vrijdag 6 januari 2017

Menselijkerwijze

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')

An English Country Lane - John McCartin
Al een kwartier probeerde ze haar hartslag onder controle te krijgen, starend naar het wezen dat daar stil op de natte blaren lag. Het had een grotesk eivormig hoofd dat veel te groot leek voor het kleine, misvormde lijf, een slijmerig, haarloos vel, vier aanhangsels die niet volgroeid leken en een bloederige staart. Of het dood was of leefde, had Abby nog niet kunnen vaststellen. Niet omdat ze dom was - ze mocht dan wel klein zijn, dom was ze allerminst - maar wel omdat ze het wezen de eerste vijftien minuten nauwelijks had durven aankijken. Nu begon het zicht stilaan te wennen, en ze nam enkele voorzichtige stappen dichterbij. Wat was dit vieze ding? Ze stond op het punt het een por te geven, toen Tom uit de struiken tevoorschijn sprong en keihard brulde: ‘Sam, ik heb haar gevonden! Nu is het jouw beurt om te tellen.’ Daarna slaakte hij een ijzige kreet en deinsde verschrikt achteruit. Hij botste tegen Sam, die ook het pad opgestormd kwam, struikelde en viel.  
‘Beikes, Abby, wat heb je nu opgehoest?’ probeerde Tom stoer te doen. Hij was altijd al de grapjas en bullebak van het gezelschap geweest, maar hij was in werkelijkheid niet half zo stoer als hij iedereen wilde laten geloven. Abby gaf hem een stevige stomp in zijn zij, en terwijl hij aww riep en over de pijnlijke plek wreef, kwam Sam naast hem staan. Als kleinste van de drieling, en ook de grootste huilebalk, begon hij uiteraard onmiddellijk te blèren. 
‘Hang niet de baby uit, Sam,’ zei Tom tegen zijn broer. Hij greep hem vast en draaide hem om met een ruk, om het wezen aan zijn zicht te onttrekken. Sam kalmeerde een beetje, maar hield niet op met huilen.
Tom boog zich voorover om een beter zicht te krijgen van het ding op de natte blaren. ‘Wat is het?’ vroeg hij aan Abby, die intussen volledig bekomen was van haar eerste schrik.
‘Geen idee,’ zei ze eerlijk, ‘maar ik denk dat het leeft, want het heeft kleine gaatjes in zijn kop en iets dat op een mond lijkt, en wanneer je goed kijkt, beweegt het lijfje op en neer. Alsof het ademt.’
 Tom keek aandachtig en zag nu ook de beweging.
‘We moeten vader roepen,’ zei hij, ‘die zal wel raad weten met dit lelijke ding.’
Hij keerde zich om en wilde het op een lopen zetten, maar Abby hield hem tegen.
‘Nee, Tom, niet doen! Als vader hier weet van krijgt, komen we er nooit achter wat het is. Hij gooit het arme ding meteen in de rivier om het te verdrinken.’
‘Arme ding? Arme ding? Dit is geen arm ding. Dit is een buitenaards wezen!’
'Nee, ezel, dit is geen buitenaards wezen. Dit is een dier dat wij niet kennen. Kijk naar die staart.’ Abby vond zichzelf veruit de slimste van de drie, ook al had moeder haar vaak terechtgewezen en gezegd dat ieder kind zijn eigen talenten heeft. Kan ik eraan doen, had Abby aan moeder gevraagd, dat slim zijn toevallig mijn talent is? Moeder had gelachen, maar Abby vroeg zich naderhand toch af of ze niet beter op haar tong had gebeten, want niet veel later vertelde vader hen dat moeder beslist had haar gezin in de steek te laten. Sprak hij wel de waarheid. Was het wel mogelijk voor een moeder om haar kinderen zomaar achter te laten?
‘Dus het is een dier omdat het een staart heeft?’ vroeg Tom verbaasd. Het klonk geloofwaardig, maar helemaal zeker was hij niet. Hij wachtte niet op een antwoord. ‘We moeten vader roepen,’ zei hij opnieuw, en dit keer meende hij het. Hij sprintte weg, om ervoor te zorgen dat Abby hem niet kon grijpen. Hij was veruit de snelste van de drie. 
 
Abby deed niet eens moeite om hem achterna te gaan. Ze keerde zich om, keek naar het wezentje en wist meteen dat er iets mis was. Het trilde heftig, leek het vreselijk koud te hebben en maakte piepende geluiden. De meest troosteloze, hopeloze piepende geluiden die Abby ooit al gehoord had. Zelfs Sam hield op met huilen en keerde zich naar het wezentje toe.
‘Hij gaat dood,’ zij hij met angstige ogen, ‘ik ben er zeker van. Moeten we hem niet helpen?’ Hij mocht dan wel een angsthaas zijn, Sams hart zat altijd op de juiste plaats. Vader zei dat hij een softie was, maar Abby bewonderde haar broer voor zijn medeleven en liefdevolle karakter.
‘Wat denk je dat we moeten doen?’ Abby keek hem vragend aan.
‘Hem warm houden misschien?’
‘Durf jij dat ding aanraken, Sam? Het ziet er zo vies uit.’
‘We hebben geen keuze, Abby. We kunnen hem toch niet aan zijn lot overlaten. Hij is ver van huis. Hij is bang en heeft het koud.’
Zonder er verder nog woorden aan vuil te maken, ging Sam naast het wezentje op de grond liggen, en vleide zich dicht tegen hem aan. ‘Doe jij maar hetzelfde, zus, langs de andere kant.’
Abby probeerde te gehoorzamen. Ze deed moeite om haar walging te overwinnen, maar als Sam dit durfde, dan zij ook. Het duurde niet lang voor het wezen stopte met trillen. Een paar minuten later hield ook het piepen op. Wat voelde ze zich nietig en machteloos. Maar wanneer ze naar haar broer keek, zwol haar hart van trots. 
‘Wat gaan we doen als vader hier aankomt?’ vroeg Abby. Ze keek diep in Sams ogen en hoorde zijn regelmatige, rustige ademhaling. Ze zag hoe hij nadacht, maar hij antwoordde niet. ‘We zijn te klein om dit ding op te heffen, Sam. We kunnen het niet in veiligheid brengen. We zijn gewoon te klein.’
Abby begon stilletjes te huilen, want ze hoorde in de verte Tom al roepen: ‘Hierlangs, pa! Dat monster ligt hier ergens.’
Tom barstte door de stuiken tevoorschijn, met vader in zijn kielzog. Abby zette zich schrap voor de klappen die zeker zouden volgen. Ze vreesde echt het ergste, maar ze wist dat als zij en Sam hun mannetje zouden staan, er misschien een heel minuscuul klein waterkansje was dat ze vader konden tegenhouden. 
‘Vader,’ riep ze, ‘laat me even uitleggen!’ maar haar woorden gingen verloren in het oorverdovende gebulder van een reusachtig voertuig dat plots vanuit het niets verscheen. Het raasde voorbij. Iedereen kromp ineen, en vader twijfelde, terwijl hij het gigantische stalen monster achterna keek en zag vertragen.
‘Maak dat jullie wegkomen,’ bromde hij, en zette het zelf op een lopen. Tom vluchtte samen met hem weg.
Abby keek naar Sam. Hij staarde haar aan met zijn warme, liefdevolle ogen en bleef het rare, onbekende en enge wezen stevig vasthouden, alsof het zijn eigen broertje was. Wat bewonderde ze hem. Hij gaf geen krimp. Ook niet toen ze een schrapend geluid hoorde en het voertuig met een schok tot stilstand kwam. Abby deed haar ogen dicht en begon te bidden. Ze ging samen met Sam dit wezentje beschermen, wat er ook gebeurde.

 

 
 
Achtergelaten boreling gevonden in houtkant
Vandaag -- 8:45 uur
 
WINCHMORE HILL  - Vanochtend, tijdens een routinepatrouille langs Horsemoor Lane, deed agent Foster van de lokale politie een ongelooflijke ontdekking. Foster vond aan de achterkant van Penn House Estate, daar waar de velden overgaan in het bos, een boreling. Het kind was nog maar een paar uren oud en werd achtergelaten aan de kant van de weg. De bloederige navelstreng, die nog aanwezig was, wijst erop dat de moeder het kind zonder hulp ter wereld bracht en op die plek aan zijn lot overliet. Het kind werd onmiddellijk overgebracht naar High Wycombe Hospital. Zijn toestand is stabiel.
Agent Foster deed nog een tweede, zeer verrassende ontdekking. Twee jonge katten hadden zich rond en over de baby heen gelegd, alsof ze hem wilden warm houden. ‘Zonder de ongelooflijk heldhaftige daad van naastenliefde van deze twee poesjes had de baby het nooit overleefd,’ zei Foster. ‘Ze hebben zijn leven gered.’
De zoektocht naar de moeder werd onmiddellijk gestart. De politie tast in het duister wat haar identiteit betreft. Voorlopig blijft de boreling nog een tijdje in het ziekenhuis. De katten, die eerst niet van de zijde van de baby wilden wijken, hebben intussen een thuis gekregen bij agent Foster. ‘Mijn dochter is dolgelukkig met haar nieuwe huisgenoten,’ was de commentaar van de plaatselijke agent.


 
 
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen