Nieke - 12 december 1587
Deel 3 – Het interview
Terwijl ik het armetierige erf van de hoeve van de Loobosch opwandel, slaat de galsterige stank van beesten en mensen mij in de neusgaten. Als deze bevroren geur in het putteke van de winter al tot mij doordringt, hoe moet dat hier dan in de zomer ruiken? Een schurftige oude hond blaft naar mij zonder veel overtuiging. Hij is vastgebonden met een dikke koord, waar hij niet aan trekt. Hij weet dat het toch nutteloos is. In gedachte hoor ik mijn grootvader zeggen: ‘Die ligt hier om de armoei van ’t geleeg te bassen.’ En armoede is hier genoeg. Ik durf er nauwelijks aan denken welk een honger deze mensen al hebben geleden in hun leven.
Nieke staat me op te wachten in het deurgat. Ze blaakt van gezondheid, zoveel is duidelijk. Dat op zich is al een mirakel, gezien de omstandigheden. Ondanks het koude weer, draagt ze korte mouwen. Haar versleten, bruine rok is aan een kant opgebonden, om het ergste vuil en nat te vermijden. Ik zie een slank been met een smalle enkel. Ze is op blote voeten, die beter tegen de kou bestand zijn dan de ijsblokken in mijn wandelschoenen, die ik anderhalve kilometer geleden al niet meer duidelijk kon onderscheiden van de rest van mijn lichaam. Haar lange blonden haren zijn bij elkaar gebonden en ze heeft een sjaaltje op haar hoofd. Nieke heeft een natuurlijke en overtuigende schoonheid die mij even van de wijs brengt. Met ernstige, helblauwe ogen staart ze me aan, hoge wenkbrauwen gefronst. Toch verraadt de lichte glimlach op haar volle lippen een vermakelijke gedachte.
‘Gij hebt een broek aan gelijk ne vent,’ roept ze me toe, en zonder haar blik van mij af te wenden, roept ze ook naar haar volk in het huis: ‘Moe, va, komt ’s zien wat ze hier op ‘t geleeg smijten!’ Ze lacht haar verbazend witte tanden bloot.
De tafel waar we aanzitten heeft goede en slechte tijden gekend. Voor ik mijn papieren neerleg, veegt Nieke met een grote armzwaai de kruimels op de grond. Een magere bruine kip, die in de hoek van de kamer zat te slapen, springt kwiek en hoopvol recht, maar haar enthousiasme wordt meteen getemperd door een fikse uithaal van Nieke’s voet. Het vuur brandt en daar ben ik niet rouwig om. Langzaam begin ik te ontdooien. Een tas thee zou nu op zijn plaats zijn, maar die gedachte veeg ik even snel weg als Nieke de kruimels. Er zal mij hier niets worden aangeboden. Boer Tuur en zijn Anna zitten vol argwaan bij de haard, Nieke heeft plaatsgenomen tegenover mij, het kind aan de borst. Op mijn gemak ben ik hier allerminst. Ik zit in een vreemde omgeving, met vreemde mensen, in een tijdperk dat ik niet kan begrijpen. Ook de taal is een hele aanpassing, en ik weet nu al dat ik bij het uitschrijven van mijn interview een vertaling zal moeten maken naar moderner Nederlands.
Ik haal diep adem en stel mijn eerste vraag.
Kunt gij u nog de dag herinneren, Nieke, toen het Mariabeeldje van de eikenboom verdween?
Wat vraagt gij mij nu?
(lacht)
Natuurlijk weet ik dat nog. Ik was tien jaar en ‘t was precies of de wereld kwam op z’n einde. Al jaar en dag had dat beeldeke daar gehangen, en nu ineens was ‘t weg. Kent ge de geschiedenis van dat beeldeke niet? Ge weet misschien niet goed wat hier allemaal gebeurd is. Awel, ik zal ’t u vertellen, zie.
