woensdag 1 februari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (8)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Isabella - 6 juni 1627

Deel 3 - Het interview

Na de inzegening van het hoogaltaar, en het uitspreken van het slotgebed, ontstaat er opeens commotie onder de leden van de hofhouding van Isabella. Ik ga op de tippen van mijn tenen staan en zie hoe Ambrogio Spinola, die omwille van zijn kleurrijke kledij duidelijk zichtbaar is in de grijze en bruine massa, een pakket overhandigt aan de Infante. Het is gehuld in een dieprood satijnen doek.
Isabella neemt het pak zonder aarzelen in ontvangst. Omdat ik de verhalen ken, weet ik meteen wat erin zit. De dwerg, die tot het laatste ogenblik van de viering op haar knieën is blijven zitten, springt verrassend kwiek recht en ondersteunt het pak met beide handen. Nu kan de Infante het satijnen doek openvouwen. Van zodra de inhoud zichtbaar wordt, gaat er een oooooh door de menigte. Iedereen fluistert uitbundig en stoot mekaar aan. Van waar ik sta, kan ik pastoor Boeckaert enkel in profiel zien. Ook hij heeft zijn ogen strak op de Infante gericht. Er verschijnt nu zelfs een voorzichtige glimlach op zijn lippen.
De juwelen schitteren in het licht van de Godslamp en de kaarsen. Ringen bezet met diamanten en robijnen, decoratieve kettingen vol wilde parels en rozetten van almandiet, enkele indrukwekkende hangers in de vorm van een kruis, broches, haarpinnen en een grote tiara, die ik herken van een van haar staatsieportretten. Isabella heeft jaren geleden, naast de geloftes van zuiverheid en gehoorzaamheid, ook een gelofte van armoede afgelegd. Het is dan ook de claris, en niet de aartshertogin, die met vaste hand de kostbare sierraden op de grond voor het altaar gooit, met een deugddoende opluchting die zelfs van meters ver zichtbaar is. Voor het eerst toont haar gelaat een teken van emotie. Ze zet drie stappen achteruit en kijkt op naar ons Liefvrouwke. Een enkele traan rolt over haar wang.

Ik doe er meer dan een half uur over om de kerk te verlaten. Niet alleen omwille van de menigte, maar ook omdat ik nog een laatste keer mijn ogen de kost wil geven. Mijn volgende bezoek is pas gepland over 138 jaar, in de zomer van 1765, dus ik prent alles nog eens goed in mijn geheugen. De zijkapellen stralen van eenvoud. Witte muren, kleurloos glas in de ramen, geen lambrisering, weinig licht, eenvoudige biechtstoelen en simpele altaren, die pas morgen zullen worden ingewijd. In elk van deze altaren, net zoals in het hoogaltaar, werden relikwieën ingemetseld. Morgen zal aartsbisschop Boonen ze zalven en zegenen.
Wanneer ik terug in het portaalgebouw sta, draai ik mij voor de laatste keer om. Het genadebeeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel kijkt neer over de kerk, die nu niet langer enkel uit stenen en glas bestaat, maar een haardstede is geworden voor al wie zoekt naar troost en genade. Bemiddelt de Heilige Moeder, voor wie dit beeld symbool staat, echt met God? Zijn de mirakelen en genezingen die hier gebeuren wel authentieke wonderen? Of zijn zij enkel de manifestaties van de diepe hoop op beterschap waar de zieken hier om smeken aan haar voeten? Ik kijk om mij heen. Hier zie ik enkel mensen die geen vragen stellen rond de authenticiteit van de mirakelen. Maar ik kan mij niet voorstellen dat iedereen ze zomaar klakkeloos voor waarheid aanneemt. Zelfs hier moeten er sceptici zijn. Het zal nog zeker vijftig jaar duren vooraleer de Ethica van Spinosa gepubliceerd wordt. De Nederlandse filosoof en rationalist zal de eerste zijn die openlijk wonderen ter discussie stelt. Een niet ongevaarlijke zienswijze, gezien de gemoederen van zijn tijd. Hier in Scherpenheuvel, het bolwerk van de contrareformatie, haalt voorlopig niemand het zich in het hoofd om de echtheid van wat hier gebeurt ter discussie te stellen. Zou ik het aandurven de Infante hierover naar haar mening te polsen?

