zondag 22 januari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (7)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Isabella - 6 juni 1627
Deel 2

Wanneer ik straks aan het einde van deze dag kom, zal blijken dat mijn voorbereiding onvoldoende was. Maar nu betreed ik nog vol zelfvertrouwen de Hortus Conclusus van de gloednieuwe Onze-Lieve-Vrouwekerk van Scherpenheuvel. Ik ben mij niet bewust van de diepe emotionele sporen die de volgende uren in mij zullen achterlaten. Alle boeken die ik gelezen heb, alle mensen met wie ik heb gepraat, alle verhalen die ik ken, niets heeft mij genoeg voorbereid op wat mij te wachten staat. De diepste impressie zal de Infante Isabella zelf op mij maken, maar zij laat voorlopig nog op zich wachten.

Ik wandel over het pad van aangestampte aarde, de enige invalsweg die naar de kerk leidt. Slechts zeventig meter scheiden mij van de ingang van deze gloednieuwe, blanke tempel, die enkel aan de flanken deels bruin gekleurd is door enkele muren van ijzerzandsteen. Rondom mij is de besloten hof aangelegd in een zevenpuntige stervorm. Lage struiken en bloemen vormen de boorden van de ster, die verder afgerand is met jonge olmen. Tot mijn verbazing staat daarachter een rij lage acacia’s, bomen die ik hier helemaal niet had verwacht. De grond binnen de ster zelf is bestemd als kerkhof. Hier zullen de vrome burgers van Scherpenheuvel hun finale rustplaats vinden in de volgende eeuwen. Voorlopig zijn er nog maar enkele tientallen graven. Nieuwe stenen kruisen staan in groepjes bij elkaar. Als ik tijd had, zou ik mij de moeite getroosten om de namen te lezen die erop gegraveerd staan. Wie waren de eerste inwoners die hier begraven lagen?

Ik nader het heiligdom, omringd door honderden pelgrims en inwoners, die gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn door hun kleding en graad van vervuiling. De pelgrims steunen op elkaar, helpen de zieken en kreupelen vooruit en hebben offergaven en ransels bij. Ze bejubelen al zingend de glorie van de Heilige Maagd. De inwoners zijn uitgedost in hun mooiste kleren, proper en naar eigen vermogen. Tussen de mensen door slalommen handelaars en kinderen, die allerlei prullaria aan de man proberen te brengen. Ze schieten van links naar rechts. Rond mij hangt een kakofonie van geroezemoes en liederen, die plots tot volledige verstomming komt wanneer hoog in de toren, achter de koepelkerk, een klok begint te luiden. De zware klank rolt over de menigte heen als een donderslag over de woelige zee. Eén enkele klok is genoeg om Scherpenheuvel tot stilstand te brengen. In mijn herinnering ga ik terug naar het bezoek dat ik bracht aan de toren, meer dan 380 jaar in de toekomst. De bovenste verdieping is in mijn tijd gevuld met een veelvoud aan klokken, waaronder ook een uitgebreide beiaard. Maar hier, in 1627, hangt er slecht één enkele klok, die door de onvervuilde 17e-eeuwse lucht snijdt als een mes door zachte boter.
Ik bekijk de voorgevel van het monumentale poortgebouw. Er staat geen portaal voor, zoals veel historici beweren. Ongetwijfeld werd dat er pas later bijgebouwd. Ooit zal het er komen, want het wordt in de jaren 80 vernield door een auto die aan hoge snelheid de kerk binnenrijdt. Toch zijn er opmerkelijke verschillen met de gevel die ik ken. De ijzeren omheining rond de kerk, met de stekels, staat er niet voor. Hier zijn de mensen nog devoot en bang genoeg om geen schade aan het gebouw toe te brengen. Er bestaan ook nog lang geen fietsen om nonchalant tegen de gevel te parkeren. Ook de ingangsdeur verschilt met die in 2012. Ze is smaller. Enkel zo breed als de boog bovenaan, en de zuilen staan niet vrij, maar zijn ingebouwd. Er hangt een tweeledige, zware, houten deur in, die nu wagenwijd open staat.
Verder herken ik de voorgevel helemaal. Alles is exact zoals het in mijn geheugen gegrift staat. In de nis links staat de aartsengel Michaël, met het vlammende zwaard in de hand waarmee hij Adam en Eva uit het paradijs verdreven heeft, en rechts de aartsengel Gabriël, met de lelierank die hij vasthield toen hij Maria de blijde boodschap bracht. Beide het werk van beeldhouwer Robrecht de Nole, net zoals de beelden binnen in de kerk. Boven de deur prijkt een zin uit het Magnificat, de lofzang voor Maria, uit het evangelie van Lucas: Beatam me dicent omnes generationes. Alle geslachten zullen mij zalig prijzen. Ook hier staat het Bijbelcitaat in gouden letters geschilderd op een rode achtergrond, zoals dat nog steeds in de 21e eeuw het geval is.
Elke versiering hangt of staat fier en nieuw op het stenen poortgebouw te pronken. En helemaal bovenaan, alsof ze waakt over de ingang van de hemel, staat een gekroond stenen beeld van de Heilige Moeder zelf, met Christus op Haar linkerarm, en in Haar rechterhand een gouden scepter, als ware het een zwaard.

