_
Uren staren we in de lucht, luisterend naar het geluid van de vliegtuigmotoren, wolken onder de vleugels, daarboven ijle lucht, nog hoger gewichtloze duisternis, nevelslierten. De zon lijkt in de diepte onder te gaan, een tunnel vol geruis, stemmen op de achtergrond. We vergeten dat we vliegen, de voeten op de bodem, we leven in het heden. Een vliegtuigje in de diepte, zwevend in dezelfde gewichtloosheid. We zijn open en alert.
Niets is ooit verdwenen. Misschien zijn er mensen of dingen zoek geraakt, maar niets is ooit verdwenen. We moeten een beweeglijkheid ontwikkelen om de dingen aan te raken, dwars door pixels en ether, dwars door de tijd.
Een stad strekt zich onder ons uit, honderdduizenden lichtjes, een glanzend tapijt, daarbinnen een veelvoud aan mogelijkheden, ontmoetingen, weerkaatsingen. We denken ergens tussen al die lichtjes troost te vinden, de juiste keuze.
Twee mannen. De ene niet genoeg, de andere te veel.
Eerst jarenlang de eerste. Hij streelt en kust en speelt Duke Ellington met lange, beweeglijke vingers die over onze toetsen dwarrelen wanneer hij in de buurt is. Hij kijkt met lustige ogen die ook anderen zien. Hij betast ons met lippen die een verhaal vertellen dat in ons groeit en waarin hij zich al gauw niet meer thuis voelt. Zijn onstuimige gedachten doen ons luisteren naar de stemmen in onze onderbuik die genadeloos ‘Baar ons’ fluisteren tot hij schreeuwt: ‘Stop! Laat het weer stil zijn.’
Mensen raken zoek, maar niets is ooit verdwenen. Nieuwe mogelijkheden, ontmoetingen.
De sterke handen van de tweede. We kloppen niet aan. Hij doet open. We zeggen niet: ‘Ik tuimel achterover en verdrink.’ Hij zegt meteen: ‘Stort je maar bij mij naar binnen.’ We voelen niets, maar hopen dat het waar is en geven ons over aan de zwaartekracht.
Donkere wolken aan de horizon, het geluid van de motoren klinkt somber en de stemmen worden stilte. De stilte wacht.
Onze geborgenheid wordt heimwee naar de eerste. Verlangen naar de heldere muziek die niet vaak bleef, maar lachte en beminde.
De tweede streelt en kust en schopt de piano stuk. Geen aanleg voor Rachmaninov, maar Smirnoff houdt hem lelijk en elke dag gezelschap. Wij zijn voor hem het hemelrijk der vrouwen. Onze blauwe ogen huilen en genezen nooit en zijn vuist is elke dag opnieuw de belofte van een hand die liefheeft.
Dan komt het onweer en stort de regen zich door de lucht waarin we vliegen. We steken onze hand uit en voelen niets, maar weten dat het waar is. De eenwording van cel met cel splits zich genadeloos in ons tot een leven dat met de eerste een gedicht leek waaruit wij luidop verzen lazen over de liefde en de eeuwigheid en met de tweede een afgrond is waarin we ons niet willen storten.
De vlucht is onomkeerbaar. We geven de toekomst vrijwillig uit handen en vormen haar kermend om tot zerken die we zogen met lege borsten en onafgebroken koesteren tot aan ons eigen graf.
Nooit is iets verdwenen. Nooit ontwikkelen we de beweeglijkheid om de dingen los te laten, dwars door de tijd. We vergeten dat we leven en zweven daarna gewichtloos door de duisternis.
_
zondag 1 november 2009
zondag 25 oktober 2009
Consolatrix afflictorum
_
Vandaag ben ik nog eens in de basiliek geweest. Ik kom daar niet vaak. Niet omdat ze ver weg is of omdat ik er niet graag naar binnen ga, ik heb op een doordeweekse dag geen reden om er te komen. In feite heb je geen reden nodig en toch loop ik nooit zonder aanleiding de kerk van Scherpenheuvel binnen. In pakweg Firenze of Bayeux doe ik dat wel, maar niet in Scherpenheuvel. Tenzij er iemand uit Mol of Smetlede op bezoek is en ik wil opscheppen: ‘Kijk eens hoe mooi en groot de mijne is, die van jou kan hiermee niet vergelijken.’ Ik heb, in alle eerlijkheid, de kerken van Mol of Smetlede nog nooit gezien.
