zondag 1 januari 2017

Onoverwinnelijk

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')


Met gebogen hoofd stond ze voor zijn graf. Haar gedachten dwaalden af naar dat moment, bovenop de berg, toen hij vlak achter haar stond, zijn armen om haar heen geslagen, terwijl hij in haar oor fluisterde dat hij haar voor altijd graag zou zien. Hij meende het, en zij geloofde hem. Ze had zich tegen zijn warme lichaam genesteld, leunde tegen hem achterover met een diep gevoel van geluk en vertrouwen. Het landschap was adembenemend. De klim naar de top had het uiterste van haar gevergd en haar benen trilden nog na van de inspanning, maar het was elke moeilijke stap waard geweest. Nu begreep ze eindelijk waarom deze plek zo belangrijk voor hem was. Waarom hij zich hier onoverwinnelijk voelde.
 
‘Ik wil je iets laten zien,’ waren de eerste woorden die hij tegen haar sprak. Eerst vond ze hem arrogant, omdat hij er zomaar vanuit ging dat hij iets te tonen had dat zij wilde zien.
'Je bent gek,’ zei ze, en meende het. Ze kende hem niet. Hij was vanuit het niets naast haar komen zitten en nu zag het ernaar uit dat dit een echt gesprek ging worden.
‘Dank je’, lachte hij, ‘dat heb je goed gezien. Dit is de eerste keer dat iemand het zo snel opmerkt.’
Nu lachte zij ook. Onopzettelijk. Zo ontwapenend was hij.
 
Zijn grafsteen was eenvoudig. Zoals zij het wilde. Voor hem had het frivoler gemogen, vrolijker, maar op het einde begreep hij dat zij degene was die er elke dag moest naar kijken. Hij had er zich bij neergelegd. Zoals hij zich had neergelegd bij het feit dat het daar bovenop die berg de ene en enige keer zou zijn dat ze samen naar het landschap keken. Alleen wist zij het toen nog niet. Ze nam het hem nog steeds kwalijk. Dat hij het haar daar niet had verteld, daar bovenop zijn berg. Dat hij gewacht had tot ze terug beneden waren.

Ze lag naast hem in zijn rommelige bed, naakt tussen lakens die roken naar andere vrouwen. De warmte die hij opgewekt had, zinderde nog na in haar lichaam. Met een lange, magere wijsvinger volgde hij op haar huid de contouren van de liefde die ze samen uitgevonden hadden.
'Je bent mooi,’ zei hij. ‘Wil je voor altijd bij mij blijven?’
'Ja,’ was haar voorzichtige antwoord.

Tijdens de rit naar huis was de tijd plots trager beginnen lopen. De tijd die ze nooit samen zouden hebben en waarover hij gelogen had. Elke seconde duurde eeuwen. Dat hij doodging, wist hij al lang, maar dat hij het in haar armen wilde doen, wist hij pas toen hij haar voor het eerst zag. Ze voelde zich bedrogen. Nog geen jaar had hun liefde bestaan en nu al was zij met uitsterven bedreigd. Dat hij een klootzak was, slingerde ze hem naar het hoofd, omdat hij haar geen keuze had gegeven. Dat ze hem haar hart niet zou geschonken hebben. Nooit! Een rationeel mens gaat niet in zee met een stervende.

Ze hield hem stevig vast, schermde zijn tengere lichaam af met het hare, bedwong met haar wanhopige blik de ongenadige Dood, die zijn tred vertraagde en even wachtte in een hoek van de kamer.
'Ik moet je laten gaan, liefste,’ fluisterde ze in zijn oor, ‘maar ik zal je voor altijd graag zien.’
Ze meende het, en hij geloofde haar.    




  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen