zondag 20 november 2011

De Madonna's van Scherpenheuvel (3)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Nieke - 12 december 1587

Deel 2

De wandeling valt me zwaarder dan ik had gehoopt. De harde grond kraakt onder mijn voeten, en ik struikel om de haverklap over de ruige stenen die als bevroren vuisten uit de grond steken. Alsof de aardbodem zelf mij ervan probeert te verhinderen vooruit te komen. Twee keer heb ik mijn voet al omgeslagen, en de geweldige vloek die mij telkens ontsnapt, brengt mij het schaamrood op de wangen.
Het pad waarop ik de heuvel afstrompel, liep eerst in zuidwestelijke richting, maar is nu afgevlakt en leidt mij westwaarts. Daarginds, in de verre, paarse duisternis, ligt de stad Leuven. Zo ver moet ik gelukkig niet reizen. Ik moet maar twee kilometer afleggen, tot aan de pachthoeve van de Loobosch. Maar zelfs die twee kilometer lijken mij plots ellendig lang.

De dageraad opent het landschap dat voor mij ligt. De lucht is zo blauw dat het pijn doet aan mijn ogen. Het is lang geleden dat ik nog eens een uitspansel gezien heb zonder sporen van vliegtuigen. Wanneer ik stil sta om de ijskoude, zuivere lucht in te ademen tot diep in mijn longen, weet ik dat ik dit tot in mijn ziel moet opnemen. Een gelegenheid als deze krijg ik nooit meer.

De weg loopt tussen de bomen en de velden. Er is niets in het landschap dat ik herken. Ik woon nochtans op deze plaats, breng hier mijn kinderen groot, ga naar mijn werk, naar de bakker, de apotheker. Vierhonderd vierentwintig jaar in de toekomst heb ik hier mensen lief. De grond waarover ik loop, draagt de belofte van hun bestaan, en ik voel mij verschrikkelijk eenzaam, ook al zijn zij al lang geboren in mijn hart.

De hoge bomen zijn een verrassing voor mij. Op een of andere manier had ik een barre, open vlakte verwacht. Het pad is smal, en ik vraag mij af hoe hier met een kar kan gereden worden. Ze kunnen toch niet alles te voet doen. Bovendien zijn hier legers gepasseerd, soldaten met paarden en oorlogstuig. Ik vind daar op deze bevroren ochtend niks van terug, ook al weet ik dat ten noorden van waar ik wandel, op nog geen tien kilometer van hier, een Spaans kampement ligt. Ik duw de gedachte met geweld uit mijn hoofd. Nee, verdomme, er gaat mij hier niks overkomen. Ons Liefvrouwke heeft beloofd over mij te waken. Ze kan haar belofte maar beter nakomen.

Ik ben op weg naar de boerderij van boer Tuur Exelmans, om zijn dochter Nieke te interviewen, die twee dagen geleden miraculeus genezen is van een bijkans dodelijke koortsaanval.

Tuur was amper veertien jaar toen hij in 1556 als knecht begon te werken op de pachthoeve van de abdij van Park in Schoonderbuken. De Norbertijnenabdij van Park in Heverlee was gesticht in 1129 en uitgegroeid tot een economische grootmacht. De Witheren bezaten aan de westkant van de heuvel met de eikenboom een aantal bossen en akkers, die door pachters werden onderhouden. In Schoonderbuken hadden zij enkele huizen bekomen door schenking, en in de kapel van Sint-Job, in het centrum van de kleine gemeenschap, kwam drie keer per week een Witheer van Park de mis doen voor de keuterboeren uit de naaste omgeving. Lang geleden had hier ook een gasthuis voor de armen gestaan, maar dat was intussen verdwenen.
Geboren en getogen in de velden van Zichem, had Tuur als kind meer slaag dan eten gekregen. Hij was op zijn veertiende bij wijze van spreken al half krom gewerkt. Zijn handen waren ruige schuppen, en daarmee kon hij bergen werk verzetten. Zijn vader had hem gedrild in de boerenstiel, en zijn moeder had hem de vrees voor de toorn Gods met de paplepel ingegeven. Op een dag had een Witheer, die te voet op weg was van de kapel in Schoonderbuken naar zijn confraters in de abdij van Averbode, tegen de vader van Tuur gezegd dat ze daar in de pachthoeve nog gezonde jonge snaken konden gebruiken. Devoot als ze was, stuurde de moeder van Tuur haar zoon meteen naar ginder, met de boodschap zijn diensten gratis en voor niks aan te bieden, waarop ze ferm motten kreeg van haar man, die het werk op het veld niet gedaan kreeg zonder dat extra paar handen.