Heel lang geleden, toen de dieren nog konden spreken, stond die boom hier ook al. Het is te zeggen, konden spreken... ik bedoel dat niet letterlijk, he, begrijp me niet verkeerd. Ons moe zegt altijd dat die boom toen al heilig was. Niet heilig zoals Jezeke heilig is, maar bezonder. Ze zegt dat nu nog altijd, ons moe, want zij gelooft niet in Jezeke, en ook niet in ons Liefvrouwke. Een doodzonde is het, maar wat wilt ge dat ik daar aan doe? Ze is mijn moeder, en ik heb er geen ander.
Op nen dag heeft daar iemand een postuurke van ons Liefvrouwke in den eikenboom gehangen. Niks bezonder, zoudt ge zeggen, maar toen dat postuurke daar al honderd jaar of meer aan de boom hing, was het er op een dag ineens uitgewaaid. Wat op zich al vreemd was, want het was goed vastgenageld en het waaide niet eens zo hard. Toch was het tegen de grond getotterd en Goddank niet gebroken.
Op een gegeven moment kwam een knecht van een van de boeren van de streek voorbij de boom en zag hij ochot ocharme ons Liefvrouwke op de grond liggen. Dus raapte hij haar op. Hij zal zijn eigen niet kunnen inhouden hebben, peins ik, want ja, wie wil nu ons Liefvrouwke zomaar op de grond zien liggen. Nu is alleen de vraag, wat was hij ermee van plan? Sommige mensen zeggen dat hij het wilde mee naar huis nemen, en anderen denken dat hij het terug in de boom wilde hangen. Awel, ik weet niet welke uitleg de juiste is, maar van de moment dat hij het postuurke in zijn handen had, gebeurde er iets dat ge niet zoudt verwachten. Die knecht, die waarschijnlijk ne sterke vent was, bleef ineens stokstijf staan. Hij kon begot zijn armen en benen niet meer bewegen. Sterk of niet, hij kon niks of niemendal nog bewegen. Stel je eens voor wat dat is. Dat moet verschietachtig zijn, zenne.
De tranen rolden in dikke druppels over zijn gezicht. Want hij moest peinzen aan zijn zieke vrouw, die hij thuis te bed had liggen. Het was voor haar dat hij wilde komen bidden bij de Maria van den eikenboom. Het was nen halve zot, die knecht, maar ja. Uuuuren heeft hij daar gestaan, stokstijf, tot zijne baas hem is komen zoeken. Die wilde hem een pak rammel geven, omdat de schapen allemaal weggelopen waren. Ja, die waren niet blijven rondhangen, he, dat kan je wel denken. Hoe zoudt ge zelf zijn? Die waren schampavie.
De boer pakte dat postuurke uit de handen van zijne knecht en hing het rappekes terug in den eikenboom. Uit schrik van onze Lievenheer, want van ons Liefvrouwke had hij minder schrik. En ge moogt het geloven of niet, de seconde dat dat postuurke terug in de boom hing, had de knecht terug macht over zijn armen en benen. Hij viel op zijn knieën en begon luiddop te bidden. Dat moet nogal een spektakel geweest zijn. De boer wilde hem een mot geven, maar in ’t bijzijn van ons Liefvrouwke durfde hij niet.
Awel, ’t is dat beeldeke dat gepikt is uit de boom toen als ik tien jaar was. Ik heb toen gebleit als een kieke, dat durf ik gerust toegeven.
Wie had dan dat beeldje meegenomen?
Ja, die Geuzenhonden van ’t noorden natuurlijk. Wat is dat nu voor een stomme vraag. Die hebben hier al ’t een en ’t ander van miserie aangericht. Of hebt ge dat misschien nog niet opgemerkt? Ze hebben dat beeldeke kapotgeslagen. Kunt ge dat nu goed geloven? Wie doet nu zoiets? Dat is heiligschennis. Meneer pastoor, ge weet wel, die van Zichem, heeft gezegd dat die smeerlappen in het heetste vuur van de hel zullen branden voor de rest van de eeuwigheid. Ik hoop het. Ik hoop het echt.