Mijn nichtje werd vandaag gevormd. Ik was, samen met mijn eigen kinderen, getuige van een ritueel dat ik zelf eenendertig jaar geleden onderging. Zonder veel erg, geef ik met opluchting toe.
Tot mijn verbazing schoot mijn gemoed vol toen ik Marieke zag knielen voor de vormheer, zoals de gezant van kardinaal Daneels zich laat aanspreken. De goede kardinaal zelf kon niet in hoogst eigen persoon aanwezig zijn. Waarschijnlijk, en dat is mijn persoonlijk vermoeden, werd hij op doortastende wijze ondervraagd over de duistere kronkels van zijn geloof voor een uitzending die eerdaags op Canvas te zien is, maar dit geheel terzijde.
’Waarom huil je?’ vroeg mijn dochter.
’Geen idee,’ antwoordde ik en daarmee zat ik op nog geen meter van de biechtstoel schandelijk te liegen. Ik voelde mij plots uitgesloten uit een gemeenschap waartoe ik niet eens wil behoren. Ik benijdde de overtuiging van de gelovigen die waarlijk vervuld waren van de woorden die ze zongen, die zeker weten dat God van hen houdt, dat Hij Jezus aan hen gegeven heeft om hun de weg te tonen. Die de kerkelijke GPS, waarover de pastoor preekte, elke dag volgen. GPS, Gods Persoonlijke Spoor. Goed gevonden, dacht ik.
Mijn tranen waren van korte duur. Ik geloof niet in God. Ik heb Hem niet nodig. Hij bestaat niet voor mij, hoe vaak ik Zijn naam ook met een hoofdletter schrijf. Toch heb ik deze week iets gedaan waarvoor Hij mij, mocht Hij bestaan, had moeten vergeven. Iets dat met zelfingenomenheid te maken heeft. Gelukkig kreeg ik wel vergiffenis, maar alleen omdat de mensen die ik onterecht pijn deed een groter hart hebben dan ik. Het was een les in nederigheid, waaruit ik leerde dat mijn eigen emoties en vooral mijn eigen gelijk wat vaker ondergeschikt mogen zijn aan de werkelijkheid van anderen.
Aan het einde van de dienst keek ik nog eens naar het altaar met het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel die de kleine Jezus op haar arm draagt. Daarna richtte ik mijn blik ter hemel en mijn oog viel op een van de vergulde garnituren waarmee de kerk getooid is, met daarop geschreven: Consolatrix afflictorum, wat zoveel betekent als Troosteres van de bedroefden.
Ik wandelde samen met mijn kinderen opgewekt de kerk uit. De zon scheen.
_
Vandaag ben ik nog eens in de basiliek geweest. Ik kom daar niet vaak. Niet omdat ze ver weg is of omdat ik er niet graag naar binnen ga, ik heb op een doordeweekse dag geen reden om er te komen. In feite heb je geen reden nodig en toch loop ik nooit zonder aanleiding de kerk van Scherpenheuvel binnen. In pakweg Firenze of Bayeux doe ik dat wel, maar niet in Scherpenheuvel. Tenzij er iemand uit Mol of Smetlede op bezoek is en ik wil opscheppen: ‘Kijk eens hoe mooi en groot de mijne is, die van jou kan hiermee niet vergelijken.’ Ik heb, in alle eerlijkheid, de kerken van Mol of Smetlede nog nooit gezien.
Mijn nichtje werd vandaag gevormd. Ik was, samen met mijn eigen kinderen, getuige van een ritueel dat ik zelf eenendertig jaar geleden onderging. Zonder veel erg, geef ik met opluchting toe.
Tot mijn verbazing schoot mijn gemoed vol toen ik Marieke zag knielen voor de vormheer, zoals de gezant van kardinaal Daneels zich laat aanspreken. De goede kardinaal zelf kon niet in hoogst eigen persoon aanwezig zijn. Waarschijnlijk, en dat is mijn persoonlijk vermoeden, werd hij op doortastende wijze ondervraagd over de duistere kronkels van zijn geloof voor een uitzending die eerdaags op Canvas te zien is, maar dit geheel terzijde.
’Waarom huil je?’ vroeg mijn dochter.