Wanneer ik de kerk verlaat, spreekt een van de Oratorianen mij plots aan. Ik schrik even, en schaam me omdat hij het gemerkt heeft. Hij glimlacht. Hij kan niet veel ouder zijn dan twintig jaar.
‘Ge wordt over een half uur in de Oratorie verwacht,’ zegt hij nauwelijks hoorbaar. Ik herken meteen zijn tongval. Zichem misschien. Averbode ten verste.
‘Werkte gij hier al lang?’ kan ik niet anders dan vragen in mijn Scherpenheuvels dialect.
Hij antwoordt niet en wandelt in de richting van het kerkhuisje, waar religieuze voorwerpen en gedenktekens worden verkocht. Hij kijkt niet om.
Ik haal mijn schouders op en laat de middagzon op mijn gezicht schijnen. Zonder de hoge bomen in de besloten hof hangt hier een enorm gevoel van ruimte. Ik kan de taveernes en etablissementen nu goed zien van waar ik sta. Ik herken er een heel aantal. Zelfs sommige van de namen zijn in mijn tijd nog dezelfde. De sfeer herken ik ook. Ze houdt het midden tussen ingetogen kermisvreugde en een uitbundig treurspel. De kreupelen hinkelen wat sneller, wanneer ze de kerk verlaten, en de zieken hebben een fonkeling in hun ogen die er twee uur geleden niet was.
Mijn oog valt op een man in de menigte. Hij springt uit de toon omdat hij groot is en donker van huid. Zijn haar is al bijna helemaal grijs, maar ik kan goed zien dat het ooit gitzwart was. Hij kijkt recht naar mij. Voor ik kan wegkijken, stapt hij naar met toe en hij doet teken dat ik hem moet volgen.
‘Kom,’ zegt hij, en instinctief wandel ik achter hem aan. Hier, tussen al deze mensen, en zo dicht bij ons Liefvrouwke, kan mij toch niets overkomen. Ik zie dat hij op blote voeten loopt.
Hij wijst de weg naar het kerkhof en leidt me naar een eenvoudig graf, niet veel meer dan een kruis. Er ligt een boeketje verse veldbloemen op. Ik vermoed dat hij het was die het daar legde.
Ik begin spontaan te wenen wanneer ik het opschrift lees: Leonie Exelmans 1570-1602. Tweeëndertig jaar is Nieke geworden. Ik kijk naar de man van wie ik nu weet dat hij haar zoon is. Hoe weet hij wie ik ben? De laatste keer dat ik hem zag, was hij een baby die voldaan aan de borst van zijn moeder lag te slapen.
Hij ziet de vraag in mijn ogen.
‘Buikloop,’ zegt hij, en daarmee somt hij in een woord het lijden op dat Nieke aan haar einde hielp.
‘En gij?’ vraag ik hem. ‘Zijt gij op de Loobosch opgegroeid?’
Ik zie de pijn op zijn gezicht. Hij knijpt in zijn pet, die hij met ruige handen vasthoudt.
‘Nee. ’t Is te zeggen, niet helemaal. Tot mijn tiende jaar ben ik bij de Begijnen in Diest geweest, tot ik het daar niet meer kost uithouden. Toen ben ik weggelopen. Het heeft zekers vijf jaar geduurd eer ik naar de Loobosch durfde gaan. Tegen dan kost ik wel hard werken en toen mocht ik van boer Tuur blijven. Moeder is een half jaar daarna gestorven.’
Ik heb nog duizend vragen, maar stel er slechts één.
‘Hoe heet gij?’
‘Jan,’ zegt hij zonder me aan te kijken.
Ik steek mijn hand uit.
‘Wel, Jan, het was een eer u te ontmoeten en aan het graf van uw moeder te staan.’
Ik wil eraan toevoegen dat ik voor hem zal bidden, maar kan de woorden niet over mijn lippen krijgen. Ik weet niet eens of ik het ook echt zou doen.

