zaterdag 14 januari 2017

Wat als... nog niet alles uitgevonden was?

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')


‘Dit wordt de meest gigantische uitvinding van de 21e eeuw! We worden schatrijk, Carl ouwe jongen.’ Professor James Rootledge, zonder twijfel een van de grootste wetenschappers van zijn generatie, leunde voldaan achterover in zijn zetel en liet de ijsblokjes in zijn whiskyglas rinkelen. De man tegen wie hij praatte, was zijn weldoener en boezemvriend Carl Epsteinn, kleinzoon en enige erfgenaam van het Epsteinn Imperium, een Amerikaans conglomeraat met zoveel macht en geld dat zelfs het vermogen van president-elect Donald Trump erbij verbleekte. 
Epsteinn lachte luid. Grapjes over geld amuseerde hem altijd, zeker wanneer ze door Rooty werden gemaakt, die toen ze elkaar leerden kennen met een beurs in Oxford studeerde en moest overleven op een karig studentenbudget. De twee mannen waren complete tegenpolen en werden onafscheidelijk. Zelfs nu, bijna dertig jaar later, financierde Epsteinn het onderzoekswerk van Rootledge, die dankzij een aanzienlijke donatie aan Princeton University door het Epsteinn Science Advancement Fund, een leerstoel voor het leven had gekregen in de Department of Chemistry.
 
‘Leg me nog eens uit wat je nieuwe uitvinding precies is, Rooty.’ Epsteinn mocht dan wel een economisch genie zijn, van scheikunde had hij geen pap gegeten. Nu ja, een economisch genie was hij eigenlijk ook niet. Aan het hoofd staan van een imperium was niet zo moeilijk als het leek. De grootste beslissingen die hij op jaarbasis moest nemen was welke nieuwe helikopter hij ging kopen, en wie hem mocht vergezellen op zijn jacht in Saint Barts of bij het skiën in Aspen.
‘De lange of de korte uitleg?’ vroeg Rootledge. ‘En vul mijn glas nog eens bij.’
‘Doe maar de korte en hou het simpel.’ Hij wandelde naar de bar en vulde het glas van zijn vriend bij. Zelf dronk hij geen whisky. Zeker niet on the rocks. Hij hield het liever bij gin en tonic zonder ijs.
‘We hebben in mijn lab het meest fenomenale genotsproduct aller tijden ontwikkeld. Het is gewoon ongelooflijk. Ik ben als bij mirakel op het idee gestoten, maar het heeft wel een tweetal jaren zwaar werk gevergd om het op punt te zetten. We brengen namelijk een cocktail van chemische stoffen bij elkaar die nog nooit in combinatie met elkaar gebruikt zijn tot nu toe. Moet ik er een paar uitleggen?’
‘Doe maar. Dan weet ik eindelijk waar mijn dollars naartoe zijn gegaan.’
‘Om te beginnen is er acetonitril, een organische verbinding die als oplosmiddel gebruikt wordt in insecticiden. Dan is er acroleïne, een actieve stof die in industriële processen gebruikt wordt voor de productie van biociden.’
‘Wat zijn dat ook alweer?’
‘Daar kan je organismen mee doden.’
‘Juist ja. Ga door.’
‘Ammoniak ken je natuurlijk. Benzeen waarschijnlijk ook.’
Carl knikte. Hij vond het nu al gevaarlijk klinken.
‘Een genotsmiddel, zei je? Ben je daar wel zeker van?’ Hij grijnsde. ‘Ga door.’ 
‘Verder zit er ook fenol in. Toxisch uiteraard, maar we gebruiken kleine hoeveelheden. Ook formaldehyde kan irritaties van ogen, keel, neus en longen veroorzaken, maar wanneer de gebruikers niet te lang blootgesteld worden, zal het wel geen kwaad kunnen. Er zal onvermijdelijk koolmonoxide vrijkomen bij het gebruik, maar dat is kleur- en reukloos, dus dat zal wel geen problemen opleveren. Ook het methaanzuur dat vrijkomt zullen we wel kunnen verbergen. Het is een sterk irriterende stof, maar we weten er wel weg mee. We steken er ook methanol in, dat in feite een brandalcohol is die gebruikt wordt bij de fabricatie van antivries en harsen en zo, maar aangezien we het combineren met het ontsmettingsmiddel propionaldehyde reduceren we de gevaren tot een minimum. Tenzij bij herhaaldelijk gebruik natuurlijk.’
‘Briljant, Rooty. Wat nog meer?’
 
Vóór Rootledge kon antwoorden werd er op de deur geklopt. Een ober kwam binnen, gevolgd door drie diensters, die de lunch serveerden aan het raam met zicht op Manhattan. Het penthouse van de Epsteinn Imperial Building was een toonbeeld van stijl en elegantie. Je kon Epsteinn veel verwijten, maar slechte smaak hoorde daar niet bij. Hij vond zichzelf een behoorlijk gecultiveerde man en daar was hij fier op. De curry met kreeft en truffel was heerlijk. Een lichte, geraffineerde maaltijd.
 