Wanneer ik mijn blik nog hoger richt, zie ik de monumentale koepel. Niet bezet met lood, zoals we hem kennen, maar helemaal in witte zandsteen en bezaaid met koperen, zevenpuntige sterren. Zouden het er hier ook al 298 zijn? Het aanschijn van de blanke koepel geeft de kerk een maagdelijk uitzicht. De vrouwelijke rondingen komen hier helemaal tot uiting. Alsof de steen van de koepel het melkwitte vlees van de Moeder Gods is, en de stenen lantaarn, de zevenhoekige bekroning met haar eigen kleine koepel, Haar erecte tepel die naar de hemel smacht. Daar bovenop, hoog in de lucht, staat een koperen kruis. Niet helemaal recht, wat mij doet vermoeden dat het er in allerijl, en op het laatste moment, nog snel is opgezet. Dat kruis zal eeuwenlang scheef blijven staan. Net scheef genoeg om zichtbaar te zijn van op straat. Achter de koepel zie ik ook een klein stukje van de toren, die dapper de koepelkerk langs achter beschermt.

Wat zal ik doen? Buiten wachten tot de Infante en haar gevolg aankomen bij de kerk? Of nu al naar binnen gaan om alles te bekijken? Ik voel de nieuwsgierigheid branden in mijn lijf. Ik besluit om in de buurt van het hoogaltaar een plek te zoeken van waar ik de hele eucharistieviering kan volgen. Een wijze beslissing, zo blijkt achteraf, want de kerk is overladen vol.
Ik betreed het poortgebouw, en het allereerste dat me opvalt, is de rode plaveien vloer, die doorloopt tot in de centrale rotonde van de kerk. Nergens een spoor van de zwart-witte marmeren tegels. Kleitegels zijn nog steeds in de mode in de 17de eeuw, las ik ergens, maar toch verbaast het me ze te zien op deze heilige plaats. Misschien was het geld echt op toen ze eindelijk aan de afwerking toe waren.
Net zoals in mijn tijd waken de vier evangelisten over de ingang van de kerk. De witte marmeren beelden zijn in nissen geplaatst waarvan de achtergrond helemaal zwart geverfd is. Omwille van het contrast van licht en donker lijkt het wel alsof de beelden gloeien. Waarom werden die nissen later wit geverfd?
Nu voel ik mij opnieuw verscheurd. Ga ik rechtstreeks de centrale ruimte binnen, of duik ik eerst de zijkapellen in? Omdat er al veel volk is, kies ik voor de eerste optie. Ik begeef mij langs de rechtse muur tot aan de grote deuropening die het poortgebouw van de centrale rotonde scheidt. Ik glip de ruimte binnen en stel me op, rechts van de deur, met mijn rug tegen de muur. Dat lukt gemakkelijk, want de grote, ijzeren traliedeur hangt er nog niet. Die zal pas over vier jaar klaar zijn.
Ik doe even mij ogen dicht, haal diep adem en wanneer ik mijn ogen terug open, ben ik klaar om alles in mij op te nemen. Er is meer licht in de ruimte dan ik had verwacht. Ik kijk omhoog en zie voor het eerst de koepel langs de binnenkant. Hij is ook eenvoudig wit gekalkt, net als alle muren. Er is nergens een spoor van een andere kleur. Onbevlekt en puur. Op de koepel zijn nog geen sterren geschilderd. Ook die zullen pas later worden toegevoegd. Ik kijk naar het hoogste en centrale punt, de lantaarn, die er op het laatste nippertje, dankzij een gulle gift van Filips IV, de huidige koning van Spanje, nog bovenop werd gezet. Om die reden hangt daar, tot de dag van vandaag, zijn wapenschild, symbool van de strijdende kerk. Langs de openingen in de lantaarn valt er daglicht in de koepel. Maar het meeste licht komt van de grote ramen. Geen glasramen zoals vandaag de dag, maar simpele, witte ramen, zonder versieringen en verguld kader. Ik zie de blauwe lentehemel, die als perfecte achtergrond dient.
De zwarte, marmeren afscheidingen tussen de centrale ruimte en de zijkapellen staan er al, maar het hekwerk ontbreekt nog. De muren zijn gewoon wit. Er zijn geen vergulde schilderingen en geen enkele lambrisering, en ook hier is de vloer betegeld met rode plaveien, wat voor een enorm visueel contrast zorgt. Er staan noch preekstoel noch gewone stoelen. Alle mensen staan recht of lopen rond, in de mate van het mogelijke. Enkel de kreupelen en zwaar zieken zitten of liggen op de grond, meestal ergens tegen een muur. In hoge, zwarte nissen links en rechts van de ruimte kijken de beelden van zes profeten ernstig neer op de pelgrims en gelovigen. Zonder alle versieringen aan de muren valt het me duidelijk op dat deze ruimte niet rond is, maar zevenhoekig, net zoals de rest van het gebouw, de Hortus Conclusus hierbuiten en het grondplan van de hele stad.
De lucht is zwanger van oliedampen en de geur van kaarsen, die overal staan te branden. De mensen hebben ze meegebracht, en zetten ze willekeurig neer. Daar moeten ongelukken van komen, denk ik bijna luidop, wanneer ik een meisje van een jaar of vijf rakelings langs een rij kaarsen zie passeren, die omvallen en ei zo na de broekspijp van een zieke man in brand steken. Hier zal pastoor Boeckaert binnenkort ongetwijfeld paal en perk aan stellen.
De kaarsen creëren dansende schaduwen op de muren, en zorgen voor een ingetogen sfeer. De enige overige lichtbron is de Godslamp, een olielamp die aan een lang touw hangt boven de centrale ruimte, en die twintig jaar geleden door de aartshertogen aan de stenen kapel werd gedoneerd.

Nu is het tijd om mijn blik te richten op het hoofdaltaar dat straks zal ingewijd worden door aartsbisschop Jacobus Boonen. Monumentaal en majestueus in dit eenvoudige interieur prijkt de grote marmeren constructie aan de andere kant van de rotonde. Het altaar zelf heeft nog zijn oorspronkelijke afmetingen, en het stenen tafel, die in mijn tijd als altaar dient, staat op een andere plaats, rechts, aan de epistelkant van de kerk, onder het grote beeld van koning David, omdat daar de offergaven zullen worden opgezet. Een zwarte, marmeren omheining omsluit het altaar en drie grote treden leiden naar boven. Boven het altaar prijken zes grote zilveren kandelaars, met in het midden een eenvoudig tabernakel, en dus niet het grote, zilveren tabernakel dat ik ken. De kandelaars waren een geschenk van de stad Antwerpen, die aan het einde van de vorige eeuw grotendeels gespaard bleef van de pest, een wonder dat werd toegeschreven aan ons Liefvrouwke van de eikenboom.
Links en rechts boven het altaar, zeker acht meter boven de begane grond, gedragen door twee hoge zuilen in rood marmer, bevindt zich de stenen bekroning met de centrale nis. Het zal nog een jaar duren vooraleer het meesterwerk van schilder Theodoor Van Loon, De Tenhemelopneming van Maria, tussen de zuilen kan prijken. Ook in de zijkapellen ontbreken de schilderijen nog. De stenen boom, die in mijn tijd symbool staat voor de eik, is hier nog niet aanwezig. En er staan ook geen standbeelden bovenop de bekroning.
Wat er wel staat in het genadebeeld. Niet naakt, zoals ik haar aan de boom zag hangen op een ijskoude decemberochtend in 1587, maar aangekleed met een rijkelijk geborduurde mantel, gemaakt door aartshertogin Isabella, en geschonken tijdens een bezoek in 1603. Het beeldje, zo weet ik, is op een sokkel geplaatst, om het groter te doen lijken, en past precies in de hoge nis. Onder de nis staat het citaat uit het Oude Testament: Ego diligentes me diligo. Ik heb lief die Mij liefhebben. Terwijl ik naar het beeldje kijk, voel ik mij plots verschrikkelijk eenzaam. Hier hangt het nu, mijlenver van mij verwijderd, zo lijkt het, terwijl ik het de vorige keer bijna kon aanraken.
Toch heb ik ooit mijn hand gelegd op de plek waar het beeldje staat, hier in 1627. In de 21e eeuw gaf de archivaris van de kerk, een jongeman met een diepe passie voor dit gebouw en zijn geschiedenis, mij een rondleiding in alle delen die niet publiek toegankelijk zijn. Ik besteeg toen de trap die zich achter het hoogaltaar bevindt, en langs waar het genadebeeld uit de nis werd getild, telkens het tijdens processies of andere gelegenheden naar beneden moest worden gedragen. Ik zag toen in de nis het vergulde beeld van een pelikaan staan, die zichzelf in de borst bijt, het christelijke symbool voor de opofferingsgezindheid van Christus.

