zondag 8 januari 2017

Mythbuster

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')
 

Steven kon al de hele dag niet het gevoel afschudden dat hij iets vergeten was. Ergens diep in zijn darmen werd hij een doffe pijn gewaar die erop wees dat er ook vandaag wel eens iets mis kon gaan. Er was de laatste weken al zoveel fout gelopen. Hij was twee maanden geleden vertrokken vanuit het Adivinanza Research Center langs de Rio Tambopata en zwierf intussen rond in de jungle en op de bergtoppen van het Parque Nacional Bahuaja Sonene. Hij was niet eens zeker of hij nog in Peru was of intussen al de grens met Bolivia had overgestoken. Zijn dragers hadden hem twee weken geleden in de steek gelaten, en hij moest nu overleven op zijn instinct en het weinige dat hij in zijn rugzak kon dragen. 
 
Zijn collega’s hadden hem uitgelachen toen hij aankondigde dat hij op zoek ging naar de mythische Megascops funereus nocturna, de witte doodskopuil die menig Zuid-Amerikaanse legende en nachtmerrie bewoonde omwille van de onherroepelijke aankondiging van de dood die elke ontmoeting met de vogel met zich meebracht. Maar Professor Doctor Steven Berenbroeckx was bereid zijn carrière en professionele geloofwaardigheid op het spel te zetten om deze mythe voor eens en altijd te ontkrachten. Hij was er zeker van dat de witte doodskopuil echt bestond, dat de hele belachelijke heisa, die intussen al honderden jaren aansleepte, gewoon fictie was.
 
Eigenlijk was hij uitgeput. Hij had enkele dagen geleden zijn laatste reserve aan voedsel aangesproken. Vanaf morgen zou hij moeten overleven op wat hij in het oerwoud vond. Om eerlijk te zijn was Steven de wanhoop nabij. Hij had zweren op zijn hele lichaam en was zeker al tien kilogram afgevallen. Aan zijn linkervoet had hij een wonde die niet wilde genezen, en intussen een okerkleurige etter uitscheidde die stonk en hem bang maakte. Hij hield zichzelf tijdens de staptochten in leven door te dromen van de internationale erkenning die hij zou krijgen eens zijn foto’s van de Megascops funereus nocturna gepubliceerd waren in alle vaktijdschriften en op de voorpagina’s van alle kranten. Een uiltje van om en bij de dertig centimeter zou zijn leven voor altijd veranderen. Misschien zou Antoon hem dan eindelijk terug willen. 
 
Steven wist dat het nu of nooit was. Als hij vandaag de grotten niet kon bereiken die het stamhoofd hem had aangewezen als mogelijke schuilplaats van de doodskopuil, zou hij moeten terugkeren naar de bewoonde wereld. Vanochtend, toen hij naast zijn uitgedoofde kampvuurtje wakker werd, had hij ontbeten met wat noten en zijn laatste stukje gedroogd fruit. Daarna had hij zijn rugzak leeggemaakt, vastgesteld dat er naast zijn fototoestel, de intussen nutteloze satelliettelefoon, zijn notitiemateriaal en wat verkruimelde pillen niets nuttigs meer in te vinden was. Met een gevoel van wanhoop had hij alles terug ingepakt en was vertrokken. 
 
Hij haalde zijn handpalmen open aan de rotsen, die hij met moeite kon beklimmen. Zijn voeten leken niet op de grond te willen blijven. Steven voelde zich zo licht dat hij het gevoel had op te stijgen. Alsof hij op de maan wandelde. Kwam dit door de ijle lucht? Zou het zuurstofgebrek hem parten spelen? Plots zag hij een beweging in de uiterste hoek van zijn gezichtsveld. Wat was dat? Steven draaide zijn hoofd zo snel om dat hij duizelig werd en bijna zijn evenwicht verloor. In het afnemende licht dacht hij iets wits te hebben zien. Het kon net zozeer een ander dier zijn, maar aan het bonzen van zijn hart voelde Steven dat hij eindelijk gevonden had waarvoor hij gekomen was. Een warme energie stroomde door zijn lichaam. Hij voelde zich plots wakker. Zo wakker en sterk had hij zich in geen jaren meer gevoeld. Kon Antoon hem nu maar zien. Hij zou zwijmelen van bewondering en liefde. Steven hurkte, zette zijn rugzak voorzichtig neer op de grond en wachtte. Ging de Megascops funereus nocturna zich eindelijk prijsgeven aan de wereld? Steven hield zijn adem in. Hij kroop tot op de rand van de richel waar hij de beweging had gezien. Daar zat hij, op een uitstekende tak. Hemel, wat was hij prachtig. Niet duister of duivels, zoals Steven verwacht had, maar parelwit. Hij leek wel een kleine engel. De witte doodskopuil was zich niet van Stevens aanwezigheid bewust. Of toch? Steven besefte plots dat hij snel moest zijn. Zonder een geluid te maken, graaide hij naar zijn rugzak. Hij trok hem voorzichtig open en stak zijn hand erin om zijn fototoestel te pakken. Hij moest zich haasten, want het werd snel donker. Als hij foto’s wilde maken zonder de flits te gebruiken, moest hij het nu onmiddellijk doen. Anders zou de vogel schrikken en wegvliegen. Hij tastte rond in de rugzak. Waar was dat stomme ding? Zijn adem stokte. Opeens werd hij opnieuw die doffe pijn in zijn darmen gewaar, het gevoel waarmee hij al de hele dag had rondgelopen. Net op dat moment flitste het beeld door zijn hoofd van het fototoestel dat naast zijn slaapzak op een platte steen lag. O fuck, zeg dat het niet waar is! Nee, nee, dit kon niet waar zijn. Hoe moest hij zonder fototoestel bewijzen dat hij de uil gevonden had? Hoe?  
 
Steven draaide zich om en keek naar de uil, die hem nu recht aankeek. Een elektrische schok ging door zijn lichaam. De doodskopuil hield hem gevangen met een demonische blik. Steven kon enkel terug staren, betoverd door het diepe gevoel van angst dat langzaam in hem groeide. Dit was geen witte engel, wist hij opeens, dit was de engel des doods. De uil knikte een paar keer veelbetekenend, sloeg zijn vleugels uit en steeg op. Met een paar korte vleugelslagen vloog hij recht op Stevens gezicht af, klauwen vooruit, en maakte een kort krijsend geluid dat door merg en been ging. Vol afschuw probeerde hij de vogel van zich af te slaan, maar het dier kwam terug en terug. Te laat besefte Steven dat hij te kort bij de richel stond, en hij voelde hoe zijn voet van de rand afschoof. In slow motion molenwiekte hij met zijn armen, in een hopeloze poging zijn evenwicht te hervinden. Terwijl hij achterover in de diepte viel, en de doodskopuil terug op zijn tak landde, besliste Steven tijdens de laatste seconden van zijn leven dat sommige mythes misschien beter niet ontkracht worden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen