zaterdag 7 januari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (6)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Isabella - 6 juni 1627

Deel 1 (vervolg)

Een zachte lentebries streelt me uit mijn diepe gedachten. Ik sta verscholen in een portaal, mijn rug tegen een muur gedrukt, uit het zicht van de weinige mensen op straat. De eerste schuchtere zonnestralen verwarmen de koele lucht en snijden de ochtendnevel in gelijke stukken. Ik hoor mijn adem door mijn neusgaten razen en zuig de zuurstof zo diep mogelijk in mij naar binnen. Langzaam komt mijn hartslag tot rust.
Het tafereel voor mij is bijna te aangrijpend om te beschrijven. Daar waar tijdens mijn vorige bezoek enkel een oude eikenboom stond in een bevroren, onherbergzaam landschap, staat nu het gebouw waarvan ik elke rechte lijn, elke curve en elke boog ken als mijn eigen lichaam. Hoog boven het hoogste punt van de heuvel reikt een monumentale kerk van de aarde naar de hemel. Een kerk die de rest van de wereld in het niets doet zinken. Het landschap, dat zich in alle richtingen kilometersdiep uitstrekt, tot ver buiten de Brabantse grenzen, knielt nederig in het aanschijn van de maagdelijke rondingen en viriele roerloosheid van dit gloednieuwe gebedshuis.

In mijn Scherpenheuvel van de 21e eeuw staat deze kerk verscholen achter de hoge bomen en wordt ze zo goed mogelijk weggedrukt achter het benauwde leven van alle dag. Auto’s rijden voorbij zonder te vertragen, mensen haasten zich langs haar heen zonder nog te weten waar zij vandaan komt en waarom ze er staat. Maar hier, in de 17e eeuw, hier kan je er niet naast kijken. Hier domineert ze in al haar vroegbarokke glorie het gezichtsveld volledig. Volmaakt en in haar opzet geslaagd. Want wie zou zich niet nederig voelen in het aanschijn van zoveel architecturale schoonheid? Wie zou niet knielen bij het zien van deze bouwkundige lofrede aan de Heilige Moeder Gods?

Toen Antwerpenaar Wenceslas Cobergher op vijftigjarige leeftijd de opdracht kreeg om een kerk te ontwerpen die het hoofd kon bieden aan de druk van de reformatie, leek het of alle elementen van zijn jarenlange carrière eindelijk samenvielen. Aartshertogin Isabella begreep de mogelijkheden die schuilgingen in zijn meerzijdige persoonlijkheid, en Cobergher nam de uitdaging met dankbaarheid aan. Aan zijn Italiaanse omzwervingen als schilder had hij een artistieke en architecturale visie overgehouden die putte uit zowel de klassieken als de rooms-katholieke kunst. Deze opdracht gaf hem de kans al zijn ideeën op eigenzinnige wijze bijeen te brengen.
Cobergher ging meteen aan de slag en tekende een ingewikkeld grondplan, opgevat in een zevenhoek, als symbool voor de zeven smarten van Maria. Ook de straten rond de kerk werden betrokken in zijn project, een voorstel waarvoor hij de aartshertogen meteen warm wist te maken. Heel Scherpenheuvel, en dus niet alleen de kerk, zou worden gebouwd in het teken van het getal zeven, zowel de plattegrond van de stad als de Hortus Conclusus, de besloten hof rond de kerk. Albrecht was zelfs zo enthousiast over het concept van zijn opperste architect, dat hij na enige tijd aan iedereen die het wilde horen verkondigde dat het ontwerp van het zevenpuntige stadsplan uit zijn eigen geest was ontsproten.
Cobergher maakte het zich met dit concept nochtans bijzonder moeilijk. Er ontstonden namelijk meteen een aantal ingewikkelde bouwkundige problemen. Om te voldoen aan zijn idee om van deze kerk een ongeëvenaard meesterwerk te maken, was niets minder dan een complexe voorgevel, een stenen koepel en een monumentale toren nodig in drie verdiepingen, afgewerkt met een spits. Een totaalontwerp in drie niveaus, dat stapsgewijs naar de hemel reikte. Cobergher had naar zijn gevoel de perfecte verhoudingen op papier gezet.
De werkelijkheid draaide nochtans anders uit. Aan de kerk die ik voor mij zie, ontbreekt de spits op de toren. Die spits zal er ook nooit komen, want zelfs in de 21e eeuw staat ze er niet. Om die reden is volgens sommigen deze kerk volledig uit haar juiste proporties gerukt, en domineert de zware, stenen koepel de hele constructie. Al eeuwenlang beweren kwade tongen dat het meesterwerk van Cobergher helemaal geen meesterwerk is.