Commotie achter mij trekt mijn aandacht. Meteen weet ik dat het zover is. De Infante Isabella en haar gevolg zijn in aantocht. Als de bliksem kom ik in beweging. Ik moet mij haasten of ik geraak nooit meer tot bij het hoofdaltaar. Met veel moeite wurm ik mij door de menigte. Terwijl ik traag vooruitkom, maak ik de bedenking dat ik een stuk groter ben dan zelfs de mannen rondom mij. Ik zak automatisch wat door de knieën om minder op te vallen. Ik stel mij op aan de evangeliekant van het altaar, in de buurt van de profeet Mozes. Dichterbij kan ik niet geraken. Nu komt mijn lengte me goed uit, want ik kan over de hoofden heen kijken. Vóór het altaar wordt de menigte door enkele Oratorianen achteruit gedwongen. Hier zal Isabella staan om de mis te volgen.
Dan is het plots zover. Er valt een eerbiedige stilte in de hele kerk en de mensen tussen de deur en het hoogaltaar nemen spontaan enkele stappen achteruit. Sommigen knielen, anderen buigen het hoofd, terwijl ze allemaal proberen een glimp op te vangen van hun landvoogdes en voormalige vorstin.
Haar ogen zijn van bij het binnenkomen gericht op het genadebeeld van Onze-Lieve-Vrouw. Geen seconde wendt zij haar blik af. Dit is niet de bevallige Isabella van de schilderijen van Rubens en Breughel, getooid in een brokaten gewaard, geborduurd met zilver- en gouddraad. Hier schrijdt een vrouw van eenenzestig, kinderloos, gebukt onder het pijnlijke verlies van haar gemaal, met wie zij vandaag triomfantelijk deze tempel had willen betreden. Zij is gekleed in de habijt van claris, die zij sinds haar intrede in de derde orde van Sint-Fransicus niet meer heeft afgelegd. Een bruin-grijs, ruw wollen kleed, met een geknoopte gordel om haar middel. Over haar hoofd draagt zij een lange, bruine sluier. Haar voeten kan ik niet zien, maar ik vermoed dat ze dunne, open sandalen draagt. Misschien is ze zelfs op blote voeten.
Schuin links achter haar loopt veldheer Ambrogio Spinola, in praalkledij en kanten molensteenkraag. Rond zijn hals draagt hij de ketting van de Orde van het Gulden Vlies. Het contrast met de soberheid van de Infante is lachwekkend en schrijnend tegelijk. Rechts achter Isabella loopt een dwerg, sober in het zwart gekleed, ongetwijfeld een lid van haar hofhouding.