Tuur was een goede werker, en niet dom. Ook zijn hart zat op de juiste plaats. Toen in 1565 ene Franciscus Saenen na zijn dood zijn hoeve en de helft van zijn grond in de Loobosch aan de abdij van Park schonk, viel Tuur op zijn gat van ’t verschieten toen hem werd gevraagd om pachter te zijn. En zo gebeurde het dat de harde werker uit Zichem op zijn drieëntwintigste, na negen jaar ploeteren voor de Witheren van Park, plots boer werd in zijn eigen recht, op een stuk grond van 47 bunders, gelegen op een kilometer of twee van de heuvel met de eikenboom.
Qua timing kon dat tellen. De Tachtigjarige Oorlog was pas begonnen, maar omwille van de fortuinlijke ligging van de hoeve, in een natuurlijke inzinking in het terrein en verdoken tussen de lindebomen, zou Tuur het ergste leed gespaard blijven. Tenzij het ons Liefvrouwke van de eikenboom was, die Tuur en zijn boerderij beschermde.
Nochtans was hij getrouwd met een vrouw die groot gevaar liep als ketter te sterven, omdat ze meer geloof hechtte aan de geneeskrachtige werking van planten en wortels, dan aan de goddelijke tussenkomst van de Heilige Maagd. Branden in de hel zou zijn heidense Anna, maar gelukkig slaagde Tuur erin om haar ongeloof voor de buitenwereld verborgen te houden. Hoe het kwam dat zijn vrouw niet in God geloofde, bleef hem een raadsel, want ze was een goed vrouwmens, dat hem bediende zoals een vrouwmens dat hoort te doen, en hem in de loop der jaren vijf zonen en een dochter schonk, iets waar een pachter toch niet over te klagen heeft. Bovendien waren, op één na, al zijn kinderen in leven gebleven, wat niet kon gezegd worden van veel kinderen in die tijd. Of dat nu te maken had met de brouwsels van Anna durfde Tuur niet te beweren. Hij stak zijn familiaal geluk liever op de goddelijke voorzienigheid. Want ook al kreeg hij haar met geen stokken mee naar de kapel van Sint-Job, toch was hij er tot zijn geluk in geslaagd de Witheer van Park wijs te maken dat ze het op haar adem kreeg van de vochtige schimmel op de muren van de kapel. Elke zondag bad hij tijdens de mis voor vergiffenis, want hij zag zijn Anna graag, en hij veronderstelde dat zijn godsvrucht haar ongeloof tot een vergeeflijke zonde maakte.