Toen de pen van de architect het papier raakte om de eerste lijnen te trekken die tot het ontwerp van de kerk voor Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel zou leiden, begon ook meteen de zoektocht naar geld om de bouw te financieren. Geen sinecure, wanneer je weet dat de uitgaven voor de grondwerken alleen de normale inkomsten van de kapel ver overstegen. Er kwam nochtans heel wat geld binnen. Op de kerkrekeningen van die tijd staan gulle ontvangsten vermeld uit de offerblokken en de verkoop van beeldjes en paternosters. Ook waren er giften in natura, zoals kippen, eieren, schapen, groenten en fruit. Maar om deze droom waar te maken was meer nodig dan enkele giften en gunsten van de zieken en wanhopigen die om genade kwamen bidden aan de voeten van ons Liefvrouwke.
Er heerst een algemeen historisch misverstand omtrent de financiering van het nieuwe heiligdom. Ook al werd met het ontwerp en de bouw aangevat onder soevereine instructie van Isabella en Albrecht, toch droegen de aartshertogen, op een enkele liberaliteit na, geen rijksdaalder bij uit eigen zak. De grote bedragen kwamen voornamelijk van de Staten-Generaal van de Zuidelijke Nederlanden, de algemene vergadering, opgemaakt uit de zuidelijke provincies, die werd samengeroepen wanneer dat nodig was. De bedragen die op bevel van de aartshertogen terecht kwamen op de rekening van de kapel waren onder meer bijeengeraapt met geld van de door oorlog verarmde provincies en het uitgehongerde volk.
Maar die bijdragen verliepen alles behalve vrijwillig. Zonder de constante druk die door de aartshertogen op de Staten-Generaal werd uitgeoefend, zou het onmogelijk zijn geweest zelfs de fundering van de kerk te leggen.
Bovendien was er de voortdurende dreiging van oorlog, die beslag legde op ieders geest en gemoed. De aartshertogen begrepen maar al te goed dat er vrede nodig was, wilden zij hun politieke en religieuze missie waar maken. Terwijl kerken en kloosters nog nasmeulden en moesten worden herbouwd, koesterden Isabella en Albrecht het verlangen om het ontspoorde volk opnieuw stevig op de katholieke rails te zetten. En een volk dat honger leidt, kan je niet naar de kerk loodsen, moeten ze hebben gedacht. Dus eerst moest er werk gemaakt worden van economische stabiliteit.
Besprekingen tussen Spanje en de noordelijke Republiek waren al sinds 1606 aan de gang, en een jaar later was er een wapenstilstand afgekondigd. Maar de nood aan een meer permanente regeling drong zich op. Na intense onderhandelingen werd in Antwerpen uiteindelijk op 9 april 1609 een bestand ondertekend dat twaalf jaar zou duren. Dit bestand zorgde voor een lange periode van stabiliteit, waarin de Nederlanden, zowel in het noorden als in het zuiden, de kans kregen te werken aan herstel.

Het was in die sfeer dat de eerste steenlegging plaatsvond in Scherpenheuvel. Toen de grondwerken tijdens het voorjaar van 1609 eindelijk voltooid waren, kwamen de aartshertogen op 2 juli naar het bedevaartsoord om de ceremonie bij te wonen. De feestelijke gelegenheid werd echter overschaduwd door de financiële zorgen waarmee Hendrik Meert, bouwmeester van de kerk, dag in dag uit worstelde. Hij slaagde er niet of nauwelijks in zijn werklui te betalen, laat staan de materialen die zouden nodig zijn om het monumentale gebouw op te trekken. Bovendien waren de administratie van de kapel en het beheer van de inkomsten en fondsen zowel de kapelaan als pastoor Van Thienwinckel razendsnel boven het hoofd gegroeid. De rekeningen klopten vaker niet dan wel, en terwijl de kerkelijke overheden de fouten steeds met liefde door de vingers zagen, werd het met de dag duidelijker dat er dringend moest worden ingegrepen. Niet alleen moest er administratief orde op zaken worden gesteld, er moest ook een manier worden gevonden om de inkomsten te verzekeren en de uitgave ervan in strakke en goede banen te leiden. Wat Scherpenheuvel nodig had, was een lobbyist, iemand die in staat was kordaat en zonder schroom overal te bedelen voor grote sommen geld. Bovendien moest die persoon iemand zijn die met een duidelijke visie de groei van het bedevaartsoord in de hand zou kunnen houden. Een grondigere en meer permanente organisatie drong zich op.