‘En wat gaan we eigenlijk precies doen met al deze chemische stoffen?’ vroeg Epsteinn terwijl hij zijn mondhoeken afveegde met zijn servet.
‘We gaan ze mengen met de gedroogde bladeren van een plant die drie jaar geleden aan de monding van de Amazone ontdekt werd. Het heeft de meest ongelooflijke medische toepassingen. We zouden er allerlei ziekten mee kunnen genezen, maar we hebben die piste een tijdje geleden verlaten omdat we tot de conclusie kwamen dat de richting die we nu uitwillen tot veel lucratievere resultaten zal leiden. We hebben een product ontwikkeld dat wereldwijd honderdduizenden jobs zal creëren, dat de wereldeconomie zal veranderen, dat tot een van de meest invloedrijke industrieën aller tijden zal leiden en dat astronomische winsten gaat genereren. En jij, mijn beste Carl, zal de geschiedenis ingaan als de man die deze uitvinding aan de wereld geschonken heeft.’
Epsteinns bulderlach vulde de kamer. ‘Je bent altijd al een dromer geweest, Rooty. Ik ga ervan uit dat jij volgend jaar denkt de nobelprijs te krijgen voor je uitvinding.’
‘Ach, beste vriend, dat kan jij toch regelen.’ De twee vrienden proestten het uit.
‘Maar ik denk dat je nog niet klaar was met je verhaal.’ Epsteinn vulde de wijnglazen bij.
‘Nee, dat klopt,’ zei Rootledge. ‘Er zal nog een en ander bij komen kijken om de goedkeuring te krijgen van de Food and Drug Administration. Je weet hoe ze daar kunnen dwarsliggen over de kleinste prul. Ook daar zal je wat dollars onder tafel moeten schuiven.’
‘Niets dat een plezierreisje naar Bora Bora niet kan regelen. Lig jij van die details maar niet wakker, professor. Vertel me eerst wat er verder nog op de lijst van chemische stoffen staat.’
‘Hoe goed sta je met The Donald, Carl? We gaan hem nodig hebben.’
‘Wat verzwijg je, James?’
Epsteinn noemde zijn vriend nooit bij zijn voornaam tenzij hij op zijn zenuwen begon te werken. Rootledge begreep meteen dat hij met de waarheid over de brug moest komen.
‘Er zijn nog een aantal gevaarlijke ingrediënten.’
‘En die ga je ook mengen met de gedroogde bladeren?’
‘Ja.’
‘En dan?’
‘Dan wordt alles in een smalle, papieren koker gerold.’
‘Een papieren koker? Je houdt me voor de gek, man. Ik heb al miljoenen dollars in jouw onderzoek  geïnvesteerd. Je weet dat ik je een fantastische kerel vind, maar ben je er zeker van dat dit een succes gaat worden?’
Rootledge legde zijn rechterhand op zijn hart.
'Ik ben er duizend procent zeker van.'
‘Vertel me dan alles. Wat moeten de mensen doen met die koker en wat zit er verder nog in?’
‘Je steekt de koker in je mond, houdt er een brandende lucifer tegen en zuigt.’
‘Zuigen?’ Epsteinn keek nu pas echt geschrokken. ‘En wat zuig je dan uit die koker?’
‘Rook. Je zuigt er rook uit, en die rook zuig je in je longen en dat geeft je een zalig, rustgevend gevoel. Eigenlijk hoest je je eerst te pletter, maar later geeft het een zalig gevoel.’
‘Echt? Heb je het zelf al geprobeerd?’
‘Ik? Ben je gek? Nee, natuurlijk niet. Dat zou veel te gevaarlijk zijn. Daar heb ik proefpersonen voor, natuurlijk. Er zit ook teer in, weet je. Dat bevat zo’n tweehonderd schadelijke, kankerverwekkende stoffen. En nicotine.’
Epsteinn keek bedenkelijk. ‘Nicotine? Wat is dat?’
‘Dat is het product dat ervoor zal zorgen dat de gebruikers verslaafd geraken aan de koker. Het begint al enkele seconden na het eerste gebruik te werken. Je begrijpt wel wat ik bedoel.’
Epsteinn nam een slok van zijn wijn. ‘Ik begrijp het volledig,’ zei hij. ‘We gaan heel wat belangrijke mensen moeten overtuigen, Rooty, maar met een zwendelaar als Trump in het Witte Huis krijgen we dat zeker voor mekaar. Het is maar geld dat we er tegenaan moeten gooien. We zullen het zien als een goede investering. Ik kijk nu al uit naar de gigantische reclamecampagnes die we gaan voeren, de prachtige leugen waarin we onze koker gaan verpakken om de mensen op het verkeerde been te zetten. Heerlijk!’
‘Ik stel voor, beste Carl, dat je ook wat geld steekt in het bouwen van nieuwe ziekenhuizen. De nood aan extra gezondheidszorg zal omhoogschieten, samen met de winst.’
‘Goed idee, beste kerel. Maar mag ik je nog één ding vragen?’
‘Natuurlijk, alles.’
‘Zoek een andere naam voor je uitvinding. Koker zie ik niet zitten. Het bekt niet lekker.’
‘Zeg maar wat jij er wil van maken,’ lachte Rootledge. ‘Jij betaalt uiteindelijk de rekening. Jij mag de baby een naam geven.’
Epsteinn dacht even na. ‘Wat dacht je van… sigaret?’
‘Hmmm, sigaret. Klinkt exotisch.’
‘En nog iets. Wat heb jij in december te doen?’
‘In december? Voorlopig nog niks.’ Rootledge keek zijn vriend onderzoekend aan. ‘Wat heb je in gedachten?’
‘Oh niks bijzonders,’ glimlachte Epsteinn. ‘Een reisje naar Oslo misschien.’
 
 
 

zondag 8 januari 2017

Mythbuster

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')
 

Steven kon al de hele dag niet het gevoel afschudden dat hij iets vergeten was. Ergens diep in zijn darmen werd hij een doffe pijn gewaar die erop wees dat er ook vandaag wel eens iets mis kon gaan. Er was de laatste weken al zoveel fout gelopen. Hij was twee maanden geleden vertrokken vanuit het Adivinanza Research Center langs de Rio Tambopata en zwierf intussen rond in de jungle en op de bergtoppen van het Parque Nacional Bahuaja Sonene. Hij was niet eens zeker of hij nog in Peru was of intussen al de grens met Bolivia had overgestoken. Zijn dragers hadden hem twee weken geleden in de steek gelaten, en hij moest nu overleven op zijn instinct en het weinige dat hij in zijn rugzak kon dragen. 
 
Zijn collega’s hadden hem uitgelachen toen hij aankondigde dat hij op zoek ging naar de mythische Megascops funereus nocturna, de witte doodskopuil die menig Zuid-Amerikaanse legende en nachtmerrie bewoonde omwille van de onherroepelijke aankondiging van de dood die elke ontmoeting met de vogel met zich meebracht. Maar Professor Doctor Steven Berenbroeckx was bereid zijn carrière en professionele geloofwaardigheid op het spel te zetten om deze mythe voor eens en altijd te ontkrachten. Hij was er zeker van dat de witte doodskopuil echt bestond, dat de hele belachelijke heisa, die intussen al honderden jaren aansleepte, gewoon fictie was.
 
Eigenlijk was hij uitgeput. Hij had enkele dagen geleden zijn laatste reserve aan voedsel aangesproken. Vanaf morgen zou hij moeten overleven op wat hij in het oerwoud vond. Om eerlijk te zijn was Steven de wanhoop nabij. Hij had zweren op zijn hele lichaam en was zeker al tien kilogram afgevallen. Aan zijn linkervoet had hij een wonde die niet wilde genezen, en intussen een okerkleurige etter uitscheidde die stonk en hem bang maakte. Hij hield zichzelf tijdens de staptochten in leven door te dromen van de internationale erkenning die hij zou krijgen eens zijn foto’s van de Megascops funereus nocturna gepubliceerd waren in alle vaktijdschriften en op de voorpagina’s van alle kranten. Een uiltje van om en bij de dertig centimeter zou zijn leven voor altijd veranderen. Misschien zou Antoon hem dan eindelijk terug willen. 
 
Steven wist dat het nu of nooit was. Als hij vandaag de grotten niet kon bereiken die het stamhoofd hem had aangewezen als mogelijke schuilplaats van de doodskopuil, zou hij moeten terugkeren naar de bewoonde wereld. Vanochtend, toen hij naast zijn uitgedoofde kampvuurtje wakker werd, had hij ontbeten met wat noten en zijn laatste stukje gedroogd fruit. Daarna had hij zijn rugzak leeggemaakt, vastgesteld dat er naast zijn fototoestel, de intussen nutteloze satelliettelefoon, zijn notitiemateriaal en wat verkruimelde pillen niets nuttigs meer in te vinden was. Met een gevoel van wanhoop had hij alles terug ingepakt en was vertrokken. 
 