[[Nieke kijkt mij met vlammende ogen aan. Ik twijfel even over mijn volgende vraag, maar stel ze toch.]]
En waarom heeft ons Liefvrouwke die dieven dan ook niet verlamd, zoals de knecht indertijd? Dan konden ze haar niet pikken.
(Stilte)
Hoe moet ik dat nu weten? Daar zal dan wel een goei reden voor geweest zijn, zeker. Ik kan nu toch niet gaan zeggen dat ik weet wat dat er in ons Liefvrouwke hare kop rondspookt. Dat kan vanalles zijn.
[[Ik beslis om een risico te nemen.]]
Zou het kunnen dat de mirakelen aan de eikenboom niet door ons Liefvrouwke worden verricht?
(Langere stilte)
Dat begrijp ik niet. Hoe bedoelt ge, niet door ons Liefvrouwke? Door wie dan wel?
Door de zieke mensen zelf, die zo hard geloven in een genezing dat ze vanzelf beter worden. Door hun eigen gedacht, hun eigen hoop.
(Nieke draait zich langzaam om naar haar ouders, die aandachtig hadden geluisterd naar elk woord. Ze tikt met haar wijsvinger tegen haar voorhoofd.)
Gij vangt geloof ik. Gewoon mensen kunnen toch geen mirakelen doen. Ge hebt wel gelijk dat de mirakelen niet stopten toen er geen beeldeke in de boom hing. Maar ons Liefvrouwke kan mensen genezen zonder dat er daar een postuurke voor in nen boom moet hangen, he. Dat begrijpt ge nu toch zelf.
Maar het beeldje is teruggekomen. Niet het oude, maar pastoor Van Thienwinkel heeft er toch opnieuw eentje opgehangen.
En nog een geluk ook. Want stelt u voor dat we hier door God en ons Liefvrouwke zouden verlaten zijn. Dan zaten wij hier nu niet te klappen, he.
(Lacht)
Ik kan daar met mijn verstand niet bij dat gij dat niet kunt begrijpen.
Wat is er dan precies gebeurd toen je vader je naar de eikenboom droeg?
(Nieke wordt plots heel stil en staart enkele minuten voor zich uit. Haar hele houding en gelaat veranderen. Er komt een serene blik in haar ogen. Wanneer ze spreekt, is alle spot uit haar stem verdwenen.)
Ik was niet zeker wat er gebeurde toen onze va mij oppakte. Dat heeft hij nog nooit gedaan en ik dacht: ’t is nu wel goed en wel gedaan met mij. Ik peinsde dat ik al dood was en dat hij mij naar mijn graf droeg, zo zot was ik van de koorts in mijne kop. Maar hij begon te stappen en bleef maar stappen. Het was precies of het duurde een eeuwigheid. Ik kon niet begrijpen waar hij mij naartoe bracht. Maar stillekesaan begon ik het gevoel te krijgen dat de hitte in mijne kop begon te zakken. En toen wist ik het ineens. Hij brengt mij naar ons Liefvrouwke van den eikenboom! Ge kunt niet geloven hoe groot mijn opluchting was. Ons moe zal wel uit haar kram geschoten zijn, dacht ik er direct achter, maar blijkbaar heeft onze va haar dan toch eens op haar plaats gezet en me naar de boom gebracht.
Toen ik daar aan de voeten van ons Liefvrouwke op de grond lag, kwam er een gelukzalig gevoel over mij. Ik deed mijn ogen toe en zag een hel blauw licht. Precies of ze zat in mijn kop, zo dichtbij en mooi was dat. Onze va zat hardop te bidden. Wat die zot allemaal gezegd heeft, ik zou ermee gelachen hebben, mocht ik niet zo ne schrik gehad hebben om te sterven. Dat hij ongelukkig zou zijn als ik zou dood gaan. Dat hij al een kind verloren had, vroeger, en dat hij geen tweede wilde verliezen, zeker niet zijn enige dochter. Hij was effekes van zijn verstand af, peins ik.
(Kijkt om naar haar vader, die boos rechtstaat en de kamer verlaat.)
