter nog, helemaal afwezig? Het is een beetje zoals mijn snoep- en koekenschuif, die altijd gevuld is, en waar ik met gemak kan in graaien. Zou het niet simpeler zijn om de verleiding weg te nemen? Om geen chocolade meer in huis te halen? Iedereen die van chocolade houdt weet dat dit een kortzichtige, zelfs onnozele oplossing is.

In het artikel staat ook dat sommige van de patiënten van de VGGZ met het openbaar vervoer zullen komen. Dat dus de kans bestaat dat kinderen samen op de bus zitten met pedofielen. Welke ouder, vraag ik mij af, is nog zo naïef om te denken dat hun kinderen niet af en toe met een pedofiel op de bus zitten? Ga na schooltijd maar eens aan de bushalte van de Leuvense Poort staan in Diest, en stel daar aan de meisjes van 12 en 13 de simpele vraag of ze ooit al werden aangesproken door iemand die ongepaste, seksueel getinte opmerkingen maakt. Je zou verbaasd zijn. Zeker wanneer je weet dat die bushalte gelegen is in de schaduw van het hoofdkwartier van de politiezone Demerdal.

Pedofielen zijn overal en van alle tijden. Pedofielen die seksuele misdaden plegen of ooit gepleegd hebben evenzeer. In het geval van Hasselt zullen we ten minste weten waar ze zich bevinden. In het nieuwe centrum in de Pater Valentinuslaan. Het zijn alle heimelijke, onzichtbare of latente pedofielen en pedoseksuelen waarvoor we als ouders waakzaam moeten zijn. En de enige manier om onze kinderen écht tegen zo'n roofdieren te beschermen is door hen met handen en voeten uit te leggen wat de gevaren zijn, hen weerbaar te maken, en hen te leren dat iemand blindelings vertrouwen soms de meest verschrikkelijke gevolgen kan hebben.




___
Een reactie is welkom, mits goede manieren.

donderdag 7 juli 2011

Omaha Beach - een schrijfoefening

Op het strand in Normandië veeg ik met pen en papier de geschiedenis uit. Met mijn woorden zuiver ik de lucht van angstkreten, het water van bloed en het zand van gebroken lichamen.
De zon schijnt, en alles is nieuw en maagdelijk schoon. Mijn twee jongste kinderen spelen in de branding. De twee oudste zitten binnen handbereik. Ze lezen.

*

Aan het graf van sergeant Jay Pilgrim ruk ik het witte marmeren kruis uit de grond en graaf. Ik graaf tot mijn gescheurde handen beenderen vinden, die ik voorzichtig op het gras leg en in ere herstel. Ik verlang met bonzend hart het levende vlees van Jay weer aan zijn lijf, tot hij zijn ogen opent.
Hij glimlacht, en ik knik begrijpend. Hij wil niet blijven. Met een lichte beweging van mijn hand geef ik hem terug aan de toekomst die hij 67 jaar geleden offerde aan de menselijke dwaasheid.

*

Op het strand in Normandië wandel ik naast een oude man.
'Was het een goed leven?' vraag ik. Ik kijk naar hem en zie het antwoord op zijn gezicht.
'Ze had op me gewacht,' zegt Jay, 'en we maakten elkaar gelukkig.'
Ik luister naar een geschiedenis die niet verloren ging. Jay vertelt me alles, tot in het kleinste detail.
'Schrijf het op,' gebiedt hij mij plots, 'dan kleeft het vlees voorgoed aan mijn beenderen.'
'Ik beloof het,' zeg ik plechtig.

In de verte hoor ik de lachende stemmen van mijn kinderen. Ik draai me om en wandel terug.
Op een van de heuvels met zicht op Omaha Beach keert sergeant Jay Pilgrim uit North Dakota terug naar zijn graf.
Mijn pen en papier houden mijn belofte.





----------
Een reactie is welkom, mits goede manieren.

maandag 6 juni 2011

Brand - een vertelseltje

‘Meneer pastoor, meneer pastoor, de houten kaarsenkapel staat in brand!’ De gealarmeerde stem van de koster luidde als een klok. Hij stond aan de voordeur van de pastorie in de Rozenkranslaan en bonkte met beide vuisten op de deur.
Meneer pastoor zat aan de keukentafel uit te blazen na een drukke zondag. De derde al van deze meimaand. Mooi weer en veel bedevaarten. Niet alleen de terrassen zaten vol, ook de stoelen in de basiliek waren rijkelijk gevuld geweest met mensen. Vanuit de woonkamer waaide Beau Soir van Debussy de keuken binnen. Want soms viel alles gewoon in de plooi.