Hij haalde zijn handpalmen open aan de rotsen, die hij met moeite kon beklimmen. Zijn voeten leken niet op de grond te willen blijven. Steven voelde zich zo licht dat hij het gevoel had op te stijgen. Alsof hij op de maan wandelde. Kwam dit door de ijle lucht? Zou het zuurstofgebrek hem parten spelen? Plots zag hij een beweging in de uiterste hoek van zijn gezichtsveld. Wat was dat? Steven draaide zijn hoofd zo snel om dat hij duizelig werd en bijna zijn evenwicht verloor. In het afnemende licht dacht hij iets wits te hebben zien. Het kon net zozeer een ander dier zijn, maar aan het bonzen van zijn hart voelde Steven dat hij eindelijk gevonden had waarvoor hij gekomen was. Een warme energie stroomde door zijn lichaam. Hij voelde zich plots wakker. Zo wakker en sterk had hij zich in geen jaren meer gevoeld. Kon Antoon hem nu maar zien. Hij zou zwijmelen van bewondering en liefde. Steven hurkte, zette zijn rugzak voorzichtig neer op de grond en wachtte. Ging de Megascops funereus nocturna zich eindelijk prijsgeven aan de wereld? Steven hield zijn adem in. Hij kroop tot op de rand van de richel waar hij de beweging had gezien. Daar zat hij, op een uitstekende tak. Hemel, wat was hij prachtig. Niet duister of duivels, zoals Steven verwacht had, maar parelwit. Hij leek wel een kleine engel. De witte doodskopuil was zich niet van Stevens aanwezigheid bewust. Of toch? Steven besefte plots dat hij snel moest zijn. Zonder een geluid te maken, graaide hij naar zijn rugzak. Hij trok hem voorzichtig open en stak zijn hand erin om zijn fototoestel te pakken. Hij moest zich haasten, want het werd snel donker. Als hij foto’s wilde maken zonder de flits te gebruiken, moest hij het nu onmiddellijk doen. Anders zou de vogel schrikken en wegvliegen. Hij tastte rond in de rugzak. Waar was dat stomme ding? Zijn adem stokte. Opeens werd hij opnieuw die doffe pijn in zijn darmen gewaar, het gevoel waarmee hij al de hele dag had rondgelopen. Net op dat moment flitste het beeld door zijn hoofd van het fototoestel dat naast zijn slaapzak op een platte steen lag. O fuck, zeg dat het niet waar is! Nee, nee, dit kon niet waar zijn. Hoe moest hij zonder fototoestel bewijzen dat hij de uil gevonden had? Hoe?  
 
Steven draaide zich om en keek naar de uil, die hem nu recht aankeek. Een elektrische schok ging door zijn lichaam. De doodskopuil hield hem gevangen met een demonische blik. Steven kon enkel terug staren, betoverd door het diepe gevoel van angst dat langzaam in hem groeide. Dit was geen witte engel, wist hij opeens, dit was de engel des doods. De uil knikte een paar keer veelbetekenend, sloeg zijn vleugels uit en steeg op. Met een paar korte vleugelslagen vloog hij recht op Stevens gezicht af, klauwen vooruit, en maakte een kort krijsend geluid dat door merg en been ging. Vol afschuw probeerde hij de vogel van zich af te slaan, maar het dier kwam terug en terug. Te laat besefte Steven dat hij te kort bij de richel stond, en hij voelde hoe zijn voet van de rand afschoof. In slow motion molenwiekte hij met zijn armen, in een hopeloze poging zijn evenwicht te hervinden. Terwijl hij achterover in de diepte viel, en de doodskopuil terug op zijn tak landde, besliste Steven tijdens de laatste seconden van zijn leven dat sommige mythes misschien beter niet ontkracht worden.

vrijdag 6 januari 2017

Menselijkerwijze

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')

An English Country Lane - John McCartin
Al een kwartier probeerde ze haar hartslag onder controle te krijgen, starend naar het wezen dat daar stil op de natte blaren lag. Het had een grotesk eivormig hoofd dat veel te groot leek voor het kleine, misvormde lijf, een slijmerig, haarloos vel, vier aanhangsels die niet volgroeid leken en een bloederige staart. Of het dood was of leefde, had Abby nog niet kunnen vaststellen. Niet omdat ze dom was - ze mocht dan wel klein zijn, dom was ze allerminst - maar wel omdat ze het wezen de eerste vijftien minuten nauwelijks had durven aankijken. Nu begon het zicht stilaan te wennen, en ze nam enkele voorzichtige stappen dichterbij. Wat was dit vieze ding? Ze stond op het punt het een por te geven, toen Tom uit de struiken tevoorschijn sprong en keihard brulde: ‘Sam, ik heb haar gevonden! Nu is het jouw beurt om te tellen.’ Daarna slaakte hij een ijzige kreet en deinsde verschrikt achteruit. Hij botste tegen Sam, die ook het pad opgestormd kwam, struikelde en viel.  
‘Beikes, Abby, wat heb je nu opgehoest?’ probeerde Tom stoer te doen. Hij was altijd al de grapjas en bullebak van het gezelschap geweest, maar hij was in werkelijkheid niet half zo stoer als hij iedereen wilde laten geloven. Abby gaf hem een stevige stomp in zijn zij, en terwijl hij aww riep en over de pijnlijke plek wreef, kwam Sam naast hem staan. Als kleinste van de drieling, en ook de grootste huilebalk, begon hij uiteraard onmiddellijk te blèren. 
‘Hang niet de baby uit, Sam,’ zei Tom tegen zijn broer. Hij greep hem vast en draaide hem om met een ruk, om het wezen aan zijn zicht te onttrekken. Sam kalmeerde een beetje, maar hield niet op met huilen.
Tom boog zich voorover om een beter zicht te krijgen van het ding op de natte blaren. ‘Wat is het?’ vroeg hij aan Abby, die intussen volledig bekomen was van haar eerste schrik.
‘Geen idee,’ zei ze eerlijk, ‘maar ik denk dat het leeft, want het heeft kleine gaatjes in zijn kop en iets dat op een mond lijkt, en wanneer je goed kijkt, beweegt het lijfje op en neer. Alsof het ademt.’
 Tom keek aandachtig en zag nu ook de beweging.
‘We moeten vader roepen,’ zei hij, ‘die zal wel raad weten met dit lelijke ding.’
Hij keerde zich om en wilde het op een lopen zetten, maar Abby hield hem tegen.
‘Nee, Tom, niet doen! Als vader hier weet van krijgt, komen we er nooit achter wat het is. Hij gooit het arme ding meteen in de rivier om het te verdrinken.’
‘Arme ding? Arme ding? Dit is geen arm ding. Dit is een buitenaards wezen!’
'Nee, ezel, dit is geen buitenaards wezen. Dit is een dier dat wij niet kennen. Kijk naar die staart.’ Abby vond zichzelf veruit de slimste van de drie, ook al had moeder haar vaak terechtgewezen en gezegd dat ieder kind zijn eigen talenten heeft. Kan ik eraan doen, had Abby aan moeder gevraagd, dat slim zijn toevallig mijn talent is? Moeder had gelachen, maar Abby vroeg zich naderhand toch af of ze niet beter op haar tong had gebeten, want niet veel later vertelde vader hen dat moeder beslist had haar gezin in de steek te laten. Sprak hij wel de waarheid. Was het wel mogelijk voor een moeder om haar kinderen zomaar achter te laten?
‘Dus het is een dier omdat het een staart heeft?’ vroeg Tom verbaasd. Het klonk geloofwaardig, maar helemaal zeker was hij niet. Hij wachtte niet op een antwoord. ‘We moeten vader roepen,’ zei hij opnieuw, en dit keer meende hij het. Hij sprintte weg, om ervoor te zorgen dat Abby hem niet kon grijpen. Hij was veruit de snelste van de drie. 
 