Allez, ik moet eigenlijk content zijn dat hij zoveel met me inzit.
Maar op den duur hoorde ik dat gefrazel van onze va niet meer. Ik hoorde precies engelen zingen. Dat suisde door mijne kop, en op den duur voelde ik water over mij lopen. Fris water, gelijk in de beek in de zomer.
Het volgende dat ik wist, was dat ik mijn ogen opendeed en ik hier op mijne strozak lag. Mijne kleine lag naast me en ik ben rechtgestaan, heb die mee gegrabbeld en ben aan ’t vuur gaan zitten om hem van mijn melk te geven. En sabbelen dat hij deed. ’t Was precies of hij had een week geen eten gehad.
Weet ge dat uw moeder u planten en kruiden gegeven had toen ge ziek waart? Denkt ge niet dat die iets met uw genezing te maken hadden?
(Kijkt om naar haar moeder, die ingedommeld is bij het vuur.)
Ons moe gelooft van wel.
En gij, Nieke? Wat gelooft gij?
(Fluistert)
Ik denk dat ons Liefvrouwke daar hard door gekwetst is, dat ons moe niet in haar gelooft. Ik begrijp dat niet. Wat is daar nu niet aan te geloven? Zij kan mirakelen doen, zij heeft mij genezen. Meer bewijs is er toch niet nodig.
[[Ik besef dat het geen zin heeft om zoveel simpele overtuiging nog verder in vraag te stellen. Tegenover mij zit een meisje dat twee jaar jonger is dan mijn oudste zoon. Ze zit daar de moeder te wezen van een bastaardkind dat verwekt werd door een onbekende vreemdeling, en ik vrees dat haar eerste moederschap niet duren. Boer Tuur zal de kleine, die nog niet eens een naam heeft, naar de Begijnen in Diest brengen van zodra hij de kans krijgt.]]
Wat gaat ge doen met uw kind, Nieke? Gaat ge hem hier grootbrengen? Ge weet toch dat uw vader dat niet wil.
(Kijkt naar het slapende kind in haar armen)
Hij is geen duivelsjoenk, zoals onze va zegt.
(Lange stilte)
[[Ik weet niet of een bijkomende vraag haar van de wijs zal brengen. Dus hou ik mijn mond. Ik zie hoe Nieke worstelt met zichzelf. Ze bloost. Dan stel ik de vraag toch. Ik heb verschrikkelijk met haar te doen.]]
Wie is de vader van je kind, Nieke?
(Aarzelt, maar begint dan toch te vertellen, bijna fluisterend)
Het was in de lente. De krokussen waren al aan ’t wassen. ’s Morgens, toen ik naar ’t washuis ging, kon ik de bloemen in de grond ruiken. Of hij zich daar de hele nacht verstopt had, weet ik niet, maar toen ik in het washuis binnenging, stond hij voor me. Ik verschoot mijzelf een halve bult.
(Stopt met praten.)
Wie stond voor je?
Ik zag direct dat hij ne soldaat was. Dus ik verschoot voor den tweede keer. Oei, dacht ik, ze hebben ons gevonden. Dus ik wilde krissen, roepen, weglopen, maar als een weerlicht sprong hij op mij af. Hij greep mij vast en sloeg zijn hand over mijne mond. Ik dacht dat ik ging sterven van schrik. Hij trok me zo hard tegen zich aan dat ik geen lucht kreeg. Ik zag zwarte plekken voor mijn ogen. Ik dacht echt dat ik van mijne sus zou gaan. En toen liet hij mij plots los.
Daar verschoot ik nog het hardste van, want ik dacht dat het met mij gedaan was. Maar in plaats van weg te lopen, bleef ik staan. Als gij mij nu vraagt waarom ik niet wegliep, ik zal daar niet kunnen op antwoorden. Wat komde gij hier doen? vroeg ik, maar ik zag aan zijn donker karboenkels van ogen dat hij niet begreep wat ik stond te zeggen. We bleven daar zo staan. Hij keek naar mij van boven naar onder. En ik had er direct spijt van dat ik mijne rok zo hoog had opgebonden. Maar ja, ge moet weten dat er op het geleeg hier ferm moos en stront kan liggen, en daar wilt ge echt niet met uwe rok inhangen, of ge kunt den hele dag in ’t washuis staan. Het is zo al erg genoeg.