Mathias Hovius, aartsbisschop van het Bisdom Mechelen, bracht de oplossing. Hovius meende zichzelf een katholiek hervormer en een strijder op het voorfront van de Contrareformatie. In het Concilie van Trente, dat in de tweede helft van de vorige eeuw had plaatsgevonden, vond hij zijn inspiratie. Hij nam de veranderingen die door het Concilie naar voor werden geschoven ter harte. Omwille van zijn goede samenwerking met de aartshertogen, en hun liefde voor Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel, zette Hovius ten volle zijn schouders onder de ontwikkeling van het nieuwe bedevaartsoord.
Nochtans geloofde hij niet zomaar klakkeloos in wonderbaarlijke genezingen en mirakels. Was hij het niet geweest die Philip Numan enkele jaren eerder naar de heuvel had gestuurd, om de getuigenissen te horen van de schepenen die het beeldje van Maria tranen van bloed hadden zien wenen? Zelfs de 49 andere gedocumenteerde genezingen konden Hovius niet ten volle overtuigen. Pas na de twee kroonmirakelen, waarbij zuster Catharina Serraets en Hans Clemens, die beiden kreupel geboren waren en na hun intense bedevaart naar Scherpenheuvel zichtbaar en volledig van hun lichamelijke gebrekkigheden genezen waren, aanvaardde hij dat deze plek door God was uitverkoren.
Hij deed in het jaar 1610 twee dingen die de toekomst van de heuvel in Brabant voorgoed zou vorm geven. Op 13 maart richtte hij de parochie Scherpenheuvel op. Daarbij maakte hij de definitieve breuk met de Zichemse parochie van pastoor Van Thienwinckel, die na 34 jaar zijn heuvel en het wonderbaarlijke Mariabeeldje met tegenzin overdroeg aan een andere priester. Hij mocht de laatste jaren dan misschien gewankeld hebben in zijn organisatorische bedrevenheid, en ja, de kerkrekeningen klopten niet altijd helemaal, maar Van Thienwinckel wist dat hij de geschiedenis zou ingaan als de herder die de allereerste bedevaart naar de scherpe heuvel had geleid. Hij was het uiteindelijk geweest die met zijn eigen handen het beeldje aan de eikenboom had bevestigd. Die erkenning kon Hovius hem nooit afpakken.
De tweede daad die aartsbisschop Hovius stelde was de aanstelling van de eerste parochiepriester van Scherpenheuvel. Hovius besefte dat hij iemand moest kiezen die van aanpakken wist, die recht door zee vaarde, maar vooral ook een man die hem zou kunnen en willen volgen in zijn visie als katholiek hervormer en vernieuwer. Zijn keuze viel op de zevenentwintigjarige Joost Boeckaert, geboren in Brugge en opgegroeid in Isegem. Boeckaert was ondanks zijn bescheiden afkomst een belezen man, die een degelijk lager onderwijs had genoten en humaniora had gelopen aan het college van de Jezuïeten in Isegem. Hij studeerde theologie in Leuven en kende Hovius van het seminarie. Ondanks hun grote leeftijdsverschil van 41 jaar zaten beide priesters op dezelfde golflengte.
Joost Boeckaert smeet zich van dag één met overgave op zijn taken, zowel de wereldlijke als de geestelijke. Hij smeekte en bedelde overal om geld, dwong leningen af waarvan hij wist dat ze nooit konden worden terugbetaald, wist de Staten-Generaal een aantal obligatiebrieven afhandig te maken, die hij later met de steun van aartshertog Albrecht en aartsbisschop Hovius probeerde te verzilveren. Maar slechts vier van de staten waren bereid te betalen. Bovendien geven ze Boeckaert ook maar de helft van het door hen verschuldigde bedrag. Zelfs onder dreiging van juridische druk bleef de betaling uit. De financiering van de kerk zou zeventien jaar lang de calvarie van Boeckaert blijven.
Op geestelijk vlak had de nieuwe pastoor van bij het begin een stevige greep op Scherpenheuvel, en wist hij een duidelijke lijn te trekken in hoe zowel zijn eigen parochie als het groeiende bedevaartsoord moest evolueren. Vanuit de richtlijnen van het Concilie van Trente wilde hij Scherpenheuvel vanuit drie grote pijlers vorm geven, iets waar Mathias Hovius hem ten volle in steunde. In eerste instantie was het belangrijk dat de pastoor leefde, woonde en werkte in zijn eigen parochie, iets wat zeker geen evidentie was in tijden voor het concilie. Priesters mochten meerdere ambten cumuleren en zodoende herder zijn van verschillende landelijke parochies en tegelijk in een grootstad wonen. Boeckaert vond dit onaanvaardbaar. Hij zou onder de mensen wonen, hetzelfde leven leiden, samen met hen zijn geloof belijden, en bovenal dag en nacht ter hunner beschikking staan. Bovendien voerde hij de wekelijkse predicatie in, en sprak hij de mensen toe over onderwerpen die hen aanbelangden. Hij deed dat niet in het Latijn, maar in de Vlaamse volkstaal, zij het ongetwijfeld met een zwaar West-Vlaams accent, wat het voor de lokale bevolking en de meeste bedevaarders misschien even onverstaanbaar maakte. Zijn preken waren bedoeld om de mensen dichter bij de eucharistieviering te betrekken. Het volk hield zich tijdens de mis, waarvan ze nauwelijks iets konden begrijpen, enkel bezig met het doen van hun devoren. Ze baden een rozenkrans of een rozenhoedje, of hielden zich in stilte bezig tot ze het belletje hoorden rinkelen voor de consecratie. Te communie gaan was enkel voorbehouden aan de clerus. Het volk was alleen visueel getuige van het lichaam en bloed van Christus.
De derde grote pijler die voor Boeckaert belangrijk was, was een degelijke vorming en gemeenschap van priesters. Hoe kon hij een bedevaartsoord van zulk een grootorde en internationale uitstraling uitbouwen zonder achter zich een organisatie te hebben van priesters die samen met hem de dagelijkse taken van zielzorg en herderschap op zich konden nemen. Het zou echter nog enkele jaren duren vooraleer hij een idee uitbroedde dat volledig aan die vereisten voldeed.

