vrijdag 25 januari 2013

Reizen met Steinbeck - een schrijfoefening


In mei 2012 verscheen er een boek van de Nederlandse journalist en auteur Geert Mak waarvan ik het bestaan niet afwist. Toen ik enkele dagen geleden in een of andere wachtzaal door de Knack bladerde, kwam ik een advertentie tegen. Het boek heet Reizen zonder John, Op Zoek naar Amerika, en is een moderne reconstructie van het reisverhaal dat John Steinbeck 50 jaar geleden schreef, Travels with Charley: In Search of America, over zijn roadtrip doorheen Amerika begin jaren zestig. Beide boeken zijn een persiflage van de Amerkaanse consumptiemaatschappij in volle bloei. Toen en nu. Ik sta te popelen om de kroniek van Mak te lezen.
                                                                                       
Het toeval wil dat ik het boek van Steinbeck vorig jaar voor de eerste keer las tijdens onze gezinsvakantie op Sardinië. Daar, tijdens een luie namiddag op het strand, kwam ik op het idee om een reisverhaal te schrijven, gebaseerd op dat boek. ’s Anderendaags, toen mijn reisgenoten de hele dag op avontuur waren, bleef ik thuis om mijn gedachten op papier te zetten. Het resultaat van die oefening lees je hier.

----- 

Cardedu, 27 juli 2012

Dit is niet onze plaats van afspraak. Ik weet niet hoe ik mij voor deze uitschuiver moet verontschuldigen. John Steinbeck zit naast me en staart naar het heldere water van het zwembad. Ik schaam me. Niet veel, maar toch genoeg om hem niet recht aan te kijken. Vanuit mijn ooghoeken sla ik hem gade. Hij roert afwezig in het kopje oploskoffie dat ik enkele ogenblikken geleden voor hem neergezette.
‘Meneer Steinbeck, het spijt me…’, probeer ik, maar kom niet veel verder. Zijn blauwe ogen bewegen niet. Zijn blozende wangen zijn het enige teken van emotie. Of is het de warmte die hem parten speelt?
Hij is imposant. Een ietwat opmerkelijke kwaliteit voor iemand die intussen al bijna vierenveertig jaar dood is. Nochtans is de dood een ongemak waarvan hij vandaag weinig last schijnt te hebben. Zijn brede schouders en gespierde rug drukken zwaar tegen de rugleuning van de witte plastic stoel waarin hij zit. Zijn lange benen steken voor hem uit, de enkels gekruist. Hij streelt zijn baard, heft vervolgens zijn bauwe marinepet op, wrijft zijn peper- en zoutkleurige haar naar achter en zet de pet weer op. Er staan zweetdruppels op zijn voorhoofd.
Charley, de grote zwartblauwe poedel die Steinbeck vergezelt op zijn reis, trekt zich niets aan van het misverstand tussen zijn baasje en mij. Hij jaagt op de libellen die over het wateroppervlak dartelen, en die af en toe het lot tarten door op zijn rug of kop te landen. Ondanks zijn gevorderde leeftijd huppelt Charley rond als een jong veulen en trekt zich niets aan van hoe belachelijk hij er wel uitziet.

‘Eigenlijk spijt het me helemaal niet,’ probeer ik het over een heel andere boeg te gooien, en spreek daarbij meer de waarheid dan voordien. ‘U bent het die zich heeft opgedrongen. Ik ben met mijn gezin op vakantie op de oostkust van Sardinië, en u kwam als verstekeling mee in onze auto.’
Vlak voor mijn vertrek, tien dagen geleden, stopte mijn moeder Reizen met Charley, een roadtrip door Amerika in mijn handen.
‘Gemakkelijke, ontspannende lectuur,’ zei ze, en ik nam het boek in ontvangst uit beleefdheid en omwille van de auteur. Eigenlijk lees ik nooit een vertaald boek wanneer het oorspronkelijk in het Engels of Frans geschreven is. Maar toen mijn andere leesvoer op was, greep ik toch naar deze vertaling. Travels with Charley in Search of America werd voor het eerst gepubliceerd in 1962, het jaar dat Steinbeck de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. Het evenaart volgens hen die het kunnen weten niet zijn grootste werken als Of Mice and Men, Grapes of Wrath en East of Eden, maar voor mij is het een pareltje.

Intussen is Charley naast me komen zitten. Zijn tong hangt wel twintig centimeter uit zijn bek. Hij hijgt aandoenlijk. Ik sta recht, wandel naar de keuken van het gelijkvloersappartement en keer terug met een grote kom water. Charley drinkt zonder stoppen gemakkelijk twee liter water.
‘Waarom drinkt hij niet uit het zwembad?’ vraag ik gemeend. Voor het eerst kijk ik Steinbeck in de ogen.
‘Omdat hij een beleefde, goed opgevoede Franse poedel is natuurlijk. Goede manieren zijn alles voor Charley.’ Voor het eerst verschijnt er een glimlach op het gezicht van de schrijver. ‘Maar hij mag jou, zie ik, en dat stemt mij mild. Hij is nochtans meewarig tegenover vreemden.’
‘Misschien ben ik geen vreemde,’ opper ik. ‘Ik reis intussen al enkele dagen met u mee door Amerika.’
‘Terwijl ik dacht dat wij met jou meereisden naar Sardinië,’ lacht Steinbeck, en steekt een sigaret op. Een slechte gewoonte die zijn dood wordt in 1968.
‘Dat is zo,’ beaam ik, ‘ook al reis ik in aangenaam en talrijk menselijk gezelschap, terwijl u zich enkel met Charley moet tevreden stellen.’
Bij het horen van zijn naam kijkt de hond me recht in het gezicht en hapt ter bevestiging van zijn intelligentie naar een wesp die voorbij zoemt.
‘Ik heb trouwens iets bijzonders geleerd uit uw reisverslag’, doe ik een poging om mijn slechte koffie en manke gastvrijheid goed te maken. Had ik toch maar een glaasje whisky om hem aan te bieden.
Het geluid van de flapperende parasol boven ons hoofd en de wind in de bladeren van de hoge palmbomen rond het zwembad klinken oorverdovend in de stilte. De rode bloemen tegenover ons, net als de rode rotsen en bergen in de verte, houden hun adem in tot de heetste uren van de dag gepasseerd zijn en de Sarden uit hun siësta ontwaken.
‘Reizen is altijd een beetje hetzelfde, of het nu in Sardinië is of in Amerika.’ Nu de woorden uit mijn mond zijn, klinken ze niet half zo slim als ik had gehoopt. Maar ik kan ze niet terugnemen en ben nu wel verplicht ze te verklaren.
Steinbeck zegt eerst niets. Hij kijkt me aan met pretoogjes en maakt het zich gemakkelijk.
‘Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben,’ geeft hij gul toe, ‘want eens besmet met de drang om onderweg of elders te zijn, raak je nooit meer van de microbe verlost.’
Ik haal opgelucht adem. Misschien heeft mijn afleidingsmaneuver gewerkt.
Elders zijn is een vreugde voor mijn reisgenoten en mij. Tijdelijk elders zijn, wel te verstaan, en bij elkaar. Bij elkaar vooral, maar elders. Van zodra het maar niet thuis is. Niet thuis, maar elders. Liefst waar de zon schijnt. Reizen bestaat voor ons dus hoofdzakelijk uit twee elementen: bij elkaar zijn en elders.
‘Maar wat heeft dat met de overeenkomsten tussen Sardinië en Amerika te maken?’ vraagt hij. Hij geeft me geen kans om te ontsnappen. Ik zoek krampachtig naar woorden.
‘Misschien zijn het niet zozeer de plaatsen die op elkaar lijken, als wel de mensen,’ probeer ik voorzichtig. De Sarden zullen het mij niet in dank afnemen. ‘Zolang we maar van de snelwegen wegblijven.'
Doorheen zijn boek had Steinbeck zich geërgerd aan het isolement van de snelweg, geklemd tussen trucks en auto's. Je hebt aan die snelheid, en onder druk van zoveel gevaar voor eigen leven, niet de tijd om links of rechts te kijken, laat staan te weten waar je nu eigenlijk precies bent.
Hier is het niet anders. Wanneer je van het dorpje Cardedu, waar wij vlakbij logeren, langs de nieuwe SS 125-snelweg naar de havenstad Olbia rijdt, raas je gewoon aan Sardinië voorbij. Enkel langs de oude weg kom je de dorpen en de mensen tegen.