Hij keek naar mijn blote voeten en mijn benen, ja, ik zag wel dat er vanalles door zijne kop ging dat niet deugde. Ik ben niet van gisteren, he. Als die mannen van Zichem hier komen om te helpen met hooien in de zomer, zie ik die ook aan hun kruis heffen als ik kom water brengen in ’t veld. Ik ben niet stom geboren.
Zijn ogen gingen langzaam omhoog, en tegen dat hij in mijn ogen keek, wist ik dat hij me in zijne kop helemaal had uitgekleed. Ik wist het, want ik voelde het over mijn hele lijf. ’t Was precies of ik stond in mijne blote ginder op dat bergske, in de vlakke zomerzon te braden gelijk een speenvarkentje. En die hitte, die kwam van binnen in mij. Van ergens in mijne buik.
(Valt weer stil en glimlacht.)
Wat gebeurde er toen?
Ik dacht, als onze va of onze Fons hier nu binnen komen, dan overmeesteren ze hem. Of erger nog, ze slaan hem de kop in. Dus ik luisterde naar de geluiden buiten. Ik hoorde niks. Iedereen was al vertrokken. Alleen ons moe was binnen. Die was bezig in de keuken.
Hoe het gebeurde, weet ik feitelijk niet meer, maar hij was weer bij me als de weerlicht. Maar deze keer dacht ik niet aan roepen. Hij greep mij vast rond mijn midden en trok mij opnieuw hard tegen zich aan. Mijn asem stopte, maar deze keer niet van de schrik. Mijn hart bonkte zo hard dat ik het kon horen. Hij had dikke lippen en die drukte hij tegen mijne mond. Warm dat dat was, dat kunt ge niet geloven.
(Pauzeert even en raakt haar lippen aan met haar vuile vingers.)
Ik verschoot mij half dood toen ik plots zijn tong in mijne mond voelde. Ik wist niet wat er gebeurde. Ik dacht me eerst los te trekken, maar hij pakte me nog harder vast. Ik kreeg het warm tussen mijn benen. Allez, hoe kan dat nu? Legt gij dat eens uit.
Ik kon dat niet tegenhouden. Ik wilde weten hoe het zou proeven om ook mijn tong in zijne mond te steken. Het proefde naar noten en zoete rode bessen.
Hij hefte mij op en duwde mij tegen de muur naast de deur. Met zoveel geweld dat ik met mijne kop tegen de muur botste en er effen niet goed van was. Zijne mond was de hele tijd op die van mij. Toen trok hij mijne rok helemaal omhoog.
(De moeder van Nieke is intussen wakker geworden en luistert in stilte mee op de achtergrond.)
Mijn voeten raakten niet eens de grond. Hij pakte mij onder mijn billen vast en trok mijn benen open. En toen voelde ik het. Ik liet een kreet, want eerst deed het pijn en ik wilde mij achteruit trekken. Maar natuurlijk zat ik vast tussen hem en de muur. Ik kon nieverans naartoe. Met elke schok van zijn lijf ging ik op en af. En de pijn, die duurde niet lang. In plaats van pijn voelde ik hoe het opnieuw warm werd tussen mijn benen. Zo warm dat het deugd deed. Omdat hij die hitte tussen mijn benen aan de binnenkant aanraakte.
(Nieke sluit haar ogen en haalt diep adem voor ze verdergaat)
Net toen ik wilde dat hij nooit zou ophouden, liet hij mijn benen los en stond ik te wankelen tegen de muur. Hij sleurde mij mee naar de wastobbe, draaide mij om en hefte mijne rok terug omhoog. Hij duwde mij voorover en ik kon mij maar juistekes pakken aan de rand van de tobbe, of ik had met mijne kop in het water gevallen. Hij gaf mij een harde klets op mijn kont, en stootte zich direct weer binnen tussen mijn benen.