’Geen idee,’ antwoordde ik en daarmee zat ik op nog geen meter van de biechtstoel schandelijk te liegen. Ik voelde mij plots uitgesloten uit een gemeenschap waartoe ik niet eens wil behoren. Ik benijdde de overtuiging van de gelovigen die waarlijk vervuld waren van de woorden die ze zongen, die zeker weten dat God van hen houdt, dat Hij Jezus aan hen gegeven heeft om hun de weg te tonen. Die de kerkelijke GPS, waarover de pastoor preekte, elke dag volgen. GPS, Gods Persoonlijke Spoor. Goed gevonden, dacht ik.
Mijn tranen waren van korte duur. Ik geloof niet in God. Ik heb Hem niet nodig. Hij bestaat niet voor mij, hoe vaak ik Zijn naam ook met een hoofdletter schrijf. Toch heb ik deze week iets gedaan waarvoor Hij mij, mocht Hij bestaan, had moeten vergeven. Iets dat met zelfingenomenheid te maken heeft. Gelukkig kreeg ik wel vergiffenis, maar alleen omdat de mensen die ik onterecht pijn deed een groter hart hebben dan ik. Het was een les in nederigheid, waaruit ik leerde dat mijn eigen emoties en vooral mijn eigen gelijk wat vaker ondergeschikt mogen zijn aan de werkelijkheid van anderen.
Aan het einde van de dienst keek ik nog eens naar het altaar met het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel die de kleine Jezus op haar arm draagt. Daarna richtte ik mijn blik ter hemel en mijn oog viel op een van de vergulde garnituren waarmee de kerk getooid is, met daarop geschreven: Consolatrix afflictorum, wat zoveel betekent als Troosteres van de bedroefden.
Ik wandelde samen met mijn kinderen opgewekt de kerk uit. De zon scheen.
_
dinsdag 13 oktober 2009
Over vorm en inhoud
_
Vandaag kreeg ik voor de zoveelste keer te horen dat ik niet kan spellen. Ik til daar niet zwaar aan, de commentaar komt steeds uit dezelfde richting en de toon ervan wijst eerder op een tekort bij de maker dan bij de ontvanger hou ik mij maar voor. De opmerking is trouwens terecht. Ik ben meer bezig met de inhoud van wat ik schrijf dan met de vormgeving. Ik maak ook geen gebruik van de automatische spellingchecker van mijn computer. Dat kloteding doet het niet meer. Een goed ouderwets Groen Boekje, dat heb ik wel, maar zelden genoeg tijd om het te raadplegen tijdens de gedachtenstroom. Achteraf, wanneer ik alles eenmaal heb opgeschreven, heb ik nauwelijks het geduld om mijn tekst na te lezen, omdat een volgende idee, een nieuw bedenkzel (zie je) zich alweer aanbiedt in mijn hoofd.
De afgelopen week is er vanalles gebeurd binnen mijn partij. Er was een email uitgelekt waarvan de inhoud ongetwijfeld beter binnenskamers was gebleven. Enkel zij die vanavond uit Rome of Senegal terugkeerden hebben daar nog geen weet van, dus ik hoef de inhoud niet meer toe te lichten. Het volstaat om te zeggen dat een aantal mensen binnen de sp.a zich geschoffeerd voelden. Dat is intussen allemaal uitgepraat en bijgelegd, zegt mijn voorzitster. Allez… bijna allemaal toch. Er rest haar enkel nog de uitleg aan haar achterban. Daar wordt zaterdag, dankzij het zetje van onze ex-minister, een mouw aan gepast.
Het was vooral ook de toon van de email waarvan iedereen geschrokken is. Met veel verontwaardiging spraken jong en oud zich uit tegen het taalgebruik, de woordkeuze van de schrijver. In elke zin struikelden ze over het flagrante gebrek aan respect waarmee de ongevraagde raadgever de kopstukken opvoerde als poppetjes in een marionettentheater.
Iedereen schrok, behalve Maya Detiège. Maya, we mogen haar zo noemen omdat in mijn partij iedereen elkaar met de voornaam aanspreekt en zij de mensen zelfs als lomp durft te bestempelen, vond de toon van de email doodnormaal. Dat uitgerekend de oude krokodillen commentaar leverden kon ze niet begrijpen, zei ze gisteren bij Phara, omdat dat soort taalgebruik schering en inslag is.
Maya kan het weten. Ze is dochter-van en opgegroeid in de politiek. Ze herinnert zich nog veel ergere uitspraken, die gelukkig enkel aan de vluchtigheid van de lucht werden toevertrouwd, omdat er in die tijd nog geen email bestond.
Dat bracht vanuit mijn moederhart meteen een schrijnend scenario naar boven.Wat ik zag was een onschuldig negenjarig jongetje in Leuven dat vanop veilige afstand en verdoken achter de deur, zijn vader Louis, BSP-fractieleider in de kamer en eigenaar van een gepatenteerde ruige stem met bijbehorende klankenkast, in discussie hoorde gaan met partijvoorzitter Karel en ex-partijvoorzitter Willy over de socialistische deelname aan de regering Vanden Boeynants II. Vier van de tweeëntwintig ministers mochten ze leveren in een coalitie van zes partijen. Het taalgebruik dat daar werd gehanteerd bracht kleine Bruno ongetwijfeld het schaamrood op de wangen. Fraai is anders.
Nu, eenëndertig jaar later, zegt diezelfde Louis in De Zevende Dag dat hij ondanks al zijn ervaring in de politiek effen moest slikken bij het lezen van de email. Time softens fury, heb ik ooit ergens gelezen, en gelukkig heeft hij zondag ook, en laat dat vooral niet veranderen, een aantal zinnige dingen gezegd.
Wie schrijft die blijft. Dat geldt voor iedereen behalve Barteld Schutyser. Hoepelt op, gij ongevraagde, onbeschofte vlegel. En als ik niet beter op mijn spelling let, is mij morgen misschien hetzelfde lot beschoren!
_
Vandaag kreeg ik voor de zoveelste keer te horen dat ik niet kan spellen. Ik til daar niet zwaar aan, de commentaar komt steeds uit dezelfde richting en de toon ervan wijst eerder op een tekort bij de maker dan bij de ontvanger hou ik mij maar voor. De opmerking is trouwens terecht. Ik ben meer bezig met de inhoud van wat ik schrijf dan met de vormgeving. Ik maak ook geen gebruik van de automatische spellingchecker van mijn computer. Dat kloteding doet het niet meer. Een goed ouderwets Groen Boekje, dat heb ik wel, maar zelden genoeg tijd om het te raadplegen tijdens de gedachtenstroom. Achteraf, wanneer ik alles eenmaal heb opgeschreven, heb ik nauwelijks het geduld om mijn tekst na te lezen, omdat een volgende idee, een nieuw bedenkzel (zie je) zich alweer aanbiedt in mijn hoofd.
De afgelopen week is er vanalles gebeurd binnen mijn partij. Er was een email uitgelekt waarvan de inhoud ongetwijfeld beter binnenskamers was gebleven. Enkel zij die vanavond uit Rome of Senegal terugkeerden hebben daar nog geen weet van, dus ik hoef de inhoud niet meer toe te lichten. Het volstaat om te zeggen dat een aantal mensen binnen de sp.a zich geschoffeerd voelden. Dat is intussen allemaal uitgepraat en bijgelegd, zegt mijn voorzitster. Allez… bijna allemaal toch. Er rest haar enkel nog de uitleg aan haar achterban. Daar wordt zaterdag, dankzij het zetje van onze ex-minister, een mouw aan gepast.
Het was vooral ook de toon van de email waarvan iedereen geschrokken is. Met veel verontwaardiging spraken jong en oud zich uit tegen het taalgebruik, de woordkeuze van de schrijver. In elke zin struikelden ze over het flagrante gebrek aan respect waarmee de ongevraagde raadgever de kopstukken opvoerde als poppetjes in een marionettentheater.
Iedereen schrok, behalve Maya Detiège. Maya, we mogen haar zo noemen omdat in mijn partij iedereen elkaar met de voornaam aanspreekt en zij de mensen zelfs als lomp durft te bestempelen, vond de toon van de email doodnormaal. Dat uitgerekend de oude krokodillen commentaar leverden kon ze niet begrijpen, zei ze gisteren bij Phara, omdat dat soort taalgebruik schering en inslag is.
Maya kan het weten. Ze is dochter-van en opgegroeid in de politiek. Ze herinnert zich nog veel ergere uitspraken, die gelukkig enkel aan de vluchtigheid van de lucht werden toevertrouwd, omdat er in die tijd nog geen email bestond.