Ik wil Steinbeck over Gairo Vecchio vertellen, een spookdorpje dat op de flank ligt van de Monte Trunconi, boven de linkeroever van de Rio Pardu, op een hoogte van ongeveer 520 meter boven de zeespiegel. In 1951 werd dit dorp, dat tegen de berg aangedrukt ligt als een bruine moedervlek op een getaand gezicht, voor een groot stuk vernield door aardverschuivingen. Ook al zijn er in documenten uit de 12e eeuw al sporen terug te vinden van Gairo, toch twijfelden de inwoners niet om hun dorp te verlaten en twee kilometer hogerop een nieuw dorp te stichten: Gairo Sant’Elena. Het duurde enkele jaren voor alle inwoners verhuisd waren, maar uiteindelijk werd er voor iedereen een nieuw huis gebouwd en slaagde men erin de overblijfselen van het oude dorp te bewaren als archeologische site. De beslissing om het hele dorp te verhuizen – toen zo’n 600 gezinnen – getuigt van de koppigheid van de Sarden.
Zou die te vergelijken zijn met de koppigheid van de boeren in het diepe Zuiden van Amerika?
Ik kijk naar mijn gesprekspartner en merk dat hij ingedommeld is in zijn stoel. Charley ligt aan zijn voeten in de schaduw. Enkel het tipje van zijn staart beweegt af en toe. Het gesprek, als het er al een was, is afgelopen.

In het laatste hoofdstuk van zijn boek stelt Steinbeck dat mensen geen reizen maken, maar reizen mensen. Een reis verandert ons. Soms veel, soms weinig, maar zonder mutatie komen we niet weg. Hij heeft gelijk.  

Ik leun achterover en lach luidop. Een reis begint lang voor het vertrek, en houdt niet altijd op. Je keert naar huis terug, maar het duurt soms maanden of jaren voor je daar weer aankomt. Ook dit keer zal het zo zijn. Gairo Vecchio, het strand van Cardedu, de trektocht doorheen het natuurpark Genergentu, ons fotomoment bij de gedenksteen (die voortaan nog meer gedenkt dan wat hij voordien al deed), de maaltijden, de muggen, de hoge golven, de zwoele nachten, de smaak van het zoute water op mijn lippen. Hoe lang zal het duren voor ik die achterlaat?
Zonder geluid te maken, sta ik recht en wandel terug naar het appartement. Daar grijp ik een groot keukenmes en snijd een watermeloen open. Mijn reisgenoten kunnen elk moment terug zijn. Ze zullen honger hebben.


----- 


----- 

Een reactie is welkom, mits goede manieren.



   

vrijdag 18 januari 2013

't Is goed in 't eigen hert te kijken


Het internet en de wereld staan in rep en roer. Lance Armstrong heeft zichzelf vrijwillig van zijn troon gestort, daarbij een gul handje geholpen door Oprah Winfrey, die vandaag dankzij de wielerkoning-in-ongenade haar kijkcijfers, samen met haar beursnotering, de hoogte zag inschieten. Het scenario was perfect geschreven en uitgevoerd. Tijdens de uitreiking van de Academy Awards mogen zij van mij allebei gerust een Oscar krijgen voor beste mannelijke en vrouwelijk hoofdrol in de categorie Fictie met de grote F.
 
Vanaf vandaag trekt de mallemolen, die de wielersport is, zich terug op gang. Dan is het, na een geveinsde donderpreek van de Belgische wielerbond aan het adres van Johan Bruyneel, weer business as usual. In juli hangen we met z’n allen weer aan de buis gekluisterd, in de denkbeeldige veronderstelling dat de helden der aarde nu eindelijk clean rijden. Want wie zou nog durven! Op de Champs-Elysées zal ten langen leste, en voor het eerst in de geschiedenis, een eerlijke renner op het podium staan.