(Een lichte kreun ontsnapt haar lippen. De kleine roert zich in haar armen en ze duwt hem een borst in de mond.)
Het was precies alsof hij aan ’t lamenteren was. Ge zoudt denken dat hij smarten had, of ondraaglijke pijnen, zo kreunde hij. Hij zei de hele tijd hetzelfde: ‘mimadonna, mimadonna!’
Weet gij wat dat wil zeggen? Wat is dat een mimadonna?
[[Hoe kan ik haar vertellen dat deze verdwaalde Spaanse soldaat tijdens zijn vergrijp de heilige Maagd heeft aanroepen die aan den eikenboom genageld hangt. Dezelfde Madonna die Nieke negen maanden later genezen heeft van kraamkoorst. Ze zou me niet geloven.]]
Hij heeft je een Madonna genoemd, Nieke. Zijn Madonna.
En wat wil dat zeggen, een Madonna?
Een Madonna is een sterke vrouw die alles aankan, die hard kan werken en goed voor haar kinderen zorgt. Ben jij dat?
(Opnieuw valt er een lange stilte)
Ik zal hem nooit kunnen vergeten.
Dat begrijp ik. Is het daarom dat je je kind niet naar de Begijnen wil sturen?
Deze kleine is geen duivelsjoenk.
(Kijkt me met vurige ogen aan.)
En onze va gaat hem niet afpakken. De Begijnen kunnen naar de hel lopen.
(Schrikt wanneer ze de hand van haar moeder op haar schouder voelt. Moeder en dochter kijken elkaar heel even aan, en kijken dan samen naar het slapende kind.)

Ik vertrek zonder afscheid te nemen. Het tafereel dat ik achterlaat bij het haardvuur van de hoeve op de Loobosch zal voor eeuwig op mijn netvlies gebrand blijven als een tragisch schilderij. En toch straalt het ook hoop uit. Dezelfde hoop die Leonardo da Vinci kon vastleggen in zijn Anna te Drieën, waarin de heilige Anna met haar dochter Maria en kleinzoon Jezus is afgebeeld als belofte voor een toekomst die niet meer tegen te houden is.
Ik keer terug naar de eikenboom, zonder te beseffen dat het verhaal van Nieke voor mij nog niet ten einde is.
Het is vroege namiddag en het landschap is veranderd. Waarschijnlijk enkel in mijn ogen, of in mijn hart. Ik wend mijn blik naar het beeldje. Mijn woorden en tranen wellen tegelijk naar boven. Op mijn knieën val ik niet, maar ik leun tegen de krachtige eikenboom, die mij rechthoudt.
‘Waak over haar,’ vraag ik snikkend aan ons Liefvrouwke. ‘Ze is een moeder, zoals gij. Als er echt zoiets bestaat als genade, zorg er dan voor dat ze nooit het verdriet van verlies hoeft te kennen.’
Zou ze me gehoord hebben?
Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (5)
*De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.
Goe gedaan ,,Madonna,, van thuis achter de Meule!
BeantwoordenVerwijderenZo mooi, spannend, zo adembenemend, zo geloofwaardig dat ik bijna naar de eikenboom gegaan ben.
BeantwoordenVerwijderenA.
Je hebt een hele beeldrijke taal, Clara, en wat je schrijft schrijf je zo plastisch dat je de lezer meteen mee hebt.
BeantwoordenVerwijderen'k Hoop je te ontmoeten op gedichtendag in de Averboodse bibliotheek...
Greet Langen
Prachtig mooi geschreven en ik moest dikwijls lachen met de typische woorden die wij in Scherpenheuvel gebruiken :-)
BeantwoordenVerwijderenja,Claire van Marianne van Lewiske ,gij kent er iet van zenne.Ik kijk al uit naar het boek,dat wil ik voor mijn nageslacht!
BeantwoordenVerwijderen