‘Meneer pastoor, een ramp! Ge moet nu direct meekomen,’ klonk het aan de deur, en puur van ’t verschieten liet meneer pastoor zijn boterham uit zijn handen vallen. De snee volkorenbrood, dik gesmeerd met boter, en belegd met een schel parmahesp van bij de beenhouwer in de Basilieklaan, sleurde in volle vlucht zijn kop koffie mee. Het porselein ratelde, en het oor van de kop brak af zonder aarzelen. De hete koffie spatte op, en raakte de pastoor op de hand en de mouw. Hij sprong recht en wist de ontsnappende godverdomme op het nippertje in een potverdorie om te zetten. Zijn stoel schoof met zoveel geweld achteruit dat hij omviel en tegen de tegels kletterde.
‘Meneer pastoor!’ riep de koster opnieuw, die intussen de bel had teruggevonden. ‘Meneer pastoor, kom nu toch naar buiten. Sebiet staat de kerk ook in brand!’
Meneer pastoor haastte zich de gang in. Gelukkig heb ik mijn schoenen nog aan, dacht hij. Zijn huistelefoon en gsm kwamen tegelijk tot leven. Geen tijd om op te nemen. In de vlucht stootte hij met zijn elleboog tegen de kruk van de deur en liet de godverdomme deze keer wel de vrije loop.

Samen met de koster zette hij het op een lopen in de richting van de basiliek. De kaarsenkapel stond op nog geen honderd meter van zijn huis, maar de bergop voelde zwaarder dan een marathon. De straten en het park van de kerk liepen nog vol met pelgrims, en meneer pastoor meende overal geschrokken, bange gezichten te zien. Er hing spanning en ongeloof in de lucht. Hij wilde zich haasten, maar het voelde alsof hij lood in de benen had. Het leek op die boze droom van vroeger, waarin hij wilde vluchten of heel rap ergens geraken, maar hoe hard hij ook probeerde, hij kwam niet vooruit.
Hij hoorde de sirenes van de brandweerwagens in de verte. Die moesten gelukkig niet van ver komen. De andere kant van het dorp. Maar op zondag was het hele centrum afgesloten, en met zoveel volk op straat, zouden ze misschien niet snel genoeg ter plekke geraken. Om nog maar te zwijgen van de wegenwerken, die nu al maanden aansleepten. Dat ze maar niet te laat komen, dacht hij, want als de vlammen uit de kapel slaan, schieten er nog bomen in brand. Dan vallen er misschien slachtoffers. Als die er al niet zijn.
Meneer pastoor wilde het aan de koster vragen, maar die pufte en blies zo aandoenlijk, terwijl het zweet langs zijn glimmende, rode kop naar beneden gutste, dat hij hem nauwelijks durfde aankijken.

Ze waren halfweg. Meneer pastoor hapte naar adem, en voelde zijn hart in zijn keel bonzen. Een tiental mensen hadden zich intussen bij hem en de koster gevoegd. Ze liepen bekommerd achter hen aan, maar dat merkte hij in zijn groeiende paniek niet op. Door opengesperde neusvleugels snoof hij bij elke ademhaling de geur van smeltende kaarsen en smeulend hout tot diep in zijn longen. Heilige Maria, dacht hij, laat het niet waar zijn. Niet tijdens mijn dienst.

Plots kwam hij zo abrupt tot stilstand dat hij achter zich een kettingbotsing veroorzaakte.
‘Niet stoppen, meneer pastoor,’ hoestte de koster, die eerst achterom keek en daarna zelf stopte met lopen. De pastoor had nu volle zicht op de kaarsenkapel, en keek naar de koster, die intussen voorover geleund stond te hijgen, handen op de knieën. De man zag eruit alsof hij op de rand van een hartaanval stond. Toch wilde de pastoor hem een ferme draai rond zijn oren geven.
‘Wat staat ge mij hier wijs te maken, koster?’ Hij kon zijn emoties nauwelijks de baas. ‘Ik kan van hier al zien dat er geen brand is.’ Hij merkte nu pas de schare mensen op die rond hem stond en probeerde zich te beheersen.
‘’t Is wel brand, meneer pastoor,’ stotterde de koster, ‘Ik heb het zelf gezien. De rookpluimen sloegen uit de kapel.’
De pastoor sloot even zijn ogen, haalde een enkele keer diep adem en liep toen verder. Hij bereikte het kerkplein, waar hij meteen zag hoe benieuwde pelgrims en parochianen door hun aantal de doorgang van de brandweerwagen belemmerden. De brandweercommandant vroeg eerst beleefd aan de mensen om aan de kant te gaan, maar zette toen de sirene op. Iedereen schrok, en er werd plaats gemaakt voor de blussers.
‘Niks aan de hand,’ drukte de commandant meneer pastoor na een kwartier op het hart. ‘Gewoon oververhitting en wat rookontwikkeling. Er was nooit echt gevaar voor brand.’