Dat bracht vanuit mijn moederhart meteen een schrijnend scenario naar boven.Wat ik zag was een onschuldig negenjarig jongetje in Leuven dat vanop veilige afstand en verdoken achter de deur, zijn vader Louis, BSP-fractieleider in de kamer en eigenaar van een gepatenteerde ruige stem met bijbehorende klankenkast, in discussie hoorde gaan met partijvoorzitter Karel en ex-partijvoorzitter Willy over de socialistische deelname aan de regering Vanden Boeynants II. Vier van de tweeëntwintig ministers mochten ze leveren in een coalitie van zes partijen. Het taalgebruik dat daar werd gehanteerd bracht kleine Bruno ongetwijfeld het schaamrood op de wangen. Fraai is anders.
Nu, eenëndertig jaar later, zegt diezelfde Louis in De Zevende Dag dat hij ondanks al zijn ervaring in de politiek effen moest slikken bij het lezen van de email. Time softens fury, heb ik ooit ergens gelezen, en gelukkig heeft hij zondag ook, en laat dat vooral niet veranderen, een aantal zinnige dingen gezegd.
Wie schrijft die blijft. Dat geldt voor iedereen behalve Barteld Schutyser. Hoepelt op, gij ongevraagde, onbeschofte vlegel. En als ik niet beter op mijn spelling let, is mij morgen misschien hetzelfde lot beschoren!
_
zaterdag 3 oktober 2009
Kinderen van het Prattenborgplein (3)
_
Vandaag zal ik gewoon verdergaan met de beschrijving van de huizen waarmee ik in de vorige tekst begonnen was. Het gaat nog steeds over de zuidkant van de gemeente. Met de hulp van een paar mensen heb ik aan die lijst een paar dingen toegevoegd en hier en daar een detail veranderd. Je ziet dat het systeem stilaan in voegen valt. Toch zitten er nog steeds joekels van gaten in de informatie.
13. Het huis van Karlien
Veel weet ik nog niet over dit huis. Behalve dat Karlien een donkere huid had (gebazaneerd was het woord dat mijn moeder gebruikte). Ze had een dochter, Emma, en nog twee of drie andere kinderen.
14. Het huis van Musse Hendrickx
Dit was misschien wel het grootste huis op de gemeente. Een mooi huis met ramen in loodglas. Langs de grote poort aan de voorkant reed Musse naar binnen met zijn kamion, want achteraan stond een hangaar. Musse reed transport.
Hij had twee dochters: Yvette en Leontine, die in het buitenland gaan wonen is. Misschien was er ook nog een oudere zoon.
15. Het huis van den Tij en Victorine
Den Tij was de charmeur en playboy van de gemeente. Hij reed op een brommer en had altijd brilliantine in zijn haar. Victorine was een mooie vrouw en sprak met een gemoedelijke stem.
16. Het huis van de Ku de Paris en Mathilleke van ’t Chaske
Zij waren de ouders van Fien, die in huis nummer 8 woonden.
17. Het huis van Fien van de Poep
Fien dankte haar naam aan haar man, Pol, die door iedereen de Poep werd genoemd. Zij was de zuster van Mathilleke van ’t Chaske, die naast haar woonde, en ook van Dora, de vrouw van Fons de Verver, in huis nummer 3.
Bij de Poep kwam een keer per week iemand van de socialistische ziekenkas van Diest zitting houden en konden de mensen hun ziekenbriefjes binnenbrengen.
De Poep en Fien hadden vijf kinderen: Remi, Maria, Lisa van de Poep, Dora en Clement, die als kind gestorven was.
18. Het huis van Alice van ’t Frutkot en de Rosse
Alice en de Rosse hadden geen kinderen. Ze waren jonge twintigers en Alice had een frituur in ’t dorp. Misschien dat haar man een job elders had, maar dat weet ik nog niet.
19. Het huis van de Balte
De Balte was de broer van de Ku de Paris, van huis nummer 16, en was vrijgezel. Hij was een fervent drinker en visser (vooral katvissen). Of die twee hobby’s goed te combineren waren, laat ik in het midden. Het gebeurde in ieder geval regelmatig dat hij op straat zijn roes lag uit te slapen. Omdat hij geen vrouw had, liep hij er ook altijd wat vuil bij. Het is te zeggen, hij zag bruin van vuiligheid.
20. Het huis van Malvinne van Laeremenneke en Nar
Nar was beroepsmilitair en had samen met Malvinne twee kinderen: Mil en Lea.
21. Het huis van den Thuys
Staf Thuys had een dochter, Maria (later getrouwd met Keldermans van Diest). Over zijn vrouw en de rest van hun verhaal weet ik nog niets.
22. Het huis van Yvonne van Door Bergen
Yvonne was niet getrouwd en had op de gemeente twee kinderen: Louisa en Julia.
23. Het huis van Fien en Felke
Fien en Felke hadden twee kinderen: Patrick en Marie-Jeanne (1941).
Dat was het laatste huis aan die kant van het Prattenborgplein. Verderop waren er alleen nog hoven en het atelier van Martha Weckx, waar kleren werden gemaakt.
Lees ook de andere verhalen, te beginnen bij Kinderen van het Prattenborgplein (1)
_
Vandaag zal ik gewoon verdergaan met de beschrijving van de huizen waarmee ik in de vorige tekst begonnen was. Het gaat nog steeds over de zuidkant van de gemeente. Met de hulp van een paar mensen heb ik aan die lijst een paar dingen toegevoegd en hier en daar een detail veranderd. Je ziet dat het systeem stilaan in voegen valt. Toch zitten er nog steeds joekels van gaten in de informatie.
13. Het huis van Karlien
Veel weet ik nog niet over dit huis. Behalve dat Karlien een donkere huid had (gebazaneerd was het woord dat mijn moeder gebruikte). Ze had een dochter, Emma, en nog twee of drie andere kinderen.
14. Het huis van Musse Hendrickx
Dit was misschien wel het grootste huis op de gemeente. Een mooi huis met ramen in loodglas. Langs de grote poort aan de voorkant reed Musse naar binnen met zijn kamion, want achteraan stond een hangaar. Musse reed transport.
Hij had twee dochters: Yvette en Leontine, die in het buitenland gaan wonen is. Misschien was er ook nog een oudere zoon.
15. Het huis van den Tij en Victorine
Den Tij was de charmeur en playboy van de gemeente. Hij reed op een brommer en had altijd brilliantine in zijn haar. Victorine was een mooie vrouw en sprak met een gemoedelijke stem.
16. Het huis van de Ku de Paris en Mathilleke van ’t Chaske
Zij waren de ouders van Fien, die in huis nummer 8 woonden.
17. Het huis van Fien van de Poep
Fien dankte haar naam aan haar man, Pol, die door iedereen de Poep werd genoemd. Zij was de zuster van Mathilleke van ’t Chaske, die naast haar woonde, en ook van Dora, de vrouw van Fons de Verver, in huis nummer 3.
Bij de Poep kwam een keer per week iemand van de socialistische ziekenkas van Diest zitting houden en konden de mensen hun ziekenbriefjes binnenbrengen.
De Poep en Fien hadden vijf kinderen: Remi, Maria, Lisa van de Poep, Dora en Clement, die als kind gestorven was.
18. Het huis van Alice van ’t Frutkot en de Rosse
Alice en de Rosse hadden geen kinderen. Ze waren jonge twintigers en Alice had een frituur in ’t dorp. Misschien dat haar man een job elders had, maar dat weet ik nog niet.
19. Het huis van de Balte
De Balte was de broer van de Ku de Paris, van huis nummer 16, en was vrijgezel. Hij was een fervent drinker en visser (vooral katvissen). Of die twee hobby’s goed te combineren waren, laat ik in het midden. Het gebeurde in ieder geval regelmatig dat hij op straat zijn roes lag uit te slapen. Omdat hij geen vrouw had, liep hij er ook altijd wat vuil bij. Het is te zeggen, hij zag bruin van vuiligheid.
20. Het huis van Malvinne van Laeremenneke en Nar
Nar was beroepsmilitair en had samen met Malvinne twee kinderen: Mil en Lea.
21. Het huis van den Thuys
Staf Thuys had een dochter, Maria (later getrouwd met Keldermans van Diest). Over zijn vrouw en de rest van hun verhaal weet ik nog niets.
22. Het huis van Yvonne van Door Bergen
Yvonne was niet getrouwd en had op de gemeente twee kinderen: Louisa en Julia.
23. Het huis van Fien en Felke
Fien en Felke hadden twee kinderen: Patrick en Marie-Jeanne (1941).
Dat was het laatste huis aan die kant van het Prattenborgplein. Verderop waren er alleen nog hoven en het atelier van Martha Weckx, waar kleren werden gemaakt.
Lees ook de andere verhalen, te beginnen bij Kinderen van het Prattenborgplein (1)
_
donderdag 1 oktober 2009
Kinderen van het Prattenborgplein (2)
_
Beginnen bij het begin lijkt mij de simpelste manier. Om een overzicht te maken van de inwoners van alle huizen op het Prattenborgplein in Scherpenheuvel tussen 1945 en 1950 zal ik beginnen met een korte beschrijving van de eerste twaalf huizen aan de zuidkant van het plein, van west naar oost.