Ik bereik de buitenpoort van het Oratorium na enig klauterwerk. De heuvel afdalen aan de achterkant van de kerk was niet gemakkelijk. De lange gang tussen de kerk en het klooster is nog niet gebouwd, dus behelp ik mij met de provisoire weg die naar achter loopt. Ook het Oratorium zelf is nog niet af, maar daar zal ik tijdens dit bezoek weinig last van hebben. Ik ben mij er zeer goed van bewust dat dit de eerste en enige keer is dat ik dit gebouw zal betreden. Al mijn zintuigen staan op scherp.
De vertrekken van de Infante bevinden zich aan de overkant van een grote binnenplaats. De enige manier om daar te geraken is via het ambulatorium, de kloostergang die de hele binnenplaats omsluit. Wanneer we daar aankomen, ontstaat er enige verwarring over de juiste locatie van de audiëntie. De portier, die mij heeft binnen gelaten, vraagt mij om even te wachten. Ik blijf licht onthutst achter. Stel je voor dat het hele interview niet kan doorgaan. Ik zou er het hart van in zijn.
De zonnestralen dansen op de binnenplaats, en de bloemen geven de hele omgeving een zoete en exotische geur. Hier is niets te merken van de drukte en chaos buiten de muren, en ik kan mij voorstellen dat een mens hier helemaal tot rust kan komen.
Plots voel ik dat ik niet alleen ben. Ik kijk om. Er komt iemand aan de linkerkant van de kloostergang in mijn richting gemarcheerd. Voor ik de kans krijg om mijn gedachten bijeen te rapen, staat hij voor mij. Joost Boeckaert kijkt mij aan met half dichtgeknepen ogen. Hij maakt geen aanstalten om mij de hand te drukken, dus ik durf ook de mijne niet uit te steken. Wat hij wel doet is mij inschatten in één enkele oogopslag. Een kundigheid die hij gemeen heeft met zijn opvolger en confrater, 385 jaar in de toekomst. Ik herinner mij dat ik ooit ergens las dat de lijfspreuk van Boeckaert Sperans timeo is, Hoopvol vrees ik, maar voor mij staat een man uit één stuk, niet iemand die met enige vrees door het leven gaat.
‘Een tijdreiziger,’ zegt hij argwanend. ‘Ik geloof er niks van.’
Ik zwijg.
‘Staat mijn kerk er nog in uwen tijd?’
Nu haal ik opgelucht adem. Op die vraag wil ik met plezier antwoorden.
‘Ze staat er niet alleen, uw bedevaartsoord is nog steeds het grootste van het land en verre omstreken. Aan u, meneer pastoor, om ook dat niet te geloven. Nochtans heb ik iets meegebracht voor u. Van uw opvolger. Hij heeft u een brief geschreven.’
Ik open de flap van mijn schoudertas en grabbel erin rond. Het is bijna een klein mirakel dat ik de kans krijg om deze brief te overhandigen. Ik kijk nu al uit naar de reactie van de auteur wanneer ik het hem vertel.
Boeckaert staart met grote ogen naar het witte printerpapier dat ik hem overhandig. Ik heb de brief voor mijn vertrek afgedrukt van de website van de parochie. In mijn tijd heeft de pastoor van Scherpenheuvel een blog. Zo zie je maar dat de tijden niet stilstaan.
De arrogantie die ik enkele ogenblikken geleden nog voelde en zag, is nu helemaal verdwenen. Boeckaert leest de brief tot het einde. Het duurt even voor hij opkijkt van het blad.
‘Zeg hem,’ prevelt hij, met zichtbare emotie, ‘dat ik voor hem en al zijn parochianen zal bidden.’ **


