zondag 12 februari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (9)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Trees - 15 augustus 1765

Deel 1

De wieken van de molen draaien traag en onverstoorbaar. Ik sta uit het zicht van de spelende kinderen, met mijn rug in de meidoornhaag gedrukt. De doornen prikken in mijn vel, maar ik vind geen andere schuilplaats. De kinderen spelen verstoppertje en de kleinste jongen is aan de beurt om te tellen en zoeken. Hij is hoop en al een jaar of vijf, en heeft ros haar dat glanst in het zonlicht.
‘Onze Jef kan ni tellen,’ hoor ik een van de meisjes protesteren. ‘Hoe kan ‘m dan meedoen?’
‘Gij kunt zelf nog ni tegoei tellen, Fien,’ moppert een ander meisje, die nauwelijks ouder is dan Jef, dezelfde rosse bos haar heeft, maar een grotere mond.
Fien stapt kordaat naar kleine Jef toe, grijpt hem bij de kraag van zijn bruine hemd en trekt hem zonder genade in de richting van de molen. Ze draait hem om en duwt hem naar beneden, tot hij niet anders kan dan gaan zitten op de onderste trede van de houten trap.
‘Blijft gij hier maar zitten, snotneus, tot ge groot genoeg zijt om mee te spelen.’
Jef begint luidop te bleiren, terwijl Fien terugloopt naar de andere kinderen. Ze houdt haar handen voor haar gesloten ogen. De vijf anderen stuiven uiteen. Gelukkig niet in mijn richting. Fien telt zo luid ze kan.
‘Eén, twee, drie, vier, vijf, zeven, acht, negen, tien! Wie niet rap weg is, heb ik gezien!’
Daarna verdwijnt ook zij uit het zicht.
Jef stopt halverwege een snik plots met huilen. Hij heeft mij opgemerkt en staart me aan, als een verschrikte haas in de koplampen van een auto. De laatste dikke tranen rollen over zijn vuile wangetjes, en wanneer hij zijn arm opheft om de snottebel af te vegen die aan het topje van zijn neus bengelt, bedenkt hij zich halverwege, waardoor de druppel op zijn knie valt en langs zijn korte beentje verder naar beneden loopt. Als de bliksem springt hij recht, rent vliegensvlug de hoge trap op naar de molen, en verdwijnt in het donkere deurgat.

Het doet deugd om terug op reis te zijn. Honderd achtendertig jaar geleden woonde ik de inhuldiging van de Onze-Lieve-Vrouwenkerk bij. Ik heb ernaar uitgekeken om Scherpenheuvel in haar nieuwe gedaante te aanschouwen.
Het is een warme zomermiddag. Vijftien augustus. Overal viert men vandaag Halfoogst en Maria-Terhemelopneming. Het is een graad of achtentwintig, schat ik. Ik bevind mij ten noordoosten van de stad, buiten de vesten. Hier staat nu al de houten standerdmolen die later de naam zal geven aan de buurt waar ik woon: Achter de meule. Mijn huis zal in 2005 gebouwd worden op amper 250 meter van de plek waar ik nu sta. Wanneer ik in oostelijke richting kijk, zie ik velden en bossen. In mijn tijd is de molen al bijna een eeuw afgebroken, maar hier lijkt hij nog nieuw.
Ik kom vandaag praten met de vrouw van de molenaar. Trees Polaster is vierendertig jaar, en vroedvrouw in dienst van de stad. Ze krijgt elk jaar 15 gulden loon uit de stadskas en moet daarop geen belastingen betalen. Op tien jaar tijd baarde ze twaalf kinderen, waarvan er acht nog in leven zijn. Het waren haar jongste bengels die ge hier hebt zien verstoppertje spelen toen ik arriveerde. Ge zoudt denken dat er een paar tweelingen tussen haar kroost zitten, maar dan zijt ge mis. Trees en haar molenaar, Franciscus Veugelen, zijn er in 1755 en 1758 in geslaagd om zowel in het begin als op het einde van het jaar een kind te krijgen. Het is dan ook op die manier dat ze haar bijnaam, Trees van Frakke Vogeleir, heeft verworven.