Achter hen doen de priesters hun intrede in de kerk, gevolgd door de hele hofhouding van de Infante en de notabelen van Scherpenheuvel. Op kop loopt Jabocus Boonen, aartsbisschop van Mechelen, die zo meteen de eucharistie zal vieren en het hoofdaltaar zal zalven en zegenen. Hij is een corpulente, kleine man, die rood aangelopen is en zwaar ademt. Enkele passen achter hem - ik herken hem van de ene waarheidsgetrouwe schilderij die van hem bestaat van de hand van Theodoor Van Loon - loopt een ingetogen Joost Boeckaert, pastoor van deze monumentale kerk. Een magere, kalende man, met een dun gezicht, dat duidelijke sporen vertoont van jarenlange stress en slapeloze nachten. Hij is intussen vierenveertig jaar. Maar ook al heeft hij veel geleden om deze kerk te zien verrijzen, dit is vooral zijn dag. De dag waarop zijn droom, de droom voor zijn parochie en zijn bedevaartsoord werkelijkheid wordt. Zijn Oratorianen, waarvoor hij zo gepleit heeft, lopen fier achter hem, samen met de onderpastoors die zich zo meteen naar de zijaltaren zullen begeven, om daar elk hun eigen stille mis te vieren.
Terwijl iedereen zijn plaats inneemt bij en voor het altaar, heb ik enkel nog oog voor Isabella. Nog steeds kijkt zij onafgebroken naar het genadebeeld, metershoog boven haar. Zo maakt zij zich klaar voor de eucharistie en de inzegening van deze kerk, die haar visie was, en haar wapen tegen de protestantse reformatie. Ik zie geen strijdvaardige Isabella. Ik zie een treurende weduwe die troost zoekt op die ene plek die haar het meest vertrouwd is boven alle anderen: haar geloof.
Ze was het tweede kind van koning Filips II van Spanje en zijn eerste dochter. Haar moeder, Elisabeth van Valois, was Filips derde vrouw. Elisabeth was nog maar 14 jaar toen zij aan de koning van Spanje uitgehuwelijkt werd. Hij was 32. Het duurde bijna zeven jaar voor ze, na ontelbare miskramen vroeg in de draagtijd, eindelijk zwanger was van een levensvatbare vrucht. Dat Filips zich niet van haar ontdaan had, kon alleen maar toegeschreven worden aan het feit dat zij een sprankelende persoonlijkheid had en hij zielsveel van haar hield. Zij vormde zijn tegenpool in een leven van droefgeestigheid en duistere gedachten, waarvoor Filips zo bekend stond.
Toen Isabella ter wereld kwam, was haar vader aanwezig in de slaapkamer van haar moeder. Dit was hoogst uitzonderlijk, maar de koning wilde zich ervan vergewissen dat er tijdens de bevalling niets misliep. Hij had zijn eerste vrouw op die manier verloren, het zou hem met de derde niet overkomen. Ook wachtte hij angstvallig op een tweede kind van het mannelijke geslacht. Zijn eerste zoon, Carlos, leidde aan wanen en woedeaanvallen, en zou nooit op de Spaanse troon kunnen zitten. Groot was Filips’ teleurstelling toen Elisabeth het leven schonk aan een dochter.

Voor het eerst in mijn leven zal ik een Tridentijnse eucharistieviering bijwonen. De mis wordt in mijn tijd natuurlijk al lang niet meer in het Latijn gevierd, dus spitste ik de oren om te horen of ik de verschillende elementen herken. Het begint al slecht, want nog voor het eerste woord gesproken wordt, zie ik hoe alle aanwezige priesters tussen de menigte schrijden, om iedereen gul met wijwater te besprenkelen ter herinnering aan hun doopsel. Dit is zeker niet hoe de mis anno 2012 begint, zoveel is zeker.
De dochter van de Spaanse koning kreeg bij haar doopsel de naam Isabella Clara Eugenia, naar haar vrome overgrootmoeder Isabella van Castilië, de heilige Clara, patroonheilige op de dag van haar geboorte, en de heilige Eugenia, bij wie haar moeder was gaan bidden in de hoop eindelijk zwanger te worden. Al snel bleek dat het meisje een levenslustig kind was. Ze stapte fier door de kamer toen ze nog maar tien maanden oud was, en was het vermaak van haar vader toen ze op haar eerste verjaardag demonstreerde hoe ze een Weesgegroetje kon bidden, gezeten op haar blote knietjes, terwijl ze stiekem naar haar vader gluurde, om zeker te zijn dat hij wel naar haar keek. Ook haar zus Catharina, die iets meer dan een jaar jonger was, was een gezond en blijmoedig meisje. Maar het was vooral de roodharige, slimme, fonkelende Isabella die de oogappel was van haar vader.
Toen ze twee jaar was, stierf haar moeder ten gevolge van een zware bloeding na een miskraam, en Filips hechtte zich nog meer dan tevoren aan zijn dochter.

Tot mijn verbazing is het pastoor Boeckaert die aan het hoofdaltaar staat om de begroeting te doen. Ik had mij altijd voorgesteld dat deze eucharistieviering door aartsbisschop Boonen werd voorgegaan, maar al snel zal blijken dat Boonen enkel de zegeningen doet. Na de schuldbelijdenis, waar ik vooral de mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa in herken, en het Kyrie Eleison, dat ook door een paar mensen in de menigte met schrille stem wordt meegezongen, komt Boeckaert eindelijk toe aan het openingsgebed.
‘In nomine Patris, et Filii, et Spiritus Sancti,’ exclameert hij luid.
‘Amen,’ klinkt het door de hele kerk, en iedereen slaat tegelijk een kruis.
Dit is zowat het hoogtepunt van de betrokkenheid van de verzamelde notabelen, pelgrims en gelovigen in de kerk. Pastoor Boeckaert staat voor de rest van de viering met zijn rug naar het volk en prevelt de Latijnse woorden nauwelijks hoorbaar, tenzij voor zij die dicht bij het altaar staan.
Ik kijk naar de Infante. Haar ogen zijn nog steeds ten hemel gericht, gefixeerd op het genadebeeld hoog boven haar hoofd.
Als kind leerde ze op zeer jonge leeftijd paardrijden, en maakte ze al lange ritten met haar vader. Hij leerde haar jagen, nam haar overal waar hij kon mee naartoe. Hij stond haar zelfs als tiener al toe om aanwezig te zijn tijdens onderhandelingen en politieke besprekingen. Hij behandelde haar als de zoon die Carlos nooit geweest was.
Twee jaar na de dood van Elisabeth trouwde Filips met Anna van Oostenrijk, de dochter van keizer Maximiliaan II. Hun eerste drie kinderen werden geen van allemaal ouder dan zeven jaar, en het was hun vierde kind, Filips, die uiteindelijk troonopvolger zou worden. Ook hun vijfde kind stierf toen het drie jaar oud was.
Zelfs op jonge leeftijd bleek al gauw dat Isabella de meest begeerde bruid was van het hele christendom. Maar haar vader werd met de dag meer onzeker over haar bestemming. Levenslustig als ze was, hield hij haar maar al te graag aan zijn zijde, om hem gezelschap te houden, op te vrolijken en later in zijn leven ook raad te geven.
Isabella hield van haar vader en voerde urenlange gesprekken met hem. Hij verwende haar op schandalige wijze. Zij was niet alleen verzot op honden en aapjes, maar ook op dwergen, die Filips tot in de verste uithoeken van zijn rijk ging zoeken en naar Spanje bracht, om zijn dochter gezelschap te houden. Zij hield vooral van lelijke, misvormde dwergen, zowel mannen als vrouwen, die zij aankleedde als poppen en die haar vergezelden gedurende haar hele verdere leven, tot zelfs hier in de kerk van Scherpenheuvel.

Er worden weer liederen gezongen en gebeden gepreveld, en eigenlijk heb ik al lang geen aandacht meer voor wat er aan het altaar gebeurt. Ik kijk naar de mensen rondom mij, maar vooral naar de Infante, die nu geknield zit, ogen gesloten, in diep gebed, een paternoster tussen haar stijve vingers. De dwerg aan haar zijde lijkt wel een kind. Zij imiteert Isabella tot in elk detail. Haar hoofd op dezelfde manier gebogen, zelfs haar devote gelaatsuitdrukking is een perfecte afspiegeling. Ik onderdruk een nerveuze lach. Wat een rare situatie.
Plots weerklinkt het geluid van een bel door de hele kerk. Iedereen wordt stil en kijkt naar het hoogaltaar. De Consecratie is het moment waarop het brood en de wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus. Niemand in de kerk zal uiteindelijk te communie gaan, behalve de priesters. De rest van de aanwezigen zijn daar enkel met hun ogen getuige van. Zelfs Isabella.
Haar huwelijk werd in november 1598 in Valencia met de handschoen ingezegend door paus Clemens VIII. Haar echtgenoot, Albrecht van Oostenrijk, was niet bij de viering aanwezig. Hij kwam pas vijf maanden later vanuit Ferrara aan. Na de officiële bevestiging van het huwelijk op 18 april 1599, duurde de feestelijkheden tot begin juni. Isabella was op 32-jarige leeftijd meer dan klaar voor het huwelijk. Ze kon niet wachten om in Brussel aan te komen om samen met haar man als vorsten te regeren over de Nederlanden, en haar taken aan te vatten van echtgenote en moeder. Haar geliefde zuster, Catharina, had tien kinderen gebaard waarvan er negen tot volwassenheid zouden opgroeien. Niets wees erop dat Isabella de vreugde van het moederschap zou ontzegd worden. Dolgraag had ze haar zuster geraadpleegd over het geheim van haar vruchtbaarheid, maar Catharina was twee jaar eerder samen met haar tiende kind in het kraambed gestorven. Een zeer droevige tijd voor Isabella, die een jaar eerder ook haar vader had verloren.

Terwijl ik mij stilaan begin af te vragen hoe lang de mis nog gaat duren, kom ik plots tot het besef dat aartsbisschop Boonen intussen begonnen is met de inzegening. De bisschop doet voor mijn ogen, en de ogen van alle aanwezigen, aan het hoogaltaar wat aan Christus gedaan werd na zijn dood: het altaar wordt symbolisch gewassen, gebalsemd en bewierookt. Ik zie hoe Isabella elke beweging gadeslaat, elk woord naprevelt, elke handeling in zich opneemt. De hele ritus vol symboliek is erop gericht dit reusachtige stenen gebouw te maken tot het huis des Heren. Niet enkel stenen en glas, maar een heiligdom voor de Moeder Gods.
Zou Isabella denken aan het moment van haar eigen dood, wanneer dit ritueel van zalving ook aan haar zal te beurt vallen? Smacht zij naar het ogenblik waarop zij herenigd wordt met haar Albrecht in het hiernamaals? Of wil zij liever nog zoveel mogelijk tijd doorbrengen op aarde, in de devote overgave waarvoor zij de laatste jaren gekozen heeft?

Het gaat niet zo lang meer duren voor ik haar al die vragen persoonlijk mag stellen.



Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (8)

*De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

0 reacties:

Een reactie plaatsen