Abby deed niet eens moeite om hem achterna te gaan. Ze keerde zich om, keek naar het wezentje en wist meteen dat er iets mis was. Het trilde heftig, leek het vreselijk koud te hebben en maakte piepende geluiden. De meest troosteloze, hopeloze piepende geluiden die Abby ooit al gehoord had. Zelfs Sam hield op met huilen en keerde zich naar het wezentje toe.
‘Hij gaat dood,’ zij hij met angstige ogen, ‘ik ben er zeker van. Moeten we hem niet helpen?’ Hij mocht dan wel een angsthaas zijn, Sams hart zat altijd op de juiste plaats. Vader zei dat hij een softie was, maar Abby bewonderde haar broer voor zijn medeleven en liefdevolle karakter.
‘Wat denk je dat we moeten doen?’ Abby keek hem vragend aan.
‘Hem warm houden misschien?’
‘Durf jij dat ding aanraken, Sam? Het ziet er zo vies uit.’
‘We hebben geen keuze, Abby. We kunnen hem toch niet aan zijn lot overlaten. Hij is ver van huis. Hij is bang en heeft het koud.’
Zonder er verder nog woorden aan vuil te maken, ging Sam naast het wezentje op de grond liggen, en vleide zich dicht tegen hem aan. ‘Doe jij maar hetzelfde, zus, langs de andere kant.’
Abby probeerde te gehoorzamen. Ze deed moeite om haar walging te overwinnen, maar als Sam dit durfde, dan zij ook. Het duurde niet lang voor het wezen stopte met trillen. Een paar minuten later hield ook het piepen op. Wat voelde ze zich nietig en machteloos. Maar wanneer ze naar haar broer keek, zwol haar hart van trots. 
‘Wat gaan we doen als vader hier aankomt?’ vroeg Abby. Ze keek diep in Sams ogen en hoorde zijn regelmatige, rustige ademhaling. Ze zag hoe hij nadacht, maar hij antwoordde niet. ‘We zijn te klein om dit ding op te heffen, Sam. We kunnen het niet in veiligheid brengen. We zijn gewoon te klein.’
Abby begon stilletjes te huilen, want ze hoorde in de verte Tom al roepen: ‘Hierlangs, pa! Dat monster ligt hier ergens.’
Tom barstte door de stuiken tevoorschijn, met vader in zijn kielzog. Abby zette zich schrap voor de klappen die zeker zouden volgen. Ze vreesde echt het ergste, maar ze wist dat als zij en Sam hun mannetje zouden staan, er misschien een heel minuscuul klein waterkansje was dat ze vader konden tegenhouden. 
‘Vader,’ riep ze, ‘laat me even uitleggen!’ maar haar woorden gingen verloren in het oorverdovende gebulder van een reusachtig voertuig dat plots vanuit het niets verscheen. Het raasde voorbij. Iedereen kromp ineen, en vader twijfelde, terwijl hij het gigantische stalen monster achterna keek en zag vertragen.
‘Maak dat jullie wegkomen,’ bromde hij, en zette het zelf op een lopen. Tom vluchtte samen met hem weg.
Abby keek naar Sam. Hij staarde haar aan met zijn warme, liefdevolle ogen en bleef het rare, onbekende en enge wezen stevig vasthouden, alsof het zijn eigen broertje was. Wat bewonderde ze hem. Hij gaf geen krimp. Ook niet toen ze een schrapend geluid hoorde en het voertuig met een schok tot stilstand kwam. Abby deed haar ogen dicht en begon te bidden. Ze ging samen met Sam dit wezentje beschermen, wat er ook gebeurde.

 

 
 
Achtergelaten boreling gevonden in houtkant
Vandaag -- 8:45 uur
 
WINCHMORE HILL  - Vanochtend, tijdens een routinepatrouille langs Horsemoor Lane, deed agent Foster van de lokale politie een ongelooflijke ontdekking. Foster vond aan de achterkant van Penn House Estate, daar waar de velden overgaan in het bos, een boreling. Het kind was nog maar een paar uren oud en werd achtergelaten aan de kant van de weg. De bloederige navelstreng, die nog aanwezig was, wijst erop dat de moeder het kind zonder hulp ter wereld bracht en op die plek aan zijn lot overliet. Het kind werd onmiddellijk overgebracht naar High Wycombe Hospital. Zijn toestand is stabiel.
Agent Foster deed nog een tweede, zeer verrassende ontdekking. Twee jonge katten hadden zich rond en over de baby heen gelegd, alsof ze hem wilden warm houden. ‘Zonder de ongelooflijk heldhaftige daad van naastenliefde van deze twee poesjes had de baby het nooit overleefd,’ zei Foster. ‘Ze hebben zijn leven gered.’
De zoektocht naar de moeder werd onmiddellijk gestart. De politie tast in het duister wat haar identiteit betreft. Voorlopig blijft de boreling nog een tijdje in het ziekenhuis. De katten, die eerst niet van de zijde van de baby wilden wijken, hebben intussen een thuis gekregen bij agent Foster. ‘Mijn dochter is dolgelukkig met haar nieuwe huisgenoten,’ was de commentaar van de plaatselijke agent.


 
 
 

donderdag 5 januari 2017

Oerbos


(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')
 
 
Na weken zoeken had hij de boom eindelijk gevonden. Op deze plek was alles een jaar geleden begonnen. Waarom hier, wist hij niet. Waarom hier? Waarom met hem? Er waren zoveel vragen. Als hij er ooit wilde achter komen wat hem overkomen was, dan was dit de juiste plaats om naar antwoorden te zoeken.
 
De boom was op een jaar tijd flink gegroeid, nog groter geworden dan hij al was. Hoe deze Perzische slaapboom in het midden van een beukenbos terechtgekomen was, was Friso een raadsel. Hij kon alleen maar veronderstellen dat iemand hem hier geplant had. Hij stond in het midden van een grote open plek, en het leek wel alsof de andere bomen uit eerbied op afstand waren gebleven, om deze kanjer het nodige zonlicht te geven om te overleven. De boom stond in volle bloei en was indrukwekkend om naar te kijken met zijn schitterende pracht van zijdezachte, roze pluisbloemen. In een tuin kon een tropische Albizia Julibrissin nooit zo groot worden, had Friso gelezen, maar hier was hij goed op weg om een reus te worden. 
 
Friso dacht terug aan zijn eerste ontmoeting met de boom. Er leidde geen enkel pad in deze richting. Enkel het toeval had hem hierheen gebracht. Als eenzaat en geboren avonturier was hij tijdens een hike door dit oerbos in Slowakije als bij wonder op deze plek terechtgekomen, en had drie nachten onder de boom gekampeerd, betoverd door zijn kracht en energie. De voorhistorische beukenbossen van de Karpaten oefenden een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uit, en deze trektocht doorheen het centrale deel van het Vihorlatgebergte was voor hem een ongeëvenaard hoogtepunt geweest. 
 
Hij merkte de eerste kleine verandering al de tweede dag op. Eerst was hij niet zeker en dacht hij dat het een soort omgekeerd déjà vu was, maar toen het daags nadien opnieuw gebeurde en de dag daarna nog een keer, begon stilaan het besef te groeien dat het geen toeval was. De eerste keer had hij zijn oploskoffie gemorst op het boek van Hemmingway dat hij in de zon zat te lezen. Althans dat dacht hij. Want toen hij wilde recht springen om de boel op te kuisen, bleek zijn tas gewoon naast hem op de grond te staan, met de dampende koffie erin. De tweede keer gebeurde het toen hij hout sprokkelde voor zijn kampvuur en hij het vel van zijn hand openhaalde aan een scherpe tak. Maar zijn hand bleek bij nader inzien helemaal niet beschadigd te zijn, zelfs niet met het kleinste schrammetje. De derde keer schrok hij helemaal, toen hij ’s ochtends wakker werd bij het schemerlicht van de dagenraad, en er vijf meter van hem vandaan, op de grens van de open plek met het donkere beukenbos, een wolf naar hem stond te kijken met gespitste oren en aandachtige, hongerige ogen. De wolf zette zich in beweging en Friso voelde een flits van paniek, die hem even deed wegkijken. Toen hij weer opkeek was de wolf verdwenen. 
 
Hij was al terug thuis van zijn reis toen hij besliste een lijst bij te houden van de eigenaardige dingen die nu met de regelmaat van de klok leken te gebeuren. Niet elke dag meer, zoals die eerste drie dagen, maar toch vaak genoeg om te bevestigen dat het niet om toeval ging. Naarmate de lijst langer werd, begreep Friso dat het telkens om ongelukken ging, kleine of grote calamiteiten die hem eerst overkwamen, maar die naderhand toch niet echt gebeurd bleken te zijn. Het leek wel alsof hem niks slechts meer kon overkomen. En als het dat wel deed, werd het kwaad onmiddellijk weer uitgeveegd. Hij mocht vallen of zijn been breken of ergens met zijn hoofd tegenaan lopen, en de pijn was dan heel even zeer intens, enkele seconden later was het ongeval verdwenen, samen met alle lichamelijke gevolgen. De herinnering van het onheil bleef wel hangen, alleen was er in de werkelijke wereld geen spoor meer van te vinden.
 
De avonturier in Friso begon zich al snel af te vragen of het alleen met ongevallen werkte, of ook met verwondingen die hij zichzelf opzettelijk toebracht. Hij besliste klein te beginnen, nam tijdens een wandeling zijn zakmes tevoorschijn en maakte een kleine inkerving in zijn arm. Hij keek hoe het bloed uit de wonde sijpelde. Het liep in een straaltje langs zijn arm naar beneden en een dikke druppel viel op de grond. Friso wachtte, en naarmate de seconden voorbij tikten, wist hij dat er niets ging gebeuren. Hij drukte zijn zakdoek tegen de wonde en vloekte binnensmonds. Wat had hij gedacht? Dat hij Superman geworden was?
 
Toch wilde hij de gedachte niet meteen opgeven. Hij had een verborgen gevoel, iets waar hij zijn vinger niet kon opleggen, dat hem influisterde dat er toch een manier was waarop hij de reset, zoals hij het intussen was gaan noemen, zelf kon veroorzaken. Het duurde twee maanden voor hij het mechanisme kon ontrafelen. Zijn armen en benen stonden intussen vol kleine inkepingen, maar hij kon zijn verwondingen gemakkelijk onder lange mouwen en een jeans verbergen. De doorbraak kwam er toen hij op het moment van een insnijding per ongeluk aan de Perzische slaapboom dacht, en in minder dan geen tijd was de nieuwe snede verdwenen. Nee, niet verdwenen, de snede was er nooit geweest. Friso was buiten zichzelf van vreugde en opwinding. Hij herhaalde het experiment en opnieuw lukte het om op de reset-knop te drukken. Daarna voerde hij grotere experimenten uit, legde zijn hand in het vuur, sprong uit het raam van de eerste verdieping, wat hij ook deed, één enkele gedachte aan zijn ontmoeting met de Perzische slaapboom maakte alle pijn en verwondingen op slag ongedaan.
 
Friso voelde zich onsterfelijk. Tijdens het klimmen en hiken, raften en mountainbiken nam hij ongekende risico’s. Hij verlegde zijn persoonlijke grenzen tot ver buiten zijn natuurlijke kunnen en hij genoot van elk moment. Hij beleefde de meest fantastische maanden van zijn leven. Het was in de Gran Canyon, op de dag van zijn vierentwintigste verjaardag, dat zijn geluk uiteindelijk ophield. Tijdens een glijvlucht in een vleugelpak maakte hij bij het navigeren tussen twee hoge pieken een zware inschattingsfout en smakte aan hoge snelheid tegen de rotswand. Toen hij twee weken later uit zijn coma ontwaakte in een ziekenhuis in Flagstaff, met een hoofd- en nekletsel en een gebroken linkerschouder, ging zijn eerste gedachte naar de boom in het beukenbos, ook al voelde hij onmiddellijk dat de kans voor een reset al lang verkeken was. Hij werd boos. Hij vond het ronduit belachelijk dat hij hier nog dagen-, misschien zelfs wekenlang in dit ziekenhuisbed moest liggen, gewoon omdat hij tijdens de val het bewustzijn had verloren.
 
Maar het duurde niet lang voor Friso merkte dat het verlies van bewustzijn er voor niets tussen zat. De schok kwam er toen hij voor de eerste keer uit het ziekenhuisbed mocht rechtstaan en hij zijn teen stootte tegen een stoel. Het beeld van de boom flitste automatisch door zijn hoofd, maar hij bleef de pijn voelen.
 
Het was voorbij. Zijn geluk was op, zo leek het wel. Het kostte hem ongelooflijk veel moeite om voorzichtig te zijn, want hij besefte nu pas dat hij roekeloos en arrogant geworden was, dat hij alle respect voor zijn eigen lichaam verloren had. Nee, nee, nee, dit kon niet waar zijn. Dit kon hij niet zomaar laten gebeuren. Hij moest terug naar de boom. Hij moest terug naar de plaats waar het allemaal begon. Hij moest zijn geluk daar opnieuw gaan afdwingen.
 
