donderdag 5 januari 2017

Oerbos


(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')
 
 
Na weken zoeken had hij de boom eindelijk gevonden. Op deze plek was alles een jaar geleden begonnen. Waarom hier, wist hij niet. Waarom hier? Waarom met hem? Er waren zoveel vragen. Als hij er ooit wilde achter komen wat hem overkomen was, dan was dit de juiste plaats om naar antwoorden te zoeken.
 
De boom was op een jaar tijd flink gegroeid, nog groter geworden dan hij al was. Hoe deze Perzische slaapboom in het midden van een beukenbos terechtgekomen was, was Friso een raadsel. Hij kon alleen maar veronderstellen dat iemand hem hier geplant had. Hij stond in het midden van een grote open plek, en het leek wel alsof de andere bomen uit eerbied op afstand waren gebleven, om deze kanjer het nodige zonlicht te geven om te overleven. De boom stond in volle bloei en was indrukwekkend om naar te kijken met zijn schitterende pracht van zijdezachte, roze pluisbloemen. In een tuin kon een tropische Albizia Julibrissin nooit zo groot worden, had Friso gelezen, maar hier was hij goed op weg om een reus te worden. 
 
Friso dacht terug aan zijn eerste ontmoeting met de boom. Er leidde geen enkel pad in deze richting. Enkel het toeval had hem hierheen gebracht. Als eenzaat en geboren avonturier was hij tijdens een hike door dit oerbos in Slowakije als bij wonder op deze plek terechtgekomen, en had drie nachten onder de boom gekampeerd, betoverd door zijn kracht en energie. De voorhistorische beukenbossen van de Karpaten oefenden een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uit, en deze trektocht doorheen het centrale deel van het Vihorlatgebergte was voor hem een ongeëvenaard hoogtepunt geweest. 
 
Hij merkte de eerste kleine verandering al de tweede dag op. Eerst was hij niet zeker en dacht hij dat het een soort omgekeerd déjà vu was, maar toen het daags nadien opnieuw gebeurde en de dag daarna nog een keer, begon stilaan het besef te groeien dat het geen toeval was. De eerste keer had hij zijn oploskoffie gemorst op het boek van Hemmingway dat hij in de zon zat te lezen. Althans dat dacht hij. Want toen hij wilde recht springen om de boel op te kuisen, bleek zijn tas gewoon naast hem op de grond te staan, met de dampende koffie erin. De tweede keer gebeurde het toen hij hout sprokkelde voor zijn kampvuur en hij het vel van zijn hand openhaalde aan een scherpe tak. Maar zijn hand bleek bij nader inzien helemaal niet beschadigd te zijn, zelfs niet met het kleinste schrammetje. De derde keer schrok hij helemaal, toen hij ’s ochtends wakker werd bij het schemerlicht van de dagenraad, en er vijf meter van hem vandaan, op de grens van de open plek met het donkere beukenbos, een wolf naar hem stond te kijken met gespitste oren en aandachtige, hongerige ogen. De wolf zette zich in beweging en Friso voelde een flits van paniek, die hem even deed wegkijken. Toen hij weer opkeek was de wolf verdwenen. 
 
Hij was al terug thuis van zijn reis toen hij besliste een lijst bij te houden van de eigenaardige dingen die nu met de regelmaat van de klok leken te gebeuren. Niet elke dag meer, zoals die eerste drie dagen, maar toch vaak genoeg om te bevestigen dat het niet om toeval ging. Naarmate de lijst langer werd, begreep Friso dat het telkens om ongelukken ging, kleine of grote calamiteiten die hem eerst overkwamen, maar die naderhand toch niet echt gebeurd bleken te zijn. Het leek wel alsof hem niks slechts meer kon overkomen. En als het dat wel deed, werd het kwaad onmiddellijk weer uitgeveegd. Hij mocht vallen of zijn been breken of ergens met zijn hoofd tegenaan lopen, en de pijn was dan heel even zeer intens, enkele seconden later was het ongeval verdwenen, samen met alle lichamelijke gevolgen. De herinnering van het onheil bleef wel hangen, alleen was er in de werkelijke wereld geen spoor meer van te vinden.
 
De avonturier in Friso begon zich al snel af te vragen of het alleen met ongevallen werkte, of ook met verwondingen die hij zichzelf opzettelijk toebracht. Hij besliste klein te beginnen, nam tijdens een wandeling zijn zakmes tevoorschijn en maakte een kleine inkerving in zijn arm. Hij keek hoe het bloed uit de wonde sijpelde. Het liep in een straaltje langs zijn arm naar beneden en een dikke druppel viel op de grond. Friso wachtte, en naarmate de seconden voorbij tikten, wist hij dat er niets ging gebeuren. Hij drukte zijn zakdoek tegen de wonde en vloekte binnensmonds. Wat had hij gedacht? Dat hij Superman geworden was?
 
Toch wilde hij de gedachte niet meteen opgeven. Hij had een verborgen gevoel, iets waar hij zijn vinger niet kon opleggen, dat hem influisterde dat er toch een manier was waarop hij de reset, zoals hij het intussen was gaan noemen, zelf kon veroorzaken. Het duurde twee maanden voor hij het mechanisme kon ontrafelen. Zijn armen en benen stonden intussen vol kleine inkepingen, maar hij kon zijn verwondingen gemakkelijk onder lange mouwen en een jeans verbergen. De doorbraak kwam er toen hij op het moment van een insnijding per ongeluk aan de Perzische slaapboom dacht, en in minder dan geen tijd was de nieuwe snede verdwenen. Nee, niet verdwenen, de snede was er nooit geweest. Friso was buiten zichzelf van vreugde en opwinding. Hij herhaalde het experiment en opnieuw lukte het om op de reset-knop te drukken. Daarna voerde hij grotere experimenten uit, legde zijn hand in het vuur, sprong uit het raam van de eerste verdieping, wat hij ook deed, één enkele gedachte aan zijn ontmoeting met de Perzische slaapboom maakte alle pijn en verwondingen op slag ongedaan.
 