Zowel in Scherpenheuvel als in de Zuidelijke Nederlanden is er veel veranderd sinds mijn laatste bezoek. Na afloop van het Twaalfjarig Bestand ontstond er algemene economische kommer en kwel. Er was werkloosheid, hongersnood, en op vele plaatsen gingen wanhoop en wandaad hand in hand. Ook de scherpe heuvel ontsnapte niet aan de gevolgen van de ellende. Naast rijke pelgrims, die als een magneet werkten op dieven en oplichters, kwamen steeds meer arme stakkers en hulpbehoevenden naar het bedevaartsoord, in de hoop hier, naast godsvruchtige verlichting ook een aalmoes, een warme maaltijd of een droog bed te kunnen vinden.
Het was in die tijd dat er in Brabant plots een hevige opstoot losbrak van de pest. Zelfs Scherpenheuvel bleef niet gespaard. Er vielen op korte tijd vele tientallen slachtoffers. Tijdens de zomer van 1629, twee jaar na de inhuldiging van de kerk, werd er aan de voeten van ons Liefvrouwke collectief gebeden voor verlossing. Terwijl elders de zwarte dood genadeloos zijn gang bleef gaan, kwam de sterfte hier al na een paar maanden tot stilstand. Uit dankbaarheid voor zoveel barmhartigheid, die door kerk en goegemeente werd toegeschreven aan de tussenkomst van Onze-Lieve-Vrouw, werd er dat jaar in november, aan het einde van het bedevaartseizoen, voor de eerste keer een Kaarskensprocessie gehouden. Duizenden mensen overspoelden de heuvel, staken trosjes kaarsen aan, en stonden langs de kant van de weg. Pastoor Boeckaert droeg persoonlijk het genadebeeld, dat voor de gelegenheid uit haar nis naar beneden werd gehaald, door de straten van de stad. Het was een natte, ijskoude zondagnamiddag. De mensen stonden in de modder en de gure wind te bibberen van godsvrees en opluchting omdat hen het noodlot gespaard was gebleven.

De overrompeling en algemene sfeer van wanorde, die ontstond ten gevolge van de invasie van behoeftigen, armen, woekeraars en afzetters, leidde tot een snelle teloorgang van de stedelijke discipline in Scherpenheuvel. Zelfs de herbergiers begonnen stilaan de bouwvoorschriften en reglementen aan hun laars te lappen, in de hoop toch zoveel mogelijk geld te verdienen op de kap van de gegoede bedevaarders, die toch ook bleven toestromen.
Na de dood van landvoogdes Isabella in 1633, greep pastoor Boeckaert de kans om zich tot koning Filips IV te wenden, en de ordonnanties, die de Infante enkele jaren eerder had laten uitvaardigen betreffende de bouwregels van de bedevaartplaats, te laten bekrachtigen. Het schepencollege en de burgemeester van Scherpenheuvel werden door die bekrachtiging gedwongen om zeer streng te waken over het zevenpuntige stadsplan, en elke overtreder te straffen of te onteigenen. Dit zinde de burgemeester niet, en op die manier ontstonden er voor het eerst spanningen tussen de kerkelijk en wereldlijke overheden.
Waar het stadsbestuur en de handelaars wel blij mee waren, was de sauvegarde die Isabella had bekomen ten voordele van haar geliefde Scherpenheuvel. Daarin stond dat geen enkel garnizoen ooit mocht gekazerneerd worden binnen de vesten van de stad. Soldaten mochten proviand noch onderdak eisen van de inwoners of herbergiers. Een kleine genade, die de inwoners gedurende vele decennia de ellende zal besparen die de omliggende steden en dorpen zieltogend moesten ondergaan.

Elders in de Nederlanden waren er ook grote veranderingen op til. De macht van Spanje in Europa taande, en zowel Frankrijk als Oostenrijk stonden klaar om de heerschappij over te nemen. De Franse koning, Lodewijk XIII, sloot een verbond met de Verenigde Provinciën in het noorden, maar Ferdinand van Spanje, broer van Filips IV en, sinds de dood van zijn tante Isabella, landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, hield resoluut voet bij stuk en koos ervoor de Franse koning niet te volgen in zijn erkenning van de protestantse staat. Ferdinand weigerde bovendien de Zuidelijke Nederlanden uit te roepen tot onafhankelijke bufferstaat tussen noord en zuid.
Maar de Franse erkenning van de noordelijke republiek was de aanzet tot een Europese omwenteling die al snel niet meer te stuiten bleek. Uiteindelijk zwichtte Filips IV onder de onaflatende druk en tekende op 30 januari 1648 de Vrede van Munster, waarin hij de Verenigde Provinciën uiteindelijk toch erkende als autonome staat. Willem van Oranje haalde op die dag postuum de overwinning op zijn aartsvijand Filips II. De Vrede van Munster luidde het einde in van de Tachtigjarige Oorlog.
Er mocht dan wel een einde zijn aan de strijd tussen katholieken en protestanten, er brak helaas een periode aan van zwaar economisch en zedelijk verval. De nieuwe Franse koning, Lodewijk XIV, was bovendien op het oorlogspad. Een veroveraar met grootheidswaanzin, ge kunt u al voorstellen wat zo iemand kan aanrichten onder de gewone mensen.
Toen na de dood van Filips IV zijn zwakzinnige zoon Karel II de Spaanse troon besteeg, bleek het al snel zo goed als onmogelijk om blijvend het hoofd te bieden aan de veroverzucht van de Franse koning. Karel II bleef kinderloos, en dit gaf, na zijn dood in 1700 aanleiding tot de Spaanse Successieoorlog. Met Karel II was namelijk de bloedlijn van de Spaanse Habsburgers uitgestorven. Dit gooide de Spaanse troon te grabbel voor iedereen die er meende aanspraak op te maken. Nochtans had Karel in zijn testament de kleinzoon van de Franse koning aangeduid als zijn opvolger. Maar de bekrachtiging van dat testament liet op zich wachten tot 1713, toen in de Vrede van Utrecht een reeks verdragen werden afgesloten die een aantal eigendomskwesties voor eens en altijd beslechtten. Voor de Zuidelijke Nederlanden bleven de gevolgen niet uit. Zij stonden voortaan onder de heerschappij van de Oostenrijkse Habsburgers.

Tijdens de Successieoorlog was er, ondanks alle geweldplegingen, weinig veranderd in Scherpenheuvel. De stad bleef, dankzij de sauvegarde van Isabella, gespaard van brutaliteiten. Joost Boeckaert die tot 1642 proost was van het Oratorium en pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, en daarna aangesteld werd tot bisschop van Ieper, was er vlak voor zijn dood nog in geslaagd Filips IV te dwingen tot het uitbetalen van een aantal beloofde grote bedragen, die werden aangewend tot het verfraaien van de kerk en haar omgeving. In de zijkapellen hingen intussen al de schilderijen van meester Theodoor Van Loon, die op zes grote doeken het leven van Maria vertellen. Ook boven het hoogaltaar was zijn meesterwerk De Terhemelopneming van Maria al opgehangen. Boven het hoogaltaar waren ook de stenen boom en twee beelden geplaatst die er vandaag nog staan. Maar nu was er eindelijk geld om een aantal hoognodige verbeteringen en aanvullingen uit te voeren. De Oratorioanen richtten in 1656, een jaar na de ontvangst van de eerste schijf van 40.351 gulden, een Latijns college op voor humaniorastudenten. Het gebouw werd door de eeuwen heen doorlopend als school gebruikt, en doet in mijn tijd dienst als onthaalcentrum voor pelgrims en bezoekers allerhande. De lindebomen, die in de Hortus Conclusus rond de kerk waren geplant in de jaren na de inhuldiging, hadden intussen hun beste tijd gehad. Na anderhalve eeuw werden ze omgehakt en vervangen door dennenbomen. In de volksmond werd het park al snel den dennenboom genoemd, een naam die zijn oorsprong vond in 1668, en tot de dag van vandaag nog steeds in gebruik is. Tien jaar later werd eindelijk de kloostergang voltooid die een rechtstreekse verbinding vormde tussen de kerk en het Oratorium.
Intussen hadden de Oratorianen ook een waterput laten graven aan de zuidkant van de besloten hof. De put was 62 meter diep, gemetst in baksteen en toegankelijk voor de inwoners van de stad. Ze moesten soms urenlang aanschuiven om hun voorraad water in te doen, en sommigen zagen zich genoodzaakt meerdere keren per dag terug te komen. Vooral de herbergiers.
Naast de vrees voor een uitbraak van de pest was brandgevaar een van de grootste bekommernissen van het stadsbestuur. Omdat de meeste huizen nog steeds waren opgetrokken uit leem of hout, en afgedekt met een strooien dak, was dat gevaar uiteraard zeer reëel. Veel heeft dat niet nodig, zo’n dak, dat kunt ge u toch wel inbeelden. Een kleine genster of vonk, en alles gaat genadeloos in vlammen op. En niet alleen de lemen huizen vormden een gevaar voor de stad. Het Gulden Vlies, eigendom van de Oratorianen, was helemaal opgetrokken in bakstenen en afgedekt met een leien dak. Toch brandde ook dat in de zomer van 1651 helemaal af.
Het stadsbestuur vaardigde een ordonnantie uit die stelde dat elke inwoner een ladder en twee emmers water moest klaarzetten. Deze regel niet volgen kon zware boetes opleveren. Ook werd twee maal per jaar de schouw gecontroleerd door het stadspersoneel, om er voor te zorgen dat ze proper was en geen brand kon veroorzaken door oververhitting of aangekoekte roet.

Na de Vrede van Utrecht nam keizer Karel VI van Oostenrijk bezit van de Zuidelijke Nederlanden. Het zaadje van een onafhankelijke staat, dat door Lodewijk XIV was geplant, begon stilaan te ontkiemen in de gedachten van mensen. Er volgde een lange periode van economische voorspoed en eindelijk brak de tijd aan van herstel en opbloei.
Bij de aanvang van de Oostenrijkse periode, in het begin van de 18e eeuw, telde Scherpenheuvel een duizendtal inwoners. Maar jaarlijks kreeg de stad tienduizenden pelgrims over zich heen. Er was een wildgroei van kramen en opdringerige handelaars. Van een serene sfeer rond de kerk en in de straten was al lang geen sprake meer. De Oratorianen zaten met de handen in het haar. Hoe moesten ze de kalmte herstellen? Met de moed der wanhoop richtten zij zich tot het Hof van Brabant en later tot de regering die een vonnis bekrachtigde dat zei dat er op de weg voor de kerk nooit of te nimmer nog handel mocht worden gedreven. Vrouwen en kinderen die de weg versperden voor de verkoop van kaarsen, koeken, tabak en andere goederen, werden voortaan met aandrang geëscorteerd tot buiten de begrenzing van de besloten hof.
Naarmate het aantal bezoekers toenam, bleef ook de handelskoorts stijgen. Algauw maakten de Oratorianen zich zorgen over de slechte staat van de straten. Ook het stadsbestuur deelde deze bezorgdheid en diende een verzoekschrift in bij de overheid om de gewone belastingen aan te wenden om herstellingswerken uit te voeren. Het verzoek werd geweigerd, maar uiteindelijk konden ze toch bekomen dat er weggeld mocht worden gevraagd. Er werden barrières opgericht aan de Leuvense, Diestse en Zichemse poort. De proost van het Oratorium beheerde de inkomsten, samen met de administrator van de stad. Op die manier konden beide autoriteiten de herstellingswerken overzien. Maar ge kunt het wel raden, zeker? Het duurde niet lang voor er ambras van kwam, en twintig jaar na het oprichten van de barrières, werden de tolbomen alweer afgebroken. Met als gevolg dat er vijfendertig jaar lang niet meer aan de wegen van Scherpenheuvel werd gewerkt. Intussen was men begonnen met de ontbossing van het Hageland, en de karren die de duizenden boomstammen vervoerden, passeerden allemaal door Scherpenheuvel. De schade aan de wegen was aanzienlijk.