Die informatie is natuurlijk verre van compleet. Het is dan ook maar een eerste aanzet. Maar op deze manier kan ik verifiëren of ik de juiste gezinnen in de juiste huizen heb geplaatst en de winkels en de café’s correct heb aangeduid. Ik ga de huizen gewoon nummeren van 1 tot 12. Natuurlijk komt dit niet overeen met de vroegere of huidige huisnummers. Het is enkel bedoeld om mij het leven gemakkelijk te maken.
Omdat bijnamen in die tijd nu eenmaal deel uitmaakten van het dagelijkse leven, zal ik ze ook rijkelijk gebruiken. Het zou zonde zijn om het niet te doen, omdat sommige van die namen intussen haast legendarische proporties hebben aangenomen in Scherpenheuvel. Hopelijk breng ik daarmee niemand in verlegenheid.
Er zijn al een aantal mensen die zich hebben aangemeld om te vertellen, waarvoor mijn oprechte dank. Ik zal hen zo snel mogelijk contacteren. O ja, nog even dit: wees aub niet te beroerd om mij te wijzen op mijn spel- en andere fouten.
Hier gaan we dan:
1. Het kruidenierswinkeltje van Marieke Net
Marieke zelf was niet van Scherpenheuvel. Haar man waarschijnlijk wel. Hij werkte aan de spoorwegen en vertrok en kwam thuis in een uniform met kepie. Ze hadden een dochter die Denise heette. Zij werd geboren rond 1940.
In dit winkeltje kon je voornamelijk snoepgoed etc. kopen.
2. De kruidenierswinkelt van Jo Kwak
Haar man heette Re. Hier kwam veel meer volk over de vloer omdat er een grotere variatie aan koopwaar was, zoals vlees, charcuterie, boeksharing, zeer lekkere zelfopgelegde haring en zefgemaakt ijs. Maar Jo Kwak had hoogstwaarschijnlijk een groot klantenbestand omdat ze de mensen de mogelijkheid gaf om op krediet te kopen. Ze had een boek waarin ze opschreef hoeveel haar klanten nog moesten betalen en rekende de schulden af aan het einde van de maand, wanneer iedereen zijn wedde getrokken had.
Jo stond achter haar toog in een zwarte voorschoot.
3. De winkel van Fons de Verver en Dora van ’t Chaske
Hier verkocht men verf en behangpapier. Fons was afkomstig van Diest en een zeer goede stielman. Dora was geboren en getogen in Scherpenheuvel. Zij hadden drie kinderen: Soi, Roza en Joséke.
4. Café ‘Bij Fik Campaign’
Deze café werd uitgebaat door Nathalie, de vrouw van Fik Campaign. Fik zelf had een job, maar ik ben er nog niet achter wat hij precies deed. Zij hadden drie kinderen: Lucienne (de moeder van Johan en Patrick Hoes), Jean en Juliette (die logischerwijze gekend is als Juliette van Fik Campaign).
5. Het huis van Tin van de Zwette van Wachtebeke en haar man, Nat Gommé
Nat was klein van gestalte en had een grote snor. Voor zover ik weet hadden Tin en Nat zeven kinderen.
Ze vierden hun gouden bruiloft in 1948 en dat werd op de gemeente opgeluisterd met grote festiviteiten. Alle kinderen maakten samen een week lang crêpepapieren bloemen en het hele plein werd versierd met slingers. Er werd een grote stoet georganiseerd. Iedereen was op zijn zondags en in de optocht werd de bruid gespeeld door Lowiske van Frans Kriekel, mijn grootmoeder, en de bruidegom door Remi Jacobs.
Het feest zelf ging ’s avonds door in een café op het plein en om van de gelegenheid gebruik te maken om eens stevig door te zakken, hadden de ouders hun kinderen zoveel mogelijk samengebracht in een paar huizen. Marianne van Lowiske, mijn moeder, en haar zussen en buurmeisjes sliepen die nacht met zes samen in één bed: drie aan de kop en drie aan de voet.
