dinsdag 3 januari 2017

Het rariteitenkabinet van juffrouw Elsevier

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R.Alfons')


Ze zette het in de kast en deed hem op slot. Hopelijk bleef het daar veilig. Als juffrouw Elsevier erachter kwam dat het verdwenen was, zou de aarde beven. Filou was er zeker van dat ze de hele kostschool binnenstebuiten zou keren om het te vinden. Filou was bang van juffrouw Elsevier, niet alleen omdat ze de gratie en fijngevoeligheid had van de gemiddelde komodovaraan, maar ook omdat ze het geheim van haar familie kende, namelijk dat haar grootvader vlak voor de eeuwwisseling een kunstsmokkelaar was geweest die vanuit de Levant, Mesopotamië en het Arabisch schiereiland verboden mystieke voorwerpen naar Europa bracht om ze daar aan verzamelaars te verkopen. Haar aanwezigheid in deze school, het wereldberoemde Gesticht voor Onhandelbare Meisjes en Andere Verdwaalde Zielen, in de volksmond ook wel eens schimpend het rariteitenkabinet van juffrouw Elsevier genoemd, had alles met dat geheim te maken. Juffrouw Elsevier, nota bene zelf een klant van grootvader, had haar namelijk opgeëist, in ruil voor haar stilzwijgen. Als iemand erachter kwam wat grootvader gedaan had, zou hij voor altijd achter de tralies belanden, of misschien wel voor het vuurpeloton. Om haar zachtaardige, kunstzinnige grootvader die gruwel te besparen, onderging Filou al vier jaar haar lot. Het leek wel alsof juffrouw Elsevier haar zich had toegeëigend en Filou vreesde dat ze haar wilde adopteren, aangezien haar eigen ouders dood waren en grootvader helaas niet het eeuwige leven had.
 

Ze legde haar oor tegen de deur van de voorraadkamer, luisterde naar voetstappen of stemmen in de gang, en toen ze niets meer hoorde, glipte ze naar buiten en haastte zich naar de ontbijthal. Na het ontbijt, dat ze met moeite door haar keel had weten te wringen, sloop ze door de openstaande terrasdeur de tuin in. Het vergde het uiterste van haar om het niet op een lopen te zetten. Stel dat iemand haar vanuit het gesticht in de gaten hield. Ze wandelde schijnbaar nonchalant naar het bankje onder de treurwilg, ging zitten, trok haar mantel strak om zich heen, sloeg het boek open dat ze bij zich had en staarde vruchteloos naar de letters op het papier. Ze moest nadenken.
 
De ontdekking die ze vanochtend gedaan had, zou haar leven voorgoed kunnen veranderen, maar dan moest ze wel zeker zijn van haar volgende zet. Dit mocht dan wel 1908 zijn, de strijd was nog niet gestreden. Jonge meisjes uit de hogere klasse konden niet zomaar alleen over straat lopen. Ontsnappen uit het Elseviergesticht in Bosvoorde was onmogelijk, maar het voorwerp in de kast zou daar wel eens snel verandering kunnen in brengen.
   
Gertrude en Elisabeth kwamen haar richting uit. Het leek erop dat ze bij haar wilden komen zitten, maar Filou, die zich in het verleden wel vaker een pose van ondoordringbaarheid had aangemeten, concentreerde zich op haar boek en keek niet op. Na een kort moment van twijfel, keerden de meisjes zich om en wandelden weg. Wat zou er met hen gebeuren, wanneer Filou de waarheid aan het licht bracht? Zouden ze zomaar op straat worden gegooid, samen met alle andere meisjes die hier door hun ouders naartoe waren gestuurd omdat ze ongehuwd zwanger waren geworden en daardoor de goede naam van hun familie dreigden te besmeuren? Dat ze verkracht waren door een handtastelijke neef of verliefd op de stalknecht was daarbij niet belangrijk. Belangrijk was alleen dat de baby’s zo snel mogelijk verdwenen. Over de bestemming van de pasgeboren lammetjes werden nooit vragen gesteld. Weg was weg. Het gerucht deed de ronde dat juffrouw Elsevier de baby’s verkocht in Frankrijk of Engeland. Zou Gertrude, die nog geen maand geleden bevallen was en binnenkort naar huis mocht, zogezegd terug van een lange vakantie in Italië, zich nog jarenlang afvragen of het kind dat ze op straat passeerde misschien het hare was?
 
Filou was er zeker van dat Vrouwe Fortuna aan haar zijde had gestaan toen ze vanochtend per ongeluk over een hoek van het grote Perzische tapijt in het bureau van juffrouw Elsevier struikelde. Het was haar taak om elke dag om zes uur het haardvuur aan te steken, om ervoor te zorgen dat het warm was wanneer juffrouw Elsevier een half uur later de post kwam doornemen alvorens in de ontbijthal inspectie te doen van de kleren, haren en nagels van de meisjes. Filou merkte onder het omgeslagen tapijt een luik op, en voor ze het wist, had ze de ring in haar hand en trok ze het luik open. Ze zag daar beneden een vaag licht branden, keek naar de grote klok op de schoorsteenmantel, besliste dat ze nog vijf minuten had om haar nieuwsgierigheid te bevredigen en daalde de smalle trap af.  
 

De politie alarmeren was misschien het eerste dat ze had moeten doen, maar haar instinct had anders gedicteerd. Met het voorwerp in een doek gewikkeld, glipte ze het bureau uit, net op het moment dat ze de kordate voetstappen van juffrouw Elsevier in de gang hoorde weergalmen. Waar moest ze naartoe? Zonder erbij na te denken, glipte ze de voorraadkamer binnen, keek snel om zich heen, zag de grote linnenkast en duwde het voorwerp weg achter een stapel witte, gesteven lakens. Nu ze erover nadacht, was het misschien niet zo slim geweest om de kast op slot te doen. Wat als iemand propere lakens nodig had?
 
‘Juffrouw Elsevier zal je manieren bijbrengen,’ had grootvader gezegd toen hij haar met tranen in zijn ogen achterliet in het gesticht. ‘Ze is een vrouw van klasse en heeft een onberispelijke reputatie. Ze heeft al honderden meisjes uit de nood geholpen.’ Dat was nu wel duidelijk. Filou dacht aan de kelder onder het bureau van de onberispelijke juffrouw Elsevier en aan de doordringende, misselijkmakende geur van formol. Ze zag opnieuw de eindeloze rijen gevulde, glazen bokalen met elk een eigen etiket. Geschreven op het etiket van de bokaal die Filou had meegegrist en in de linnenkast verstopt, stond in het zakelijk handschrift van juffrouw Elsevier:
Geslacht: mannelijk
Geboortedatum: 24 april 1908
Naam moeder: Gertrude Artois



Geen opmerkingen:

Een reactie posten