En dan, zonder veel waarschuwing, is het plotsklaps zover. Het gaat allemaal zo snel, dat ik nauwelijks de tijd krijg om nog nerveus te zijn. Enkele ogenblikken voor ik de kapittelzaal betreed, krijg ik te horen dat de audiëntie niet in het Frans zal verlopen, de taal waarin ik mijn vragen heb voorbereid, maar in het Vlaams. Daarmee voel ik mij enigszins uit het lood geslagen, en begin ik met onzekerheid en trillende handen aan het interview. Ik had er geen idee van dat ze mijn taal kan spreken.

Opeens sta ik oog in oog met Isabella, de aartshertogin, de Infante, de weduwe, maar vooral de claris in al haar bescheiden echtheid. Ze staat naast een houten tafel. Aan beide kanten van de tafel staat een stoel. Er is niets aan het toeval overgelaten. Hier zal de audiëntie plaatsvinden. Zonder al te veel ceremonie, in alle eenvoud.
Het eerste wat ze doet, na de begroeting, is me geruststellen. Ze heeft een vaste stem, waarin ik tegelijk iets breekbaars hoor. Ze spreekt, hoe kan het ook anders, met een zware Spaanse tongval. Van bij het eerste woord moet ik denken aan het radio-interview van Lutgard Simoens met koningin Fabiola uit de jaren 80. De frappante gelijkenissen tussen de twee vorstinnen zullen mij gedurende het gehele gesprek verbazen.
Ik begin met enkele formaliteiten, waarvan de eerste wat raar aanvoelt, aangezien ik oog in oog zit met een non.

Mijn oprechte deelneming bij het overlijden van uw echtgenoot, hoogheid. Hij is intussen al enkele jaren heengegaan, maar dat maakt het verlies niet minder groot. Ook wil ik u feliciteren met de bouw en inhuldiging van deze kerk. Een indrukwekkende prestatie.

Dankjewel voor de condoleances. Ik apprecieer je medeleven. En wat de kerk betreft, dit is niet mijn prestatie alleen. Zonder eerwaarde heer Boeckaert, de aartsbisschoppen Hovius en Boonen, en de financiële steun van de Staten-Generaal was ze er nooit gekomen. Ook het volk heeft bijgedragen, al was het misschien niet altijd vrijwillig. Ik ben mij daar van bewust.

Bent u tevreden met het resultaat? Is de kerk geworden zoals u ze zich had voorgesteld?

Natuurlijk is ze nog veel mooier dan ik had verwacht. Wij hebben zeker geen vergissing begaan in de keuze van de architect. Maar haar schoonheid is niet de meest belangrijke eigenschap van deze kerk. Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel zal het verdwaalde volk weer naar de Heer leiden. Bovendien krijgen de kunsten in een gebouw als dit de kans om in een godsdienstige sfeer te bloeien. Ik weet dat de schilderijen van meester Van Loon er nog niet hangen, maar ik heb er al een aantal gezien. Het zijn meesterwerken. Ook de beelden van de profeten, evangelisten en engelen zijn echte kunstwerken. Heb je ernaar gekeken? Hebben ze jou in vervoering gebracht?

Ik heb ze inderdaad gezien, en ik heb mij laten vertellen, hoogheid, dat er tussen u en pastoor Boeckaert onenigheid was over de beelden in de centrale rotonde. Klopt dat?

Wie heeft dat verteld?

Het staat zo in de geschiedenisboeken. Misschien kan u dat bevestigen.

Het is waar. De aartshertog en ik hebben tijdens ons huwelijk maar één moment gekend waarop wij het niet met elkaar eens waren. In plaats van de beelden van de profeten had ik liever Madonnabeelden gezien. Voorstellingen van de Heilige Moeder zoals ze op andere plaatsen vereerd wordt. Maar de aartshertog zag het anders. Pastoor Boeckaert had hem overtuigd dat de nissen beter gevuld werden door de profeten die de komst van de Heilige Maagd hadden voorspeld.
(Moeilijke stilte)
Ik heb hem gelijk gegeven en het idee van mijn Madonna’s opgegeven.

Toen u en aartshertog Albrecht getrouwd zijn, zijn jullie te paard over de Alpen naar Brussel gekomen. Waarom koos u ervoor om de reis op die manier af te leggen?

Laat mij u eerst even corrigeren. Ik reed in de Alpen niet op een paard, maar op een muilezel. Een paard zou die bergpaden nooit kunnen bewandelen. Wij hebben tijdens die reis de Spaanse Weg gevolgd. De enige route tussen Valencia en Brussel die volledig over Spaanse en neutrale grond loopt. Misschien geloof je dat niet, maar ik heb enorm van die tocht genoten, hoe moeilijk ze soms ook was. Ze heeft ook vier maanden geduurd. We zijn van Valencia per boot tot in Genua gevaren. Van daar reisden we te paard naar Milaan, en zijn daarna over de bergen en door de valleien tot in Thionville gereden. En van daar naar Brussel.

Waarom wilde u dan niet gedragen worden? Zou dat niet veel comfortabeler zijn geweest?

Comfortabeler? Wat had ik daar aan? Ik was voor het eerst in mijn leven eindelijk buiten Spanje. Wat zou ik van de bergpas gezien hebben, had ik in een draagstoel gezeten? Dan had ik niets over de planten en dieren geleerd, en geen enkel contact gehad met de mensen die met ons meereisden. Dat waren er alles bij mekaar zeker wel achthonderd.

De Blijde Intrede in Brussel, hoe heeft u die ervaren?

(Isabella gaat zichtbaar terug in haar herinnering. Er verschijnt voor het eerst een glimlach op haar lippen.)
Dat was schitterend. De mensen waren blij om ons te ontvangen. Niet alleen in Brussel. Wij hebben alle grote steden bezocht tijdens dat eerste jaar. Tot de problemen begonnen met de protestantse ketters. De veldslag in Nieuwpoort was de eerste grote beproeving van de aartshertog tijdens ons huwelijk. Hij raakte ook gewond. Gelukkig was de verwonding niet al te erg, maar ik was toch verschrikkelijk geschrokken.

[[Albrecht stond niet bekend als een groot veldheer, en hij kon niet zo goed overweg met een zwaard. Hij was klein van gestalte, en dat kwam hem tijdens een gevecht niet goed uit. Dit insinueren tijdens dit gesprek zou ongetwijfeld een vergissing zijn.]]

U kan zelf ook goed overweg met wapens, geloof ik. Toch zeker met een kruisboog. U werd zelfs ooit tot koningin van de Hoofdgilde van de kruisboogschutters uitgeroepen, een van de meest prestigieuze gilden in Brussel.

(Lacht luid)
Of ik dat nu nog kan, weet ik niet, maar toen ik jong was, kon ik inderdaad goed overweg met een kruisboog. Ik begeef mij graag onder het volk. De aartshertog had het daar moeilijker mee, maar voor mij waren dat soort evenementen de beste manier om met de gewone mensen in contact te komen. Daarom heb ik ook Vlaams geleerd. Al was het toen nog niet zo goed verstaanbaar.

[[De jaarlijkse schietwedstrijd waar Isabella de hoofdvogel afschoot van de torenspits van de Zavelkerk vond plaats op 15 mei 1615. Zij was toen al bijna 49 jaar. Haar behendigheid met een kruisboog was iets waar ze continu aan werkte, gezien haar passie voor de jacht. Ik vraag mij af of ze de jacht dan niet mist, nu ze kloosterzuster geworden is, maar ik vraag het haar niet.]]

Het hof bevindt zich op de Koudenberg, maar u heeft ook nog twee andere residenties. Waar woont u het liefst?

Maar, lief kind toch, ik ben intussen claris geworden. Wat heeft het nog voor zin om over die kastelen te praten. Ik had liefst al vijf jaar in het klooster van de ongeschoeide clarissen in Madrid gewoond, maar de koning van Spanje heeft mij dat verboden. Nu ik geen soevereine vorst van de Nederlanden meer ben, heeft hij mij geboden landvoogdes te blijven.
(Ze twijfelt, en na enige tijd gaat ze toch verder.)
De aartshertog hield vooral van ons zomerverblijf in Mariemont. Maar voor mij was het jachtslot in Tervuren de plaats waar ik mij het meest gelukkig voelde.

[[Ik heb de schilderijen en etsen gezien waarop het kasteel van Tervuren staat afgebeeld. Het was daar inderdaad schitterend. Helaas staat daar in mijn tijd weinig of niets meer van recht. Enkel nog de St.-Hubertuskapel en de stallen, die als kazerne worden gebruikt. Alle andere gebouwen van het slot werden in 1782 tot op de grond afgebroken op bevel van keizer Jozef II. Ik bespaar de Infante dit nieuws. Ik weet dat zij jarenlange renovaties heeft laten uitvoeren in haar favoriete kasteel, net zoals in Mariemont. Ook in het paleis op de Koudenberg waren er ingrijpende renovatiewerken, en ook van die gebouwen blijft nauwelijks nog een steen over. Het paleis werd in 1731 verwoest door een brand. Nu bevindt zich in die wijk het Koninklijk Paleis van de Belgische vorsten, de kerk van St.-Jacob-op-de-Koudenberg en het standbeeld van Godfried van Bouillon. Enkel het domein van Mariemont, in de provincie Henegouwen, heeft de eeuwen overleefd. Maar ook dat nieuws breng ik haar niet.]]

Uw eerste bezoek aan Scherpenheuvel, kan u daarover iets vertellen?

(Er komt een verre blik in haar ogen. Voor lange tijd blijft het stil.)
Natuurlijk kende ik de kracht van deze plaats al voor ik hier zelf geweest was. De aartshertog had mij er met liefde over verteld. Maar ik zal die eerste keer nooit vergeten. Het was op vele vlakken mijn geboorte. Wij hadden de nacht doorgebracht in Diest, en zijn te voet naar de scherpe heuvel op bedevaart gekomen. Geen gemakkelijke tocht in november, maar gelukkig was ik wel een en ander gewoon. Ik had vele dagen en weken met mijn man aan het front doorgebracht. Mijn hofdames hadden het veel moeilijker dan ik. Ze kregen ook bloedende voeten, en zouden zich ongetwijfeld een paar serieuze vloeken hebben laten ontvallen, had ik dat niet ten strengste verboden aan het hof. Maar voor mij was die pijn nodig om mij dichter bij Onze Lieve Heer te brengen, en op die manier dichter bij de Heilige Moeder. Met elke stap die ik nam, voelde ik de aantrekkingskracht van deze heilige plaats sterker worden. Van bij de eerste blik die ik op het beeldje liet vallen, wist ik dat ik hier de zegening en kracht zou ontvangen die ik nodig had.

[[Ik vermoed dat we op een keerpunt gekomen zijn in het gesprek. Ik meen te weten waarop de Infante met haar laatste zin alludeert, en het is niet haar strijd tegen de reformatie. Maar hoe moet ik naar haar grootste verdriet vragen, haar grootste pijn? Bovendien ging twee minuten geleden achteraan in de kapittelzaal een deur open. Het einde van de audiëntie nadert, terwijl ik het gevoel heb dat we niet eens tot het begin van een gesprek zijn gekomen. Ik stel mijn vraag op zo’n manier dat zij er twee kanten mee uit kan. Zo mag ze zelf beslissen wat ze me vertelt, en wat ze verborgen houdt.]]

En heeft u die zegening gekregen, hoogheid?

[[Er valt een lange, gespannen stilte. Ik wend mijn blik geen enkele seconde af van het gelaat van Isabella. Haar grijs-blauwe ogen hebben hun luster verloren, en er staan donkere kringen onder. Er is geen spoor meer van het leven vol pracht en praal. Diepe groeven op haar nog steeds gevulde wangen zijn getuige van haar onderhuidse smart. Niet alleen omwille van de teloorgang van haar heerschappij over de Nederlanden, maar vooral omwille van het menselijke verlies in haar leven. Zoveel van haar geliefden heeft zij zien sterven. 1621 was op vele vlakken haar persoonlijke annus horribilis. Haar broer, Filips III, koning van Spanje, stierf onverwacht op 43-jarige leeftijd. Later in het jaar, terwijl haar man op sterven lag, liep het Twaalfjarig Bestand af, en werd de strijd tussen katholieken en protestanten in al zijn hevigheid hervat. Albrecht blies zijn laatste adem uit in haar armen. Drie dagen later had zij al haar honden, exotische papegaaien en apen, die haar nochtans altijd zeer dierbaar waren geweest, onverbiddelijk weggejaagd. De eerste weken na zijn dood bracht ze door in een kamer die helemaal zwart geverfd was. Het duurde zeven maanden voor de voorbereidingen voor zijn begrafenis helemaal rond waren. Al die tijd stond zijn lichaam gebalsemd en verzegeld in een loden kist te wachten op de officiële uitvaart. Isabella zat uren te bidden naast de kist. Ook nu weer denk ik aan koningin Fabiola.

Ik zie hoe de hofdame behoedzaam dichterbij komt. Isabella wordt uit haar diepe gedachten gewekt door het geschuifel achter haar. Zonder om te kijken, en met een korte beweging van haar opgestoken hand, maakt de Infante haar duidelijk dat ze moet afdruipen. Het gesprek is nog niet afgelopen, en dit keer is zij degene die mij een vraag stelt.]]

Heb jij kinderen?

[[Voor het eerst richt ik mijn blik niet op haar gezicht wanneer ik spreek. Ik kijk naar mijn eigen trillende handen, die voor mij op tafel liggen. Ze zijn vuil. Ik schuif mijn notitieboekje langzaam aan de kant.]]

Ja, hoogheid. Ik heb vier kinderen. Twee jongens en twee meisjes.

[[Nu kijk ik toch op, en zie tot mijn verbazing een glimlach op haar lippen.]]

Dan ben jij ongetwijfeld een gelukkige vrouw. Hoe heet jij, lief kind? Ik schaam mij dat ik niet eens naar je naam gevraagd heb.

[[Nu is het mijn beurt om te glimlachen.]]

Ik heet Clara.

[[Isabella buigt over de houten tafel heen en legt haar handen op de mijne. Dit is eindelijk het keerpunt in het gesprek.]]

Dan zijn we zusters, lieve Clara. De voorzienigheid heeft jou naar hier geleid.
Na mijn derde miskraam zijn we begonnen met wekelijkse bedevaarten naar de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Laken. Ik begreep niet waarom mijn lichaam niet in staat was een vrucht in leven te houden. Wat was God met mij van plan? Waarom kon ik niet wat andere vrouwen wel konden? Was ik te oud om nog kinderen te baren?
Dit werd mij gesel. Het kruis dat ik moest dragen. Ik bad om geduld en begrip, maar elke maand werd het verlangen naar een kind groter.
Daarna zijn we begonnen aan de bedevaarten naar deze uitverkoren heuvel.

Daar heeft u toch veel kracht uit geput.