Na de dood van keizer Karel VI kwam zijn dochter Maria-Theresia aan de macht. Zij was een verbeten heerser, en veel minder mild dan haar vader. Haar relatie met Frankrijk liet enorm te wensen over, en het duurde niet lang of ze had de Franse koning tegen zich in het harnas gejaagd. In juni 1744 vielen Franse soldaten het graafschap Vlaanderen aan, en dit zorgde voor het eerst in meer dan dertig jaar voor een gewapend conflict dat vier jaar duurde.
Scherpenheuvel viel opnieuw buiten de gevechtzone, dankzij de sauvegarde van Isabella. De stad moest de troepen niet voorzien van bevoorrading of huisvesting, maar kreeg wel een zware taxatie opgelegd op haar bezittingen. De proost van het Oratorium deed er alles aan om onder die belasting uit te komen, gezien de schat aan eigendommen die de kerk intussen rijk was, en hij stuurde een verzoekschrift aan de bezetters. Zijn verzoek bleef echter zonder gehoor.
Tijdens de Franse bezetting van het graafschap Vlaanderen, werd de Scherpenheuvelse burgemeester voor 43 dagen opgesloten in de gevangenis in Leuven, en pas na betaling van een hoge som losgeld vrijgelaten. Tijdens de zomer van 1747 hield een legerkorps van duizend Franse soldaten lelijk huis tussen Scherpenheuvel en Zichem. Vier dagen lang plunderden zij de velden, en roofden het land van alle zomervruchten, haver en gerst.
Trees zal mij daar vandaag in geuren en kleuren over vertellen. Zij was die zomer zestien jaar geworden, en had met haar beste vriendin, Martha Veugelen, afgesproken om halverwege de holle weg naar Zichem, in de kant, rijpe braambessen gaan te plukken. Trees vond Martha maar een onnozel wicht, maar omdat ze een oogje had op haar grote broer Frakke, nam ze haar af en toe mee op sleeptouw. De twee meisjes waren ter nauwer nood aan de hitsige soldaten ontsnapt. Trees had tijdens het lopen de stinkende adem van een van hen in haar nek gevoeld. Gelukkig had hij zoveel brandewijn gedronken dat hij haar niet kon inhalen. Ook Martha was ontsnapt. Trees zou nooit meer met een gerust hart die weg van Scherpenheuvel naar Zichem opwandelen, zelfs niet toen ze al een volwassen vrouw was met een grote dosis gezond verstand.

Wanneer alle kinderen terug bij de molen zijn, en iedereen uitgelaten staat te hijgen en te lachen, besluit ik om mijn aanwezigheid kenbaar te maken. Net op het moment dat ik enkele stappen voorwaarts neem, verschijnt in de deuropening van de molen een grote, potige man, met een glimmend gezicht en schuppen van handen, waarmee hij zijn kleren afklopt. Heel even verdwijnt hij in een witte wolk van bloem.
‘Awel?’ roept hij me toe met een diepe, vrolijke stem, ‘Gaat ge daar blijven staan, of gaat ge ne klap doen met ons Trees?’
Ik moet mijn hand boven mijn ogen houden vanwege het felle licht.
‘Is ze hier?’ roep ik terug zo luid ik kan. De kinderen beginnen opnieuw te lachen. Ze komen in een cirkel rond me staan.
‘Ons moe is ni hier, zenne,’ zegt Fien, die wijdbeens voor me staat, met beide handen in haar zij. Ik zie dat ze goed gevoed is. Hier staat geen enkel schraal of ziekelijk kind bij. Het gaat de familie Veugelen duidelijk voor de wind.
‘Ze is in de Veldstraat een kind ter wereld helpen. Als ge wilt breng ik u tot ginder.’
De Veldstraat zou ik waarschijnlijk zelf wel kunnen vinden, maar ik wil niet de kans mislopen om met de dochter van Trees Polaster een wandeling te maken.
‘Laat maar zien,’ beveel ik haar, en ze gaat me voor. Wanneer haar broers en zusjes willen volgen, hoor ik hun vader hen terugroepen. Fien giechelt en kijkt om. Ik versnel mijn pas om naast haar te lopen.





Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (10)


* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

De illustratie in deze tekst is afkomstig van de website van de Koninklijke Bibliotheek van België. Het is een detail uit de Ferrariskaart 'Diest' van 1777. Een link naar alle Ferrariskaarten van België vindt u hier.

0 reacties:

Een reactie plaatsen