Hij legde zijn handen tegen de stam van de Perzische slaapboom en brulde: ‘Geef mij mijn krachten terug!’ Het was al de vijfde dag van zijn terugkeer, maar er was nog niks veranderd. Hij was kwetsbaar en hij haatte het. Hij kon niet meer eten of slapen, hij werd moedeloos en uitgeput. Een week later lag hij slap en verslagen op de grond. Waarom voelde hij zoveel verlies, terwijl hij een jaar geleden de gelukkigste man van de wereld was? Tranen liepen over zijn wangen. De uitputting bracht hem in een delirium en hij zweefde op de grens van het bewustzijn. Was dat een wolf die tussen de bomen tevoorschijn kwam? Friso probeerde te focussen op het dier, maar zijn zicht was wazig. De wolf kwam dichterbij, snuffelde aan zijn kleren, likte zijn gezicht, en ging naast hem zitten. In plaats van angst voelde Friso geruststelling. Hij voelde zich warm en veilig in het bijzijn van dit machtige dier, en hij viel in een diepe, bedwelmende slaap die hem meevoerde naar een droom. In die droom was hij niet meer in het oerbos in de Karpaten, maar in het Perzië van ver vervlogen tijden. De geur van wierrook vulde de lucht. Friso zat in het midden van een ronde kamer en tegenover hem zat een magiër, een wijze man die tegen hem begon te spreken. Eerst kon Friso de geluiden niet horen, maar naarmate hij zich harder concentreerde, werden de klanken woorden die hij kon begrijpen.
‘Het was een geschenk,’ zei de magiër, ‘dat slechts gegeven wordt aan zij die de boom kunnen zien. Menig mens is langs deze open plek gepasseerd, maar weinigen werden waardig bevonden. Jij was waardig, dus ontving je de gave. De gave van het eeuwige leven.’
Friso wist dat hij droomde. Of gebeurde dit echt?
‘Ik heb geen gave meer,’ fluisterde hij met de weinige krachten die hem restten, ‘maar ik wil ze terug.’
De magiër lachte.
‘Dat geloof ik, beste Friso, maar zo werkt het niet. De gave van het eeuwige leven wordt je maar één keer gegeven. Jij misbruikte ze. Jij wilde zelf beslissen, jij wilde je eigen schepper zijn. Helaas is de bron leeg voor jou. Je geluk is opgebruikt.’
Friso huiverde. Hij begreep dat hij hoogmoedig geweest was, en dat hij nu zonder dit geschenk door het leven moest. Hij werd overmand door een zware droefheid, maar terwijl hij eerst nog van plan was geweest zich op de magiër te storten, voelde hij plots hoe het verdriet uit zijn hart begon weg te sijpelen.
 
Hij werd wakker toen het heldere zonlicht op zijn gezicht scheen. Hij moest ingedommeld zijn. Het boek van Hemmingway lag open op zijn schoot en de oploskoffie in zijn beker was koud geworden. Hoe lang had hij geslapen? Hij zat in het gras in het midden van een lege open plek in een prachtig oerbos in de Karpaten. Friso voelde zich de koning te rijk. Hij was drieëntwintig, en gezond van lijf en leden. Een leven boordevol avontuur spreidde zich voor hem uit als een kleurrijk Perzisch tapijt.


woensdag 4 januari 2017

De dood kent geen lieve kinderen

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')


Het blinde meisje wandelde huilend door het bos. Ze struikelde en viel opnieuw voorover. Dit keer voelde ze hoe het vel op haar linkerknie openscheurde. O nee, hoe kon ze zo dom geweest zijn? Ze had de hand van haar broer heel even los gelaten. Een halve seconde maar. En nu dwaalde ze hier rond zonder te weten waar ze was. Ze veegde de tranen uit haar ogen en voelde een warme, kleverige vloeistof op haar gezicht. Voorzichtig tastte ze aan haar voorhoofd. Daar zat ook een bloedende wonde die snel opzwol. Hemel, snikte ze, hier kom ik nooit meer levend uit.
 
Waar was haar broer naartoe? Was hij niet naar haar op zoek? Hij moet toch gemerkt hebben dat ze niet meer bij hem was. Het was dan wel donker in het bos, toch moet hij gevoeld hebben hoe haar hand plots niet meer in de zijne was. Of was hij zelf zo bang geweest dat hij in zijn paniek niet door had dat hij haar had achtergelaten? De ijzige kreet die door het bos weergalmde net op het moment dat ze even wilden rusten, had de angst als een ontploffing door hun lijven gejaagd, en de snelheid waarmee ze recht sprongen en het op een lopen zetten, was indrukwekkend geweest. Zelfs voor een twaalfjarige jongen en zijn blinde tweelingzus.
 
Ze hoorde een krakend geluid niet zo ver achter haar. Verschrikt draaide ze zich om. Ze hoorde haar eigen hart bonzen en ademde zo snel dat ze duizelig werd. Een golf van misselijkheid spoelde over haar heen. Ze bleef stokstijf staan. Als dit een roofdier was, was ze hopeloos verloren, want dan had de geur van haar bloed haar bij voorbaat verraden. Ze kon net zo goed op en neer springen, en gillen: hier ben ik, kom me maar opvreten. Ze bleef roerloos staan en luisterde. Eerst hoorde ze niks. Maar nu haar ademhaling vertraagde, werd ze een nauwelijks waarneembaar brommend geluid gewaar, dat ze meer voelde dan hoorde. Alsof het een trilling was die haar via de bomen en de grond bereikte in plaats van via de lucht. Heel even dacht ze de aanwezigheid van iemand te voelen. Nee, niet van iemand, van iets. Van iets dat niet menselijk was. Een koude rilling liep over haar rug. Zouden de verhalen dan toch waar zijn? Woonde Satan in dit bos? Ze had de vertelsels van haar vader altijd afgedaan als kletskoek. Een manier om ervoor te zorgen dat zij en Hans niet alleen in het bos zouden gaan spelen. Maar nu… Nu had vader hen hier zelf achtergelaten. Misschien had hij hen aan het Kwaad overgeleverd. En waarom? Had hij zijn ziel aan de Duivel verkocht voor geld? Had hij zijn kinderen als offer beloofd?
 
Wat er toen gebeurde, ging razendsnel. Net op het moment dat het brommend geluid in intensiteit begon toe te nemen, en overging in een oorverdovend gebrul, hoorde ze de stem van haar broer die riep: ‘Griet, gooi je op de grond!’ Zonder erbij na te denken, zeeg ze neer op de grond. Het was niet eens een bewuste beslissing, haar benen begaven het gewoon. Ze voelde hoe Hans zich bovenop haar gooide, om haar te beschermen. En net zo snel als het onheil gekomen was, was het ook weer verdwenen.
‘Wat was dat?’ snikte ze, en ze voelde hoe haar hele lichaam trilde. ‘Hans, wat heb je gezien?’
Hans krabbelde overeind, greep haar bij de arm en trok haar recht.
‘Geen idee,’ hijgde hij. Griet hoorde hoe zijn stem heser en dieper klonk dan normaal. ‘Ik weet alleen dat we hier meteen wegmoeten.’
Opnieuw ging er een koude rilling door haar heen, en opnieuw bekroop haar het gevoel dat … Hij greep haar hand stevig beet en zette zich in beweging. Heel even meende ze dat akelig, brommend geluid waar te nemen.
‘Volg me, Griet,’ maande hij haar streng aan. ‘Ik heb hier niet ver vandaan de lichten van een huisje gezien. Misschien kunnen we daar hulp vragen.’
 



dinsdag 3 januari 2017

Het rariteitenkabinet van juffrouw Elsevier

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R.Alfons')