Ik heb van bij die eerste dag al mijn hoop gesteld op Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Als er één Middelares was die mijn zaak kon bepleiten, dan was Zij het. Ik leefde in vroomheid, vocht tegen de protestanten, zorgde voor mijn volk, bouwde Haar de mooiste kerk die ik Haar kon schenken…

[[Nu is het mijn beurt om haar samengevouwen handen in de mijne te nemen. De tranen rollen over haar gezicht.]]

Toch is het drie keer bijna gelukt. De eerste keer zal ik nooit vergeten, want toen was het kind bijkans volmaakt. Iedereen gruwelde bij de gedachte dat ik het in mijn armen wilde houden, maar voor mij was dat de meest natuurlijke zaak in de wereld. Ik heb haar drie dagen bij mij gehouden. Toen heeft Albrecht mij gesmeekt om het dode kind los te laten. Ik begreep niet waarom dat nodig was. Voor mij was alles drie dagen lang zoals het moest zijn. Haar kleine, perfecte lichaam was bij mij, en haar geest was bij Onze Lieve Heer. Toen ik haar uit handen gaf, stonden mijn borsten gespannen van de melk. Ze waren na twee dagen roodgloeiend en ik had hoge koorts.
(Huilend gejammer)
Maar er was geen kind om mij te verlossen van de pijn die ik voelde. Mijn armen waren leeg, en mijn schoot is heel mijn leven lang een graf gebleven.

Ik durf het u nauwelijks vragen, hoogheid, maar vroeg u zich niet af waarom Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel u niet kon helpen? Waarom bemiddelde Zij niet voor een mirakel? Stelde dat uw geloof niet op de proef?

(Fluistert)
Ja, ik heb gewankeld.
(Dan plots kordaat)
Maar toen ik vijftig jaar was, heb ik mij neergelegd bij de wil van Onze Lieve Heer. Hij had een ander plan voor mij. De aartshertog en ik hebben alle gewesten trouw doen zweren aan mijn broer Filips, die sinds de dood van mijn vader koning van Spanje was. Daarmee was de mogelijke crisis rond onze opvolging bezworen.

[[De hofdame benadert nu toch de tafel en legt haar hand op de schouder van Isabella. Ze fluistert haar enkele woorden in het oor. De Infante staat traag recht. Ik volg haar voorbeeld. Terwijl ik mijn spullen opberg in mijn schoudertas, en aanstalten maak om afscheid te nemen, komt zij plots naar mij toe. Ze neemt mijn gezicht in beide handen en kijkt mij recht in de ogen.]]

Koester je kinderen, Clara. Ze zijn de toekomst.

---

Wanneer de poort van het Oratorium achter mij dichtvalt, moet ik moeite doen om mijn emoties onder controle te houden. Ik beklim de heuvel, en ga terug binnen in de kerk, die nog steeds gevuld is met pelgrims. In het midden van de centrale rotonde ga ik uiteindelijk door de knieën. Ik kan mij niet ontdoen van het beeld van de wanhopige moeder, die drie dagen lang haar dode kind in haar armen draagt.
Vol onbegrip kijk ik op naar het genadebeeld. Wat heeft deze plaats te betekenen? Is deze kerk niet gewoon de symbolische wanhoopskreet van een onvervuld en bloedend moederhart? De smeekbede aan het adres van een God die niet antwoordt en niet bestaat?
Ik blijf op de vloer van de kerk zitten tot de kou in mijn ledematen en mijn hart kruipt. Het schemert buiten wanneer de koster mij vraagt te vertrekken. Ik strompel, samen met de laatste pelgrims, de kerk uit.
Wanneer ik buiten sta, neem ik mij voor om met mijn kinderen het graf van Isabella te bezoeken, in de kathedraal van St.-Michiel en St.-Goedele in Brussel. Wat een akelige gedachte, wanneer ik weet dat het nog zes jaar zal duren eer ze sterft.





Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (9)


* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

** Link naar de brief van E.H. Luc Van Hilst aan zijn confrater Joost Boeckaert.

0 reacties:

Een reactie plaatsen