Friso voelde zich onsterfelijk. Tijdens het klimmen en hiken, raften en mountainbiken nam hij ongekende risico’s. Hij verlegde zijn persoonlijke grenzen tot ver buiten zijn natuurlijke kunnen en hij genoot van elk moment. Hij beleefde de meest fantastische maanden van zijn leven. Het was in de Gran Canyon, op de dag van zijn vierentwintigste verjaardag, dat zijn geluk uiteindelijk ophield. Tijdens een glijvlucht in een vleugelpak maakte hij bij het navigeren tussen twee hoge pieken een zware inschattingsfout en smakte aan hoge snelheid tegen de rotswand. Toen hij twee weken later uit zijn coma ontwaakte in een ziekenhuis in Flagstaff, met een hoofd- en nekletsel en een gebroken linkerschouder, ging zijn eerste gedachte naar de boom in het beukenbos, ook al voelde hij onmiddellijk dat de kans voor een reset al lang verkeken was. Hij werd boos. Hij vond het ronduit belachelijk dat hij hier nog dagen-, misschien zelfs wekenlang in dit ziekenhuisbed moest liggen, gewoon omdat hij tijdens de val het bewustzijn had verloren.
 
Maar het duurde niet lang voor Friso merkte dat het verlies van bewustzijn er voor niets tussen zat. De schok kwam er toen hij voor de eerste keer uit het ziekenhuisbed mocht rechtstaan en hij zijn teen stootte tegen een stoel. Het beeld van de boom flitste automatisch door zijn hoofd, maar hij bleef de pijn voelen.
 
Het was voorbij. Zijn geluk was op, zo leek het wel. Het kostte hem ongelooflijk veel moeite om voorzichtig te zijn, want hij besefte nu pas dat hij roekeloos en arrogant geworden was, dat hij alle respect voor zijn eigen lichaam verloren had. Nee, nee, nee, dit kon niet waar zijn. Dit kon hij niet zomaar laten gebeuren. Hij moest terug naar de boom. Hij moest terug naar de plaats waar het allemaal begon. Hij moest zijn geluk daar opnieuw gaan afdwingen.
 
Hij legde zijn handen tegen de stam van de Perzische slaapboom en brulde: ‘Geef mij mijn krachten terug!’ Het was al de vijfde dag van zijn terugkeer, maar er was nog niks veranderd. Hij was kwetsbaar en hij haatte het. Hij kon niet meer eten of slapen, hij werd moedeloos en uitgeput. Een week later lag hij slap en verslagen op de grond. Waarom voelde hij zoveel verlies, terwijl hij een jaar geleden de gelukkigste man van de wereld was? Tranen liepen over zijn wangen. De uitputting bracht hem in een delirium en hij zweefde op de grens van het bewustzijn. Was dat een wolf die tussen de bomen tevoorschijn kwam? Friso probeerde te focussen op het dier, maar zijn zicht was wazig. De wolf kwam dichterbij, snuffelde aan zijn kleren, likte zijn gezicht, en ging naast hem zitten. In plaats van angst voelde Friso geruststelling. Hij voelde zich warm en veilig in het bijzijn van dit machtige dier, en hij viel in een diepe, bedwelmende slaap die hem meevoerde naar een droom. In die droom was hij niet meer in het oerbos in de Karpaten, maar in het Perzië van ver vervlogen tijden. De geur van wierrook vulde de lucht. Friso zat in het midden van een ronde kamer en tegenover hem zat een magiër, een wijze man die tegen hem begon te spreken. Eerst kon Friso de geluiden niet horen, maar naarmate hij zich harder concentreerde, werden de klanken woorden die hij kon begrijpen.
‘Het was een geschenk,’ zei de magiër, ‘dat slechts gegeven wordt aan zij die de boom kunnen zien. Menig mens is langs deze open plek gepasseerd, maar weinigen werden waardig bevonden. Jij was waardig, dus ontving je de gave. De gave van het eeuwige leven.’
Friso wist dat hij droomde. Of gebeurde dit echt?
‘Ik heb geen gave meer,’ fluisterde hij met de weinige krachten die hem restten, ‘maar ik wil ze terug.’
De magiër lachte.
‘Dat geloof ik, beste Friso, maar zo werkt het niet. De gave van het eeuwige leven wordt je maar één keer gegeven. Jij misbruikte ze. Jij wilde zelf beslissen, jij wilde je eigen schepper zijn. Helaas is de bron leeg voor jou. Je geluk is opgebruikt.’
Friso huiverde. Hij begreep dat hij hoogmoedig geweest was, en dat hij nu zonder dit geschenk door het leven moest. Hij werd overmand door een zware droefheid, maar terwijl hij eerst nog van plan was geweest zich op de magiër te storten, voelde hij plots hoe het verdriet uit zijn hart begon weg te sijpelen.
 
Hij werd wakker toen het heldere zonlicht op zijn gezicht scheen. Hij moest ingedommeld zijn. Het boek van Hemmingway lag open op zijn schoot en de oploskoffie in zijn beker was koud geworden. Hoe lang had hij geslapen? Hij zat in het gras in het midden van een lege open plek in een prachtig oerbos in de Karpaten. Friso voelde zich de koning te rijk. Hij was drieëntwintig, en gezond van lijf en leden. Een leven boordevol avontuur spreidde zich voor hem uit als een kleurrijk Perzisch tapijt.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen