maandag 6 juni 2011

Brand - een vertelseltje

‘Meneer pastoor, meneer pastoor, de houten kaarsenkapel staat in brand!’ De gealarmeerde stem van de koster luidde als een klok. Hij stond aan de voordeur van de pastorie in de Rozenkranslaan en bonkte met beide vuisten op de deur.
Meneer pastoor zat aan de keukentafel uit te blazen na een drukke zondag. De derde al van deze meimaand. Mooi weer en veel bedevaarten. Niet alleen de terrassen zaten vol, ook de stoelen in de basiliek waren rijkelijk gevuld geweest met mensen. Vanuit de woonkamer waaide Beau Soir van Debussy de keuken binnen. Want soms viel alles gewoon in de plooi.

‘Meneer pastoor, een ramp! Ge moet nu direct meekomen,’ klonk het aan de deur, en puur van ’t verschieten liet meneer pastoor zijn boterham uit zijn handen vallen. De snee volkorenbrood, dik gesmeerd met boter, en belegd met een schel parmahesp van bij de beenhouwer in de Basilieklaan, sleurde in volle vlucht zijn kop koffie mee. Het porselein ratelde, en het oor van de kop brak af zonder aarzelen. De hete koffie spatte op, en raakte de pastoor op de hand en de mouw. Hij sprong recht en wist de ontsnappende godverdomme op het nippertje in een potverdorie om te zetten. Zijn stoel schoof met zoveel geweld achteruit dat hij omviel en tegen de tegels kletterde.
‘Meneer pastoor!’ riep de koster opnieuw, die intussen de bel had teruggevonden. ‘Meneer pastoor, kom nu toch naar buiten. Sebiet staat de kerk ook in brand!’
Meneer pastoor haastte zich de gang in. Gelukkig heb ik mijn schoenen nog aan, dacht hij. Zijn huistelefoon en gsm kwamen tegelijk tot leven. Geen tijd om op te nemen. In de vlucht stootte hij met zijn elleboog tegen de kruk van de deur en liet de godverdomme deze keer wel de vrije loop.

Samen met de koster zette hij het op een lopen in de richting van de basiliek. De kaarsenkapel stond op nog geen honderd meter van zijn huis, maar de bergop voelde zwaarder dan een marathon. De straten en het park van de kerk liepen nog vol met pelgrims, en meneer pastoor meende overal geschrokken, bange gezichten te zien. Er hing spanning en ongeloof in de lucht. Hij wilde zich haasten, maar het voelde alsof hij lood in de benen had. Het leek op die boze droom van vroeger, waarin hij wilde vluchten of heel rap ergens geraken, maar hoe hard hij ook probeerde, hij kwam niet vooruit.
Hij hoorde de sirenes van de brandweerwagens in de verte. Die moesten gelukkig niet van ver komen. De andere kant van het dorp. Maar op zondag was het hele centrum afgesloten, en met zoveel volk op straat, zouden ze misschien niet snel genoeg ter plekke geraken. Om nog maar te zwijgen van de wegenwerken, die nu al maanden aansleepten. Dat ze maar niet te laat komen, dacht hij, want als de vlammen uit de kapel slaan, schieten er nog bomen in brand. Dan vallen er misschien slachtoffers. Als die er al niet zijn.
Meneer pastoor wilde het aan de koster vragen, maar die pufte en blies zo aandoenlijk, terwijl het zweet langs zijn glimmende, rode kop naar beneden gutste, dat hij hem nauwelijks durfde aankijken.

Ze waren halfweg. Meneer pastoor hapte naar adem, en voelde zijn hart in zijn keel bonzen. Een tiental mensen hadden zich intussen bij hem en de koster gevoegd. Ze liepen bekommerd achter hen aan, maar dat merkte hij in zijn groeiende paniek niet op. Door opengesperde neusvleugels snoof hij bij elke ademhaling de geur van smeltende kaarsen en smeulend hout tot diep in zijn longen. Heilige Maria, dacht hij, laat het niet waar zijn. Niet tijdens mijn dienst.

Plots kwam hij zo abrupt tot stilstand dat hij achter zich een kettingbotsing veroorzaakte.
‘Niet stoppen, meneer pastoor,’ hoestte de koster, die eerst achterom keek en daarna zelf stopte met lopen. De pastoor had nu volle zicht op de kaarsenkapel, en keek naar de koster, die intussen voorover geleund stond te hijgen, handen op de knieën. De man zag eruit alsof hij op de rand van een hartaanval stond. Toch wilde de pastoor hem een ferme draai rond zijn oren geven.
‘Wat staat ge mij hier wijs te maken, koster?’ Hij kon zijn emoties nauwelijks de baas. ‘Ik kan van hier al zien dat er geen brand is.’ Hij merkte nu pas de schare mensen op die rond hem stond en probeerde zich te beheersen.
‘’t Is wel brand, meneer pastoor,’ stotterde de koster, ‘Ik heb het zelf gezien. De rookpluimen sloegen uit de kapel.’
De pastoor sloot even zijn ogen, haalde een enkele keer diep adem en liep toen verder. Hij bereikte het kerkplein, waar hij meteen zag hoe benieuwde pelgrims en parochianen door hun aantal de doorgang van de brandweerwagen belemmerden. De brandweercommandant vroeg eerst beleefd aan de mensen om aan de kant te gaan, maar zette toen de sirene op. Iedereen schrok, en er werd plaats gemaakt voor de blussers.
‘Niks aan de hand,’ drukte de commandant meneer pastoor na een kwartier op het hart. ‘Gewoon oververhitting en wat rookontwikkeling. Er was nooit echt gevaar voor brand.’

Aan de overkant van het plein, op de lage, dikke muur naast de stenen kapel met de noveenkaarsen, zaten Silke en Kobe te grinniken. De rode krullen van Kobe gloeiden in het avondlicht. Hij zat heel dicht bij Silke, en voelde de warmte van haar hand vlak bij zijn knie.
Ze keken samen naar de wegebbende commotie. Meneer pastoor liep heen en weer tussen de mensen. Het leek wel alsof hij iedereen persoonlijk op hun gemak wilde stellen.
Silke gaf Kobe plots een scherpe stomp in de ribben met haar elleboog.
‘Aw, waar is dat goed voor?’ Hij wreef hard over de zere plek, want zijn grootmoeder beweerde dat de pijn daarmee sneller wegging. Dat had hij nog nooit ondervonden.
‘Ge kunt niet eens een fatsoenlijk vuur aansteken, gij.’
Kobe was verliefd op haar, al twee jaar. Van toen ze in het eerste leerjaar zaten. Ze had hem al zeker honderd keer gevraagd om te bewijzen dat het wel echte liefde was, en nog had hij niet door dat ze met zijn voeten speelde. Dit keer had ze hem een kus beloofd. Een echte, zoals op tv.
‘Ik kan wél vuurke stoken,’ zei Kobe met aandrang, en voelde de tranen in zijn ogen springen. ‘Ik heb zeker duizend kaarsen gepikt en die achter de kapel op een hoop in brand gestoken.’
Silke bewonderde zijn lef, maar dat zou ze nooit toegeven. Ze zag hoe dikke druppels over zijn wangen rolden en op zijn broek vielen. Hij deed geen moeite om ze af te vegen.
‘Ons vader geeft mij het pak slaag van de eeuw als hij weet dat ik dat gedaan heb,’ snikte hij. Hij durfde zijn geliefde niet aan te kijken.
‘Dan moeten we hopen dat hij het niet te weten komt, he, Kobeke.’ Ze sprong van de muur.
‘Wat gaat ge doen?’ vroeg hij ontsteld. Hij herkende die toon in haar stem.
‘Als ge me kunt inhalen, zal ik zwijgen,’ zei ze uitdagend, en zette het op een lopen in de richting van het Isabellaplein, naar het restaurant van Kobe’s vader.

Ze botste in haar sprint bijna op meneer pastoor, die net op het punt stond naar zijn boterham met parmahesp terug te keren. Ze wist hem behendig te ontwijken.
De pastoor nam zijn bril af en veegde het zweet van zijn voorhoofd met de mouw van zijn vest. Hij rook de geur van opgedroogde koffie.


(Gelijkenis met bestaande mensen is puur toeval. Net zoals in het vertelseltje: De sterren van de hemel.)



-------
Een reactie is welkom, mits goede manieren.