Ze zette het in de kast en deed hem op slot. Hopelijk bleef het daar veilig. Als juffrouw Elsevier erachter kwam dat het verdwenen was, zou de aarde beven. Filou was er zeker van dat ze de hele kostschool binnenstebuiten zou keren om het te vinden. Filou was bang van juffrouw Elsevier, niet alleen omdat ze de gratie en fijngevoeligheid had van de gemiddelde komodovaraan, maar ook omdat ze het geheim van haar familie kende, namelijk dat haar grootvader vlak voor de eeuwwisseling een kunstsmokkelaar was geweest die vanuit de Levant, Mesopotamië en het Arabisch schiereiland verboden mystieke voorwerpen naar Europa bracht om ze daar aan verzamelaars te verkopen. Haar aanwezigheid in deze school, het wereldberoemde Gesticht voor Onhandelbare Meisjes en Andere Verdwaalde Zielen, in de volksmond ook wel eens schimpend het rariteitenkabinet van juffrouw Elsevier genoemd, had alles met dat geheim te maken. Juffrouw Elsevier, nota bene zelf een klant van grootvader, had haar namelijk opgeëist, in ruil voor haar stilzwijgen. Als iemand erachter kwam wat grootvader gedaan had, zou hij voor altijd achter de tralies belanden, of misschien wel voor het vuurpeloton. Om haar zachtaardige, kunstzinnige grootvader die gruwel te besparen, onderging Filou al vier jaar haar lot. Het leek wel alsof juffrouw Elsevier haar zich had toegeëigend en Filou vreesde dat ze haar wilde adopteren, aangezien haar eigen ouders dood waren en grootvader helaas niet het eeuwige leven had.
 

Ze legde haar oor tegen de deur van de voorraadkamer, luisterde naar voetstappen of stemmen in de gang, en toen ze niets meer hoorde, glipte ze naar buiten en haastte zich naar de ontbijthal. Na het ontbijt, dat ze met moeite door haar keel had weten te wringen, sloop ze door de openstaande terrasdeur de tuin in. Het vergde het uiterste van haar om het niet op een lopen te zetten. Stel dat iemand haar vanuit het gesticht in de gaten hield. Ze wandelde schijnbaar nonchalant naar het bankje onder de treurwilg, ging zitten, trok haar mantel strak om zich heen, sloeg het boek open dat ze bij zich had en staarde vruchteloos naar de letters op het papier. Ze moest nadenken.
 
De ontdekking die ze vanochtend gedaan had, zou haar leven voorgoed kunnen veranderen, maar dan moest ze wel zeker zijn van haar volgende zet. Dit mocht dan wel 1908 zijn, de strijd was nog niet gestreden. Jonge meisjes uit de hogere klasse konden niet zomaar alleen over straat lopen. Ontsnappen uit het Elseviergesticht in Bosvoorde was onmogelijk, maar het voorwerp in de kast zou daar wel eens snel verandering kunnen in brengen.
   
Gertrude en Elisabeth kwamen haar richting uit. Het leek erop dat ze bij haar wilden komen zitten, maar Filou, die zich in het verleden wel vaker een pose van ondoordringbaarheid had aangemeten, concentreerde zich op haar boek en keek niet op. Na een kort moment van twijfel, keerden de meisjes zich om en wandelden weg. Wat zou er met hen gebeuren, wanneer Filou de waarheid aan het licht bracht? Zouden ze zomaar op straat worden gegooid, samen met alle andere meisjes die hier door hun ouders naartoe waren gestuurd omdat ze ongehuwd zwanger waren geworden en daardoor de goede naam van hun familie dreigden te besmeuren? Dat ze verkracht waren door een handtastelijke neef of verliefd op de stalknecht was daarbij niet belangrijk. Belangrijk was alleen dat de baby’s zo snel mogelijk verdwenen. Over de bestemming van de pasgeboren lammetjes werden nooit vragen gesteld. Weg was weg. Het gerucht deed de ronde dat juffrouw Elsevier de baby’s verkocht in Frankrijk of Engeland. Zou Gertrude, die nog geen maand geleden bevallen was en binnenkort naar huis mocht, zogezegd terug van een lange vakantie in Italië, zich nog jarenlang afvragen of het kind dat ze op straat passeerde misschien het hare was?
 
Filou was er zeker van dat Vrouwe Fortuna aan haar zijde had gestaan toen ze vanochtend per ongeluk over een hoek van het grote Perzische tapijt in het bureau van juffrouw Elsevier struikelde. Het was haar taak om elke dag om zes uur het haardvuur aan te steken, om ervoor te zorgen dat het warm was wanneer juffrouw Elsevier een half uur later de post kwam doornemen alvorens in de ontbijthal inspectie te doen van de kleren, haren en nagels van de meisjes. Filou merkte onder het omgeslagen tapijt een luik op, en voor ze het wist, had ze de ring in haar hand en trok ze het luik open. Ze zag daar beneden een vaag licht branden, keek naar de grote klok op de schoorsteenmantel, besliste dat ze nog vijf minuten had om haar nieuwsgierigheid te bevredigen en daalde de smalle trap af.  
 

De politie alarmeren was misschien het eerste dat ze had moeten doen, maar haar instinct had anders gedicteerd. Met het voorwerp in een doek gewikkeld, glipte ze het bureau uit, net op het moment dat ze de kordate voetstappen van juffrouw Elsevier in de gang hoorde weergalmen. Waar moest ze naartoe? Zonder erbij na te denken, glipte ze de voorraadkamer binnen, keek snel om zich heen, zag de grote linnenkast en duwde het voorwerp weg achter een stapel witte, gesteven lakens. Nu ze erover nadacht, was het misschien niet zo slim geweest om de kast op slot te doen. Wat als iemand propere lakens nodig had?
 
‘Juffrouw Elsevier zal je manieren bijbrengen,’ had grootvader gezegd toen hij haar met tranen in zijn ogen achterliet in het gesticht. ‘Ze is een vrouw van klasse en heeft een onberispelijke reputatie. Ze heeft al honderden meisjes uit de nood geholpen.’ Dat was nu wel duidelijk. Filou dacht aan de kelder onder het bureau van de onberispelijke juffrouw Elsevier en aan de doordringende, misselijkmakende geur van formol. Ze zag opnieuw de eindeloze rijen gevulde, glazen bokalen met elk een eigen etiket. Geschreven op het etiket van de bokaal die Filou had meegegrist en in de linnenkast verstopt, stond in het zakelijk handschrift van juffrouw Elsevier:
Geslacht: mannelijk
Geboortedatum: 24 april 1908
Naam moeder: Gertrude Artois



maandag 2 januari 2017

Adoptie

(uit 'De Verzamelde verhalen van C.R. Alfons')

Ik keek vol spanning naar de deur, terwijl het zweet van mijn voorhoofd liep. Wekenlang had ik naar deze dag uitgekeken, en nu het moment eindelijk aangebroken was, trilde ik op mijn benen. Deze adoptie was veruit het grootste avontuur van mijn leven. Het moment waarop ik de beslissing nam om deze verantwoordelijkheid op mij te nemen, stond me glashelder voor de geest.
 
‘Weten we dit wel zeker, Wim,’ had ik hem gevraagd op het laatste moment. De papieren waren al getekend en eigenlijk was er geen weg meer terug.
‘We weten het zeker, lieve Heleen’ stelde hij mij gerust. ‘Hier verlangen we allebei naar, weet je wel?’
 