De dochter van Tuur en Anna heette Leonie. Ze was geboren de dag voor kerstmis in het jaar des heren 1570. Nieke had bruin-groene ogen en volle wenkbrauwen die in een hoge boog groeiden, waardoor ze met een licht verwonderde uitdrukking door het leven ging.
‘Ze is niet van de snuggerste’, zei Anna altijd, want ze had twee linkerhanden en slaagde erin zes op de zeven keren de melk te laten overkoken, als ge ’t haar durfde vragen van er blijven bij te staan. Toen ze zeven jaar was, was ze al een halve kop groter dan haar broer Fons, die nochtans meer dan een jaar ouder was dan zij.
‘Te groot voor een meiske,’ zuchtte Anna, die zelf nooit ver boven anderhalve meter was uitgegroeid. ‘Ze gaat nooit aan ne vent geraken.’
Het jaar dat Nieke acht zou worden, was het jaar dat Alexander Farnese met zijn Spaanse soldaten door de Zuidelijke Nederlanden trok. Hij passeerde op een haar na de hoeve van de familie Exelmans. De grond daverde, en omdat de wind uit het noorden kwam, roken ze op de pachthoeve de vunzige stank van een leger op rooftocht. Terwijl Farnese op de heuvel met de eikenboom zijn kampement opsloeg, zat boer Tuur met zijn vijf kinderen in het achterhuis luidop te bidden om gespaard te blijven van de brutaliteiten van de Spanjaarden. Zelfs Anna was er komen bijzitten, want in haar keuken durfde ze niet alleen blijven. Tijdens de nacht die volgde, hakten de Spanjaarden de Geuzen in Zichem in de pan. De branden waren op de horizon te zien alsof het de dageraad was. Nieke was twee dagen daarna getuige van de eerste keer dat haar vader als een klein kind zat te snotteren bij de open haard, omdat hij het nieuws gekregen had dat de boerderij van zijn ouders, die nu eigendom was van zijn oudste broer, was leeggeplunderd en platgebrand, met de inwoners erin. En wat was er nu te plunderen, godverdomme? Armzalige sukkelaars waren het daar in Zichem, die uitgemergeld waren van de honger, en al jaar en dag gebukt gingen onder de terreur van die ongelovige ketters uit het noorden.

Ik nader de plaats waar ik naar mijn gevoel naar links moet gaan om de hoeve van Nieke te vinden. De enige aanwijzing die ik heb is een topografische Ferrariskaart die gemaakt is in 1777, en die ik van het internet heb gehaald. Daar staat een pad op, maar was dat pad er tweehonderd jaar eerder ook al? Er bekruipt mij een griezelig gevoel. Wat zou er gebeuren als ik hier verloren loop? Geschrokken kijk ik achterom, en daar, duidelijk afgetekend tegen de einder, zie ik de heuvel. Ik haal opgelucht adem. Nee, verloren ga ik hier niet lopen.

Nieke wordt binnen 12 dagen zeventien jaar, en het heeft geen haar gescheeld of ze had haar verjaardag niet gehaald. Een week geleden bracht ze een zoon ter wereld, en het kraambed kostte haar bijna het leven. De avond na de bevalling ontwikkelde ze plots hoge koorts, en het manneke kon ocharme niet meer aan de borst van zijn moeder liggen. Hij krijste van de honger, tot Anna hem warme koeienmelk te drinken gaf, die hij gretig opsabbelde tot hij voldaan in slaap viel. Nieke spartelde zich door de nacht, terwijl de arme Anna van hot naar haar liep, en druk in de weer was met allerlei zalfjes en brouwsels.
‘We moeten voor haar bidden,’ zei boer Tuur, en zijn vrouw bliksemde hem de kamer uit met haar ogen, dat hij bibberde van schrik. Hij ging naar het achterhuis en stak een kaarsje aan bij het kleine beeldje van Maria dat hij daar in een hoekje had staan. Hij deed een schietgebedje, en kroop daarna dicht tegen de haard onder een deken. De slaapplaats zou hij de volgende dagen niet meer zien.
Wat Anna noch boer Tuur wisten was dat Nieke kraamkoorst had. Een aandoening die vrouwen vroeger in het kraambed wel vaker het leven kostte, wegens een gebrek aan hygiëne tijdens de bevalling. Dat Anna met vuile handen haar dochter had bijgestaan, die haar kind ter wereld perste op een strozak op de grond, was daartoe de rechtstreekse aanleiding. Een flinke kuur antibiotica zou dat probleem meteen hebben verholpen. Tja.

Anna maakte een brouwsel van wel zeven of acht verschillende planten en kruiden. En haar oudste zoon Gust stuurde ze naar de eikenboom op de heuvel, gevaarlijk of niet.
‘Pak een mes mee en snij een proper stuk schors van die boom,’ beval ze hem, ‘en rep je als de weerlicht om er mee thuis te komen.’
Eikenschorspoeder was een krachtig middel tegen krampen, en zeker dat van de boom op de heuvel. Die boom werd al eeuwenlang aanbeden voor zijn genezende krachten. Lang voor er een beeldje van Maria aanhing. Anna wist dat het beeldje er gekomen was om de mensen te sussen. Dat de een of andere pastoor dat daar had aangehangen om de boom te onteren. Ze wist dat het de boom zelf was die heilig was, niet dat Liefvrouwke dat er voor niks tussen stak, tussen de genezingen. Ze wist het, maar ze zweeg. Uit schrik voor de Witheren van Park.
Gust, die eigenlijk niet veel goesting had om zich in de vrieskou te begeven, maar goed wist dat hij van zijn moeder een maand geen eten meer zou krijgen als hij niet deed was ze vroeg, rende zich de benen van onder het lijf. Tijdens het terugkomen viel hij zo hard op zijn gezicht dat er een stuk van zijn voorste tanden afbrak en hij bloed zeverde op zijn kamizool. Hij moest tien minuten zoeken naar zijn linkerklomp, die tijdens het vallen met geweld uitgevlogen was en ergens in de kant lag. Anna gaf hem een lap tegen zijn hoofd, omdat hij zo lang weggebleven was.

Drie dagen lang ging het van kwaad naar erger met Nieke.
‘Die pap gaat haar niks helpen, vrouw,’ zei boer Tuur nors. ‘Ge gaat haar niet kunnen redden.’
‘Zwijgt gij,’ snauwde Anna boos terug. ‘Wat weet gij daar nu van. Mijn pap heeft tijd nodig om zijn werk te doen. Alsof uw gefrazel bij dat postuurke haar kan helpen, zeker.’
Tuur zweeg en legde zich op de grond voor de haard. De open schouwpijp boven het vuur tochtte zo hard dat hij de kou op zijn rug voelde vallen. Stijf en half bevroren werd hij enkele uren later wakker bij het uitgedoofde vuur. Hij kroop op handen en voeten over de vloer van aangestampte klei, tot hij bij het deurgat kwam van de enige slaapplaats in de hoeve op de Loobosch. Hij keek naar binnen, en bij het schemerlicht van de dagenraad zag hij tussen de potten, emmers en vodden zijn stervende dochter liggen. Ze gloeide en stond nat in ’t zweet. En het ergst van al was dat ze hem met grote, doffe ogen aanstaarde, als was het om te zeggen: ‘Vader, het gaat hier niet lang meer duren met mij.’
Op dat moment kwam er iets over boer Tuur dat hij nog nooit eerder in zijn leven had gevoeld. Een machtig gevoel van vastberadenheid stuwde hem de kamer in. Hij grabbelde een deken vast, smeet die over zijn dochter heen, stak zijn ene arm onder haar rug en zijn andere onder haar benen, en hief haar op alsof het niks was. Hij was van plan om zijn vrouw de mond te snoeren mocht ze wakker worden, maar zij lag van uitputting te ronken met het kind op de borstkas, alsof ze hoopte het verdomme zelf nog te kunnen zogen.

En zo stapte de wanhopige vader richting eikenboom op de heuvel. Twee kilometer ver droeg hij haar, tot hij zijn armen en benen niet meer voelde, en enkel de vertwijfeling hem voortduwde. Hoe hij er geraakt is, weet hij nog steeds niet, maar hij deed er bijna een uur over, terwijl hij die afstand normaal gezien gemakkelijk op een half uur aflapt. Hij durfde niet naar Nieke te kijken, uit schrik dat ze gestopt was met ademen. Maar toen hij haar op de grond legde aan de voet van de eikenboom, waren haar ogen open en helder, en ze keken hem aan met dankbaarheid.
Tuur hoorde zijn knieën kraken toen hij op de grond neerknielde. Hij sloeg zijn verkleumde handen samen tot zijn knokkels wit zagen. Toen richtte hij zijn blik op het beeldje van Maria tegen de boom en bad zoals hij nog nooit in zijn leven gebeden had. Hij smeekte om het leven van zijn dochter, en hij voelde hoe een zware pijn bezit nam van zijn borstkas. Nooit in zijn leven had hij meer verdriet gevoeld. Zelfs niet die keer toen hij het nieuws kreeg van de brand van Zichem. De tranen liepen over zijn vuile gezicht, en trokken groeven over zijn wangen die er voor de rest van zijn leven zouden blijven.
Langer dan een half uur durfde hij zijn Nieke niet op de grond laten liggen. Ze klappertandde van de kou en haar lippen begonnen blauw te zien. Dus raapte hij haar op en droeg haar terug naar huis, waar Anna raasde en raasde tot Tuur uit zijn kram schoot en riep: ‘Genoeg, vrouw! Hou die grote tetter nu eens dicht of ik smijt u buiten!’ Waarop de baby prompt begon te krijsen, puur van ’t verschieten.
‘En die kleine, wat gaan we daarmee doen?’ vroeg Tuur zich af, nog half roepend. ‘Die kunnen we toch niet houden. Dat is een duivelsjong met zijn donker haar en donkere ogen. Van waar is dat joenk gekomen?’
Tuur nam zich voor de baby ’s anderendaags naar de Begijnen in Diest te dragen. Ze moesten er daar dan maar hun plan mee trekken.
Maar ’s anderendaags gebeurde er iets dat niemand had kunnen voorspellen. Toen Tuur rond een uur of zeven ’s morgens vanuit de schuur het huis binnen kwam, zat Nieke naast de open haard op een stoel, met het kind aan haar borst, te stralen van geluk, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
‘Ik ben genezen, vader,’ glimlachte ze haar tanden bloot, terwijl haar kloeke borsten blonken van gezondheid en haar wangen rood zagen van levensvreugde. Het kind lag in haar armen te ronken, en boer Tuur vroeg zich af hoe hij het ooit nog uit die armen zou kunnen rukken zonder het hart van zijn Nieke te breken. Toch zat er niks anders op, want hier kon die kleine niet blijven.

Op nog geen driehonderd meter van waar ik sta, zie ik plots beweging aan de linkerkant van de weg. Daar moet de pachthoeve van de familie Exelmans zijn, ik voel het in mijn knoken. Wanneer ik mij in beweging zet, komen er honderd vragen in mij naar boven. Wie is de vader van het kind van Nieke? Zou er dan toch een Spaanse soldaat zijn die zijn weg naar de hoeve gevonden heeft? Heeft hij zich aan Nieke opgedrongen, of heeft ze zich uit vrije wil aan hem gegeven? Wat herinnert zij zich nog van het moment aan de voet van de eikenboom? Gelooft zij dat ons Liefvrouwke haar miraculeus genezen heeft, of was het toch het brouwsel van haar moeder dat zijn werk heeft gedaan? En wat gaat ze doen wanneer ze te weten komt dat haar vader elke dag opstaat en gaat slapen met het plan haar kind aan de Begijnen in Diest te geven?

Terwijl ik de armetierige hoeve van leem en houten planken nader, controleer ik voor de twintigste keer of ik wel pen en papier bij me heb. Van dit interview wil ik geen woord vergeten.



Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (4)

*De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

1 reacties:

  1. Marie-Anne Van KerkhovenDec 14, 2011 07:20 AM

    ...dit is gewoon prachtig...zoo ontroerend!
    ik vind het ook zo knap dat je dat paganisme erin verweven hebt, want dat was er idd eerst!

    BeantwoordenVerwijderen