De echte motieven van een ongeneeslijke megalomaan als Armstrong zullen we nooit kennen. Terwijl hij honderdduizenden mensen inspireerde in hun strijd tegen kanker, joeg hij hormonen en doperende middelen door zijn aderen in zijn drang naar aandacht en erkenning. Die momenten van glorie, de smaak van de roem, het geld, het applaus, de bewondering van fans en de afgunst van collega’s, daar deed hij alles voor. Maar het verhaal was een leugen. Een leugentje om bestwil. Een fabeltje dat zo geloofwaardig werd, dat Armstrong het zelf geloofde.

Zijn we daar niet allemaal een beetje schuldig aan? Hebben we niet allemaal al eens een leugentje verteld om onszelf in een gunstiger daglicht te stellen? Ik wel. Ik durf dat zonder al te veel blozen toegeven. Toen mijn overgrootvader mij vroeg waarom ik de schuif opentrok waar hij de kwartjes in bewaarde, loog ik dat er een muntje uit zijn broekzak was gevallen en ik het wilde wegleggen. Hij gaf me een schouderklopje en feliciteerde me om mijn eerlijkheid. Ik glunderde van trots, rende de straat op en trakteerde mezelf op een ijsje met het kwartje dat ik uit de schuif had gejat. Toegegeven, ik was nauwelijks zeven jaar, maar de bewondering die ik oogstte met mijn leugentje, kan ik mij nog levendig voor de geest halen. Ik was apentrots. Zijn bewondering was onterecht, maar dat wist mijn overgrootvader niet.
Ik had mijn deceptie natuurlijk niet gepland. De diefstal zelf was een ingeving van het ogenblik. Toen ik de ijskar door de straat hoorde rijden, en ik vaststelde dat ik vergeten was geld te vragen aan mijn oma toen ze naar de bakker vertrok, besloot ik tegen beter weten in op eigen initiatief te handelen. Ik rende het huis van mijn overgrootvader binnen, die naast mijn oma woonde, sprintte naar de bewuste schuif en trok ze zonder nadenken open. Ik had een kwartje nodig en wel pronto.  De leugen die volgde toen ik op heterdaad betrapt werd, was de inspiratie van het ogenblik. Ooo wat voelde ik me slim! De arme man trapte er moeiteloos in.

Daar zat ik dan met mijn trofee op de stoep voor het huis. Ik likte voorzichtig het ijs van de randen, voor het kon smelten en langs het horentje naar beneden druppen. De buikpijn die later volgde, moet een vorm van poëtische rechtvaardigheid geweest zijn. Ik durfde aan niemand vertellen wat ik gedaan had. Toen mijn overgrootvader een half jaar later stierf, was het met de gedachte dat ik een eerlijk meisje was.
Ik leerde die zomerdag in 1973 nochtans een belangrijke les. Dat de roem die je behaalt met een leugen niet lang zijn zoete smaak behoudt. Gelukkig gaf het gestolen ijsje mij verschrikkelijke buikpijn. Ik zou misschien, zonder het zelf te weten, de Lance Armstrong onder de kwartjesdieven geworden zijn.

Heeft de bekentenis van Armstrong dan helemaal geen enkele betekenis? Voor de mensen die in hem geloofd hebben en die dankzij zijn verhaal de kracht gevonden hebben om te vechten tegen hun ziekte misschien wel. Dat hoop ik althans. Ik hoop dat zij nu begrijpen dat die kracht niet van Armstrong kwam, maar vanuit hun eigen hart.
Armstrong zal voortaan altijd een leugenaar zijn. Ik las vandaag commentaren op het internet van mensen die nu zelfs de ernst van zijn kanker in twijfel trekken. Deed hij het niet allemaal erger lijken dan het was? Om zijn comeback kracht bij te zetten en nog meer geld te verdienen?
Alsof kanker een romantische film is, die je kan regisseren naar willekeur.
 
 
 
-----
Een reactie is welkom, mits goed manieren.