Naarmate de bouw van de kerk vorderde, bleef de groei van de stad Scherpenheuvel niet achterop. In mei 1614 besloot het stadsbestuur over te gaan tot een stedelijke grensafbakening en definitieve afscheiding van Zichem. Maar voor Zichem zou dit een behoorlijk verlies aan belastingsinkomsten betekenen. Bovendien merkten de burgemeester en schepenen van Zichem op dat Scherpenheuvel verplicht was een derde van de lasten en onkosten te blijven betalen. Zo was er bijvoorbeeld een garnizoen dat moest onderhouden worden, omdat het bescherming bood aan beide steden.
Maar de burgemeester van Scherpenheuvel, die geen vaste wedde had, maar zelf zijn rekening maakte en verloond diende te worden naar gepresteerd werk, schreef in een brief aan een collega: ‘Wat hebben wij met jullie gemeen?. Wij zijn van jullie wettelijk afgescheiden, zonder voorwaarde jullie in een derde deel te ontlasten. Wat uitstaans hebben wij met jullie schulden?’ Het geschil raakte pas dertien jaar later definitief opgelost. Nu ja, definitief. Zelfs anno 2011 is er nog wrevel tussen de inwoners van Zichem en Scherpenheuvel. De kans dat het ooit helemaal overwaait, is dus bijzonder klein.

Pastoor Boeckaert sprokkelde aalmoezen bij elkaar om de bouw aan de gang te houden. Ondanks zijn jeugdige leeftijd, merkte Boeckaert de gevolgen van zijn kopzorgen. Zijn gezondheid leed eronder. De onaflatende stress, een drukkend verantwoordelijkheidsgevoel en een natuurlijke aanleg tot piekeren ondermijnden zijn nachtrust. De enige manier waarop hij de zware druk het hoofd kon bieden was het opzetten van een betere organisatie.
In de winter van 1616 schreef hij een reglement met 120 bepalingen om het bedevaartsoord op efficiënte wijze te structureren. Alles wat ook maar van ver of dichtbij betrekking had op het dagelijkse verloop en de praktische beslommeringen van zijn kerkgemeenschap, zette hij in dat reglement. Inclusief de aanstelling van tweetalige zielzorgers, die alles in goede banen moesten helpen leiden, van de biecht, over het toedienen van de sacramenten, tot het onthaal en de huisvesting van de pelgrims. Aan de aartshertogen vroeg hij om een ordonnantie uit te vaardigen die de productie van heiligenbeeldjes en paternosters voor eens en altijd onder zijn toezicht moest plaatsen. Op die manier maakte hij definitief komaf met de wildgroei van namaakartikelen rond de kerk. Beeldjes en paternosters werden voortaan enkel nog gemaakt en verkocht door de kerkfabriek zelf. Andere religieuze voorwerpen, zoals medailles, bidprentjes en vaantjes zouden later de markt overspoelen.
Omdat het bedevaartsoord een gevarieerd samenraapsel van mensen aantrok, die allemaal naar Scherpenheuvel kwamen om te bidden, maar in de meeste gevallen ook om iets te offeren, gebeurde het steeds vaker dat er enkelingen rond de kerk hingen met minder edele bedoelingen. Diefstal en oplichterij was intussen schering en inslag op de Brabantse heuvel. Om dit soort van misdaad het hoofd te bieden, en de criminele elementen buiten te houden, besliste het stadsbestuur in 1620 om over te gaan tot de bouw van vestingen.