Ik zag in zijn ogen de dromen die we al jaren koesterden. Eerst was er het toeval geweest, dat moment waarop ik naar een plaatsje zocht op het drukke dakterras van de Monkey Bar in de Budapeststrasse in Berlijn en er aan zijn tafeltje nog een lege stoel stond. De verrassing dat hij ook een Vlaming was, en nog wel van Geraardsbergen, waar mijn vader vandaan kwam en mijn grootouders nog woonden. De bevestiging dat Berlijn veruit de leukste hoofdstad van Europa was, ook al stond Rome op een stevige tweede plaats. De eerste kus op de tweede dag en daarna de eerste nacht samen in mijn hotelkamer, omdat mijn hotel net iets beter was dan het zijne. De beslissing om gaan samen te wonen, ondanks de bezorgde commentaren van onze moeders, die allebei vonden dat het toch zo snel ging allemaal. Het kleine appartement in de Parkstraat in Leuven en daarna de bouwgrond in Herent, die we met de hulp van onze ouders konden kopen. De architect, de bouwplannen, het ontwerpen en aanleggen van de tuin. De promotie die ik kreeg. Die spannende momenten toen Wim van job veranderde, maar toch alles goed kwam. Elke stap die we ondernamen, was een bouwsteen voor onze toekomst.
 
Alleen de zwangerschapstest, die bleef keer op keer negatief. De wanhoop die ik elke maand voelde wanneer mijn moeder belde om te vragen: ‘En? Word ik nog geen oma?’ en ik moest zeggen: ‘Nee, ma, ik heb vannacht mijn regels gekregen.’ De spanningen die er tussen mij en Wim ontstonden, omdat ik hem niet durfde vertellen dat ik eigenlijk geen baby wilde. Dat mijn leven met hem volmaakt gelukkig was en daar niets meer aan toe te voegen was.
 
‘Er stopt een auto voor de deur,’ riep Wim vol vreugde. ‘Ze zijn hier! Ze hebben Laila bij.’
Nu voelde ik de vreugde ook. Alle onzekerheden vielen van me af. Over enkele ogenblikken zou de voordeur opengaan en ons gezin vervolledigd worden. Toen we bericht ontvingen dat de mogelijkheid bestond dat wij haar konden adopteren en we voor het eerst foto’s van haar zagen, hadden we niet lang over haar naam moeten nadenken. Haar donkere Afghaanse ogen, haar tengere gezichtje, haar kwetsbaarheid waren ontwapenend. Dat ze al veel meegemaakt had in de twee korte jaren van haar bestaan, was haar aan te zien, maar onze liefde zou dat allemaal goedmaken. Wim en ik zouden haar een gezond leven geven, een warm nest.
 
Het gesprek op kerstavond was voor mij een openbaring geweest.
‘Ik wil ook geen kinderen, Heleen,’ had Wim gezegd.
We hadden eerst schuchter naar elkaar geglimlacht en waren toen opgelucht in elkaars armen gevallen.
‘Maar dat wil niet zeggen dat we geen hond in huis kunnen halen!’ lachte ik. ‘Zo’n zielenpoot uit het asiel, eentje die mishandeld werd en dringend een nieuwe thuis nodig heeft.’ Wim was meteen laaiend enthousiast.
 
De bel ging en ik hoorde Laila blaffen op de stoep. Met een ruk trok ik de voordeur open en verwelkomde de man van het asiel die had aangeboden het dier persoonlijk af te leveren. Laila, onze Afghaanse windhond, liep naar binnen alsof ze wist dat ze hier thuishoorde.


 

zondag 1 januari 2017

Onoverwinnelijk

(uit 'De verzamelde verhalen van C.R. Alfons')


Met gebogen hoofd stond ze voor zijn graf. Haar gedachten dwaalden af naar dat moment, bovenop de berg, toen hij vlak achter haar stond, zijn armen om haar heen geslagen, terwijl hij in haar oor fluisterde dat hij haar voor altijd graag zou zien. Hij meende het, en zij geloofde hem. Ze had zich tegen zijn warme lichaam genesteld, leunde tegen hem achterover met een diep gevoel van geluk en vertrouwen. Het landschap was adembenemend. De klim naar de top had het uiterste van haar gevergd en haar benen trilden nog na van de inspanning, maar het was elke moeilijke stap waard geweest. Nu begreep ze eindelijk waarom deze plek zo belangrijk voor hem was. Waarom hij zich hier onoverwinnelijk voelde.
 
‘Ik wil je iets laten zien,’ waren de eerste woorden die hij tegen haar sprak. Eerst vond ze hem arrogant, omdat hij er zomaar vanuit ging dat hij iets te tonen had dat zij wilde zien.
'Je bent gek,’ zei ze, en meende het. Ze kende hem niet. Hij was vanuit het niets naast haar komen zitten en nu zag het ernaar uit dat dit een echt gesprek ging worden.
‘Dank je’, lachte hij, ‘dat heb je goed gezien. Dit is de eerste keer dat iemand het zo snel opmerkt.’
Nu lachte zij ook. Onopzettelijk. Zo ontwapenend was hij.
 
Zijn grafsteen was eenvoudig. Zoals zij het wilde. Voor hem had het frivoler gemogen, vrolijker, maar op het einde begreep hij dat zij degene was die er elke dag moest naar kijken. Hij had er zich bij neergelegd. Zoals hij zich had neergelegd bij het feit dat het daar bovenop die berg de ene en enige keer zou zijn dat ze samen naar het landschap keken. Alleen wist zij het toen nog niet. Ze nam het hem nog steeds kwalijk. Dat hij het haar daar niet had verteld, daar bovenop zijn berg. Dat hij gewacht had tot ze terug beneden waren.

Ze lag naast hem in zijn rommelige bed, naakt tussen lakens die roken naar andere vrouwen. De warmte die hij opgewekt had, zinderde nog na in haar lichaam. Met een lange, magere wijsvinger volgde hij op haar huid de contouren van de liefde die ze samen uitgevonden hadden.
'Je bent mooi,’ zei hij. ‘Wil je voor altijd bij mij blijven?’
'Ja,’ was haar voorzichtige antwoord.

Tijdens de rit naar huis was de tijd plots trager beginnen lopen. De tijd die ze nooit samen zouden hebben en waarover hij gelogen had. Elke seconde duurde eeuwen. Dat hij doodging, wist hij al lang, maar dat hij het in haar armen wilde doen, wist hij pas toen hij haar voor het eerst zag. Ze voelde zich bedrogen. Nog geen jaar had hun liefde bestaan en nu al was zij met uitsterven bedreigd. Dat hij een klootzak was, slingerde ze hem naar het hoofd, omdat hij haar geen keuze had gegeven. Dat ze hem haar hart niet zou geschonken hebben. Nooit! Een rationeel mens gaat niet in zee met een stervende.

Ze hield hem stevig vast, schermde zijn tengere lichaam af met het hare, bedwong met haar wanhopige blik de ongenadige Dood, die zijn tred vertraagde en even wachtte in een hoek van de kamer.
'Ik moet je laten gaan, liefste,’ fluisterde ze in zijn oor, ‘maar ik zal je voor altijd graag zien.’
Ze meende het, en hij geloofde haar.