Aan de overkant van het plein, op de lage, dikke muur naast de stenen kapel met de noveenkaarsen, zaten Silke en Kobe te grinniken. De rode krullen van Kobe gloeiden in het avondlicht. Hij zat heel dicht bij Silke, en voelde de warmte van haar hand vlak bij zijn knie.
Ze keken samen naar de wegebbende commotie. Meneer pastoor liep heen en weer tussen de mensen. Het leek wel alsof hij iedereen persoonlijk op hun gemak wilde stellen.
Silke gaf Kobe plots een scherpe stomp in de ribben met haar elleboog.
‘Aw, waar is dat goed voor?’ Hij wreef hard over de zere plek, want zijn grootmoeder beweerde dat de pijn daarmee sneller wegging. Dat had hij nog nooit ondervonden.
‘Ge kunt niet eens een fatsoenlijk vuur aansteken, gij.’
Kobe was verliefd op haar, al twee jaar. Van toen ze in het eerste leerjaar zaten. Ze had hem al zeker honderd keer gevraagd om te bewijzen dat het wel echte liefde was, en nog had hij niet door dat ze met zijn voeten speelde. Dit keer had ze hem een kus beloofd. Een echte, zoals op tv.
‘Ik kan wél vuurke stoken,’ zei Kobe met aandrang, en voelde de tranen in zijn ogen springen. ‘Ik heb zeker duizend kaarsen gepikt en die achter de kapel op een hoop in brand gestoken.’
Silke bewonderde zijn lef, maar dat zou ze nooit toegeven. Ze zag hoe dikke druppels over zijn wangen rolden en op zijn broek vielen. Hij deed geen moeite om ze af te vegen.
‘Ons vader geeft mij het pak slaag van de eeuw als hij weet dat ik dat gedaan heb,’ snikte hij. Hij durfde zijn geliefde niet aan te kijken.
‘Dan moeten we hopen dat hij het niet te weten komt, he, Kobeke.’ Ze sprong van de muur.
‘Wat gaat ge doen?’ vroeg hij ontsteld. Hij herkende die toon in haar stem.
‘Als ge me kunt inhalen, zal ik zwijgen,’ zei ze uitdagend, en zette het op een lopen in de richting van het Isabellaplein, naar het restaurant van Kobe’s vader.

Ze botste in haar sprint bijna op meneer pastoor, die net op het punt stond naar zijn boterham met parmahesp terug te keren. Ze wist hem behendig te ontwijken.
De pastoor nam zijn bril af en veegde het zweet van zijn voorhoofd met de mouw van zijn vest. Hij rook de geur van opgedroogde koffie.


(Gelijkenis met bestaande mensen is puur toeval. Net zoals in het vertelseltje: De sterren van de hemel.)



-------
Een reactie is welkom, mits goede manieren.

dinsdag 12 april 2011

Bang van de boze wolf?

Het stond in de krant: op 13 april wordt België schaamteloos gepenetreerd door de nieuwste Hollywoodrage, het erotische, gewelddadige sprookje. Eerste film in de reeks is Red Riding Hood, een versie van het verhaal waar de wolf een moordlustige man blijkt te zijn, met de nadruk op lust. Roodkapje, onschuldig wicht, loopt met open ogen in de verleidelijke val van de sluwe wolf. De rest kennen we.

Conservatief Amerika steigert. Europa heeft gelukkig (voorlopig nog) minder die neiging, maar het artikel over de komst van deze film stond toch zo maar even bovenaan De Standaard Online, om maar één krant te noemen. Regisseur Catherine Hardwick, van o.a. de Twilightfilms, weet precies wat ze doet. Ze mikt met deze uitdagende versie van de aloude vertelsels op het brede publiek van tienermeisjes, dat uitgekeken is op vampiers en zich benadeeld voelt tussen al dat stoere geweld van de actiefilms voor jongens.

Onze eigenste Louis Paul Boon zaliger was Hardwick natuurlijk een vijftal decennia voor. Maar dat zal haar waarschijnlijk worst wezen. Eind jaren vijftig publiceerde Boon namelijk Grimmige sprookjes voor verdorven kinderen, waarin hij een aantal sprookjes letterlijk geweld aandeed. Of naar eigen zeggen terugbracht naar hun oorspronkelijke staat.
Het bewijs dat zijn versie van Roodkapje haar effect niet mist op tienermeisjes van de 21ste eeuw werd mij onlangs geleverd door het Vlaamse katholieke onderwijs. Mijn dochter van vijftien kwam thuis van school, smeet haar boekentas in een hoek, verbande haar kleine zus en broer uit de keuken, en overviel mij met de woorden: ‘Zet je schrap, mama, want ik ga iets voorlezen!’
Ik greep het aanrecht beet, hield mijn hart vast, en luisterde in spanning.

‘Zekere morgen zei de moeder van Roodkapje: ‘Grootmoeder is zo eenzaam en ziek. Draag haar deze twee oude pannenkoeken en de fles bier die vader niet heeft gewild. Maar sta u niet weer eeuwenlang te spiegelen in de vijver in het bos.’
Roodkapje was nog heel jong, pas onlangs waren borstjes aan haar lichaam beginnen groeien. Ze was er opgetogen over, en vond het zonde ze in het donker van haar bloesje te moeten opsluiten. Zij voerde er lange gesprekken mee, alsof het haar vriendjes waren.
Ze schikte haar rode halsdoek met witte bolletjes over het hoofd, en strikte die vast onder de kin. Maar haar bloesje liet ze open, opdat haar borstjes met haar konden meewandelen.’


Aan het einde van die zin gekomen, haalde niet alleen mijn dochter, maar ook ik voor het eerst weer adem. Zij van opwinding, en ik van verbijstering. Ergens tussen 1982, toen ik zelf in het vierde middelbaar zat, en 2011 was Louis Paul Boon de Humaniora Voorzienigheid in Diest binnen geslopen. Voor het eerst in negenentwintig jaar was er een moedige leerkracht Nederlands die besloten had dat de kindertjes in haar klas verdorven genoeg waren om de grimmige sprookjes van Boon te lezen.

Ik kan dat alleen maar toejuichen, want uiteindelijk is Boon niet alleen de auteur van De Kapellekensbaan, maar een veelzijdig schrijver en kunstenaar die in leven moet worden gehouden. Toch vraag ik mij af in hoeverre de directie van de school dit specifieke onderdeel van het curriculum goedkeurt. Nochtans vind ik dat dit sprookje in het post-Dutroux tijdperk op het menu van elke school moet worden gezet. Jonge meisjes met ontluikende borstjes moeten gewaarschuwd worden voor de wolven van deze wereld. Wolven die van alle tijden zijn, en zich in alle hoeken en kanten van het bos kunnen schuilhouden. Zelfs op de meest vertrouwde plaatsen.

De Hollywoodversie van Roodkapje zal meisjes de verkeerde boodschap geven. Flirten met het gevaar is niet spannend of verleidelijk. Dat is gewoon dom.




-------
Een reactie is welkom, mits goede manieren.

woensdag 6 april 2011

Drie Walebeesten

Afgelopen zondag zou er een debat plaatsvinden tussen Tom Naegels en Joris Tulkens. Maar ook al zaten beide auteurs zij aan zij op het podium van het Begijnhoftheater in Diest, van debatteren was er helaas geen sprake. Daar zorgde Radio 2-coryfee Leen Paredis voor, die de vragen stelde. Bedoeling was de twee heren in elkaars richting te duwen, maar helaas stond ze eerder als een muur tussen hen in, het gezicht vooral naar de jongere auteur gekeerd. Jammer voor het publiek. Wanneer je twee denkers bijeen brengt, hoop je toch op een scherpe gedachtenwisseling, in plaats van twee monologen.

Naegels en Tulkens hebben elk hun eigen stijl en interesses, maar ze hebben ook een uitgesproken raakvlak: de multiculturele samenleving. Volgens de ene schrijver is zij springlevend, volgens de andere op sterven na dood. Naegels benadert en aanvaardt de complexe wereld waarin hij leeft, genaamd Berchem, vanuit de biologische reflexen die hem, en alle mensen in deze wereld, sturen. 'Je kan niet vermijden,' zegt hij in meer woorden dan op dit scherm passen, 'dat er argwaan is tussen individuen. Zo zitten we nu eenmaal in elkaar. We kunnen enkel van elkaar aanvaarden dat we anders zijn, en met die verschillen leren leven.' Lees er zijn blogs maar op na.

Tulkens zegt dat het beter moet. 'We moeten inzien dat multicultureel samenleven niet de oplossing is, want dan steunen we op passief in plaats van actief pluralisme. Dat brengt geen aarde meer aan de dijk. We moeten elkaar al doende leren begrijpen, ook al vergt dat een inspanning.' Om zijn argument te ondersteunen las hij een brief voor van de 15de-eeuwse humanist Nicolas Cleynaerts, wiens woorden vandaag bijna moderner klinken dan zes eeuwen geleden: 'In plaats van de boeken die ons schrik aan jagen te verbranden, moeten we ze lezen,’ durft Tulkens te zeggen. Met andere woorden: laat ons kennis nemen van elkaar.

Toen het debat-dat-er-geen-was ten einde was, wandelde ik naar buiten en snuffelde nog even tussen de tweedehandsboeken, die in bakken en op tafeltjes bijeen lagen aan de ingang van de theaterzaal. Mijn oog viel op een oud, vergeeld boekje uit de jaren stillekes. Op de harde kaft stond een angstaanjagende tekening, die me aan de Bokkenrijders deed denken. Vlaamse legenden, was de titel. Ik bladerde door het boek. De kabouters van de Kempen, was de eerste titel die mij opviel. De duivelsschuur van Vilvoorde, en mijn fantasie was meteen geprikkeld. Van een jongen, die goed van aannemen was, vond ik ook interessant. Maar toen ik de titel van hoofdstuk XV zag, kocht ik het boekje meteen: Drie Walen in Vlaanderen.

Met het woord multiculturaliteit nog vers op mijn trommelvlies, las ik de eerste zinnen van de legende. Drie Walen besloten op een dag naar Vlaanderen te gaan. Te voet, want ze waren arm. Ze spraken alleen Frans, maar hoopten onderweg een mondje Vlaams te kunnen leren.
In het eerste het beste Vlaamse dorp waar ze passeerden, was net de school uit. Het duurde niet lang of de drie mannen hadden de hele schooljeugd achter zich. De kinderen begonnen schaamteloos te schelden. ‘Drie Walebeesten, drie Walebeesten!’ riepen ze, en ze jaagden hen het dorp uit.

Hoe het verder afliep met de drie Walebeesten, laat ik aan jullie verbeelding over. Maar eigenlijk hoef ik daar geen tekeningetjes bij te maken.
Er is geen hoop. Of toch? Is de multiculturele samenleven springlevend, of is ze de illusie die we ons voorhouden om ons geweten te sussen? Als we de Walebeesten al van ons erf jagen, hoe gaan we dan ooit de anderen naast onze deur kunnen verdragen, laat staan begrijpen?

maandag 21 maart 2011

99,35%


_
Het moet de natte droom van elke politicus zijn: verkozen worden met een volmaakte score. Weten dat iedereen achter je staat. Of het nu vrijwillig is, of bij gebrek aan een alternatief. Dat maakt uiteindelijk niet zoveel uit. Zolang het cijfer er maar staat. Als een beenharde paal boven water.

Bart De Wever grapte zaterdag, na zijn aardverschuivende herverkiezing tot ‘nieuwe’ voorzitter van zijn partij, dat hij met zijn 99,35% van de stemmen in de slipstream van Mobutu zit. Humor zal in dat geval de beste bliksemafleider zijn, neem ik aan. Want hoe ga je daar anders mee om? Je dreigt namelijk snel te verglijden in de verpletterende gedachte aan die 0,65% smeerlappen die niet voor jou gestemd hebben.

De vergelijking met Mobutu riep bij mij herinneringen op aan een anekdote uit het verleden. Mijn ouders woonden in de jaren tachtig in wat toen nog Zaïre heette. Eerst enkele jaren in Lubumbashi, daarna in Kinshasa. Het was dan ook onvermijdelijk dat ze op een dag getuigen waren van presidentiële verkiezingen.

Paul, hun domestic, kreeg de dag vrij om in zijn dorp gaan te stemmen. Hij moest daarvoor een verplaatsing van enkele uren doen, heen en terug, plus urenlang in de rij staan. Maar ’s middags wandelde hij, tot mijn moeders verbazing, al terug haar keuken binnen.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze. ‘Ben je niet ginder geraakt?’
Paul lachte.
‘Jawel, madame, maar ze hebben me weggestuurd.’
‘Weggestuurd?’ Mijn moeder keek hem vragend aan. ‘Zonder je eerst je stem te laten uitbrengen?’
‘Ja,’ grijnsde hij breed. ‘Ze hadden al genoeg stemmen.’

Blijkt nu dat ze op het hoofdkwartier van N-VA de mensen net iets te vroeg naar huis gestuurd hebben.
_