Nu er wat meer volk over straat loopt, en ik minder opval, wandel ik rond om een kijkje te nemen hoe het met die vestingen gesteld is. Scherpenheuvel bestaat uit niet veel meer dan enkele straten, waarvan ik weet hoe ze in mijn tijd heten, maar die hier ongetwijfeld een andere naam hebben. Ik merk meteen op dat zeven jaar na de start van de bouw, de vestingen van opgehoopte grond en zand, met daarop houten palissaden, nog niet overal klaar zijn. Ik probeer de huizen te tellen. Zowel de stenen als de lemen huizen. Er staan een paar gebouwen die ik herken uit mijn tijd. Stel je voor. Staan die hier dan echt al zo lang? Verder herken ik niets. Ik vind het vreemd om grote hoven, hooizolders en vee te zien in het midden van Scherpenheuvel. In sommige straten ruikt het naar koeienmest en lopen de kippen te kakelen op straat. In mijn tijd staat alles hier volgebouwd en lijken de straten twee keer zo smal. Hoeveel mensen zouden hier nu al wonen? Ik schat een vierhonderdtal. Misschien moet ik het eens aan iemand vragen. Zou ik naar het stadhuis durven gaan? Daar moeten ze dat toch weten. Ik wandel tot voor de deur van een klein gebouw op wat later het Isabellaplein zal worden. In 2012 staat op deze plaats een van de vele restaurants voor dagtoeristen. Ik durf de deur niet openduwen.

Het reglement hielp de slapeloze nachten van Boeckaert maar tijdelijk verlichten. Tot zijn grote spijt was zijn vriend Mathias Hovius plots overleden, en tot overmaat van ramp kwam hem ter ore dat ook de gezondheid van aartshertog Albrecht snel achteruit ging. Dat feit baarde hem verschrikkelijke zorgen.
Albrecht had nooit helemaal kunnen gedijen in het koude en vochtige klimaat van de Lage Landen. Veel liever was hij in het warme Spanje gebleven, waar hij geen last had van zijn gewrichten. Naarmate de jaren vorderden en Albrecht stilaan ouder werd, kreeg hij last van verschrikkelijke jichtaanvallen in zijn tenen, enkels en knieën. Aanvallen, die in onze tijd perfect behandelbaar zouden zijn, maar die Albrecht in 1621, hij was bijna 62 jaar oud, fataal werden.
Hij kwam in juni van dat jaar voor de laatste keer op bedevaart naar Scherpenheuvel. Zijn artsen raadden hem de tocht ten stelligste af, maar hij wist dat voor hem het einde nabij was, dus wuifde hij de waarschuwingen met onverschilligheid weg. Hij kon ook zijn geliefde Isabella overtuigen dat hij nog liever aan de voeten van ons Liefvrouwke stierf dan in zijn muffe slaapkamer van het Paleis op de Koudenberg in Brussel. Maar die genade was hem niet gegund. Na het bezoek aan de onafgewerkte kerk en een bewogen finale hulde aan Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel, keerde hij naar Brussel terug, waar hij op 13 juli zijn laatste adem uitblies, en Isabella een gebroken vrouw achterliet.
Boeckaert was in alle staten. Wat moest hij beginnen zonder de onvoorwaardelijke steun van de aartshertogen? Wat was Isabella van plan? Zou zij terugkeren naar Spanje en haar ooit zo geliefde Scherpenheuvel aan haar lot overlaten? Of zou zij verder regeren en haar droom tot een goed einde brengen? En hoe moest het verder met de Zuidelijke Nederlanden, nu het Twaalfjarige Bestand was beëindigd en de vijandigheden opnieuw in alle hevigheid losbarstten? Moesten de zuidelijke provinciën terug onder de bevoegdheid van Spanje, nu de aartshertogen er niet in geslaagd waren een erfgenaam te produceren?

Wat de persoonlijke keuzes van Isabella ook waren, pastoor Boeckaert kreeg tot zijn opluchting al snel in de gaten dat de aartshertogin haar nood en steun aan het inmiddels grootste bedevaartsoord van de Zuidelijke Nederlanden nooit zou opgeven. De kerk was nog steeds niet voltooid, en het werk verliep moeizaam. Maar nog moeilijker was de druk van de steeds groter wordende stroom pelgrims, die het Mariaoord aandeden in de hoop verhoord te worden. Eén pastoor en drie onderpastoors konden onmogelijk de nood lenigen van zoveel duizenden mensen tegelijk. Het plan waarop Boeckaert al enkele jaren broedde, begon stilaan vaste vorm aan te nemen in zijn hoofd. Vraag was of Jacobus Boonen, de nieuwe aartsbisschop van Mechelen, hem zou willen steunen in zijn opzet. Boeckaert, die zijn tanden intussen al zeer diep in Scherpenheuvel had gezet, zou zich zeker nu niet van zijn pad laten afleiden.
In Italië was er een soort van gemeenschap van seculiere priesters ontstaan, waarin Boeckaert heil zag voor Scherpenheuvel. Een losse samenlevingsvorm van mannen die zich wijdden aan het godsdienstige leven, zonder zelf religieuze geloften af te leggen. Ze noemden zichzelf Oratorianen.
Boeckaert zag in de oprichting van zo’n gemeenschap in Scherpenheuvel de lang gezochte manier om het tekort aan mankracht op te lossen. Hij ging met zijn idee naar Isabella, die in 1624 toestemming gaf om een Oratorium toe te laten in het bedevaartsoord. Op 13 maart mocht Boeckaert, tot zijn grote opluchting en fierheid, in het aartsbisschoppelijke paleis de oprichtingsbrief ondertekenen.
Meteen werd van start gegaan met de bouw van het Oratorium, in de diepte achter de kerk. Er werd een sober vierkant gebouw opgetrokken. Een grote tuin, waar groenten en vis werden gekweekt, omsloot het symmetrische Oratorium. In de linkervleugel bouwden men de vertrekken van de Oratorianen, en in de rechtervleugel de vertrekken van de aartshertogin. Tot een van deze kamers zal ik straks worden toegelaten, om in audiëntie met haar een kort gesprek te voeren.
Toen de eerste Oratorianen hun intrek namen in hun nieuwe klooster, niet lang voor de voltooiing van de kerk, droeg aartsbisschop Boonen het bestuur van de parochie aan hen over. Boeckaert, die dus in theorie geen parochiepriester meer was, hield toch de leiding van het bedevaartsoord stevig in handen, zij het voortaan als proost van het Oratorium.

Naarmate de vervollediging van het heiligdom naderde, steeg ook de spanning in de straten van Scherpenheuvel. Zou er een groot feest worden georganiseerd om de kerk in te huldigen? Bleef er nog wel een rijksdaalder over om een praalviering te bekostigen?
Terwijl ik door de straten van mijn stad wandel en mij tussen de groeiende menigte wurm om aan een kraampje een stuk vers gebakken brood te kopen en mijn grootste honger te stillen, voel ik de opwinding die zich van de mensen heeft meester gemaakt. De toestroom van pelgrims is intussen zo groot, dat het stilaan zwart ziet van het volk. Als ik mij nu niet onmiddellijk in de richting van de kerk begeef, kom ik ongetwijfeld vast te zitten in de menigte, en zal ik geen getuige zijn van de aankomst van de Infante Isabella en haar gevolg. Gelukkig ben ik bij de weinigen die worden toegelaten tot de besloten hof. Ik zal over enkele ogenblikken door de ingang wandelen, en voor het eerst een blik werpen op het interieur van de kerk van Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel op de dag van haar inhuldiging, op het houten beeldje van Maria dat ik vijftig jaar geleden aan de eikenboom zag hangen, en op de zo bezielde pastoor Boeckaert, die met vaste stem en de krop in de keel voor het eerst de hoogmis zal vieren, om zijn kerk en haar hoogaltaar in te wijden.



Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (7)

*De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

0 reacties:

Een reactie plaatsen