6. De kruidenierswinkel van Berta
Zij had twee dochters, Maria en Gabriëlle Tielens. Maria trouwde later met haar buurjongen, Albert (of Jos?) Gommé, de zoon van Nat en Tin van de Zwette van Wachtebeke. (Een van hun kinderen is Armandine de Coiffeuse.) In deze winkel kochten de mijnwerkers van de gemeente hun fles Hertekamt en hun tabak en sigarettenblaadjes.
7. Het huis van Lisa, de moeder van Lisetteke.
Over dit huis weet ik verder niets.
8. Het huis van Fien van Mathilleke en Remi Jacobs
Remi werkte in de lampisterie van de koolmijn, de plaats waar de lampen van de mijnwerkers werden onderhouden en bijgevuld. Fien en Remi kregen op de gemeente drie kinderen, Julia (1942), Sonja (1947) en Rosette (1951). Later kregen ze ook nog Hilaire (1956), maar toen woonden ze al op een andere plaats.
9. Het kapsalon van Orinne
In de voorkamer van haar huis baatte Orinne een kapsalon uit. Hier kon je een permanent laten zetten. Er hing een constante geur van verbrand haar in het salon, omdat het kapsel van de klanten min of meer verschroeid werd tijdens het krullen. Toch waren de meeste vrouwen van de gemeente vaste klant van Orinne.
Haar man heette Guerry en ze hadden op zijn minst één zoon, Edward (de grootvader van Carine en Hilde Guerry).
10. Het huis van Marieke Nep
Zij en haar man hadden twee kinderen. Everard en François, die toen hij klein was zijn eigen naam niet helemaal juist kon uitspreken en zo de bijnaam Fanfaike kreeg. Fanfaike werd geboren in 1943 en Everard was een stuk ouder.
11. Café ‘In de Congo’ en barbier (later winkel)
De barbier ging door het leven als War Congo en zijn dochter, Marie Congo, baatte de café uit. De man van Marie heette Geyskens. Op zondag gingen de mannen van de gemeente zich laten scheren en na de mis, indien ze gingen, kwamen ze hun dorst laven bij Marie Congo.
Ze hadden vier kinderen: Georgine (1941), Fons (1942), Georgette (1945), Marie-Jeanne en François.
12. Textielwinkel van Mein Pai
In deze winkel kon je onder andere sponsen handdoeken kopen, zakdoeken, ondergoed van Dulcia en solomiodekens. Ze verkochten goei waar.
Mein Pai was getrouwd met Tist. Ze hadden een dochter, Jeanne, die samen met haar moeder in de winkel stond. Ze hadden ook nog een ander kindje, maar dat was op jonge leeftijd gestorven.
Tot zover deze lijst. In de volgende aflevering zal ik de volgende tien huizen beschrijven. Graag had ik al commentaar of aanvullingen op deze inventaris. Merci en bedankt eh manne!
Lees ook: Kinderen van het Prattenborgplein (1)
_
Beginnen bij het begin lijkt mij de simpelste manier. Om een overzicht te maken van de inwoners van alle huizen op het Prattenborgplein in Scherpenheuvel tussen 1945 en 1950 zal ik beginnen met een korte beschrijving van de eerste twaalf huizen aan de zuidkant van het plein, van west naar oost.
Die informatie is natuurlijk verre van compleet. Het is dan ook maar een eerste aanzet. Maar op deze manier kan ik verifiëren of ik de juiste gezinnen in de juiste huizen heb geplaatst en de winkels en de café’s correct heb aangeduid. Ik ga de huizen gewoon nummeren van 1 tot 12. Natuurlijk komt dit niet overeen met de vroegere of huidige huisnummers. Het is enkel bedoeld om mij het leven gemakkelijk te maken.
Omdat bijnamen in die tijd nu eenmaal deel uitmaakten van het dagelijkse leven, zal ik ze ook rijkelijk gebruiken. Het zou zonde zijn om het niet te doen, omdat sommige van die namen intussen haast legendarische proporties hebben aangenomen in Scherpenheuvel. Hopelijk breng ik daarmee niemand in verlegenheid.
Er zijn al een aantal mensen die zich hebben aangemeld om te vertellen, waarvoor mijn oprechte dank. Ik zal hen zo snel mogelijk contacteren. O ja, nog even dit: wees aub niet te beroerd om mij te wijzen op mijn spel- en andere fouten.
Hier gaan we dan:
1. Het kruidenierswinkeltje van Marieke Net
Marieke zelf was niet van Scherpenheuvel. Haar man waarschijnlijk wel. Hij werkte aan de spoorwegen en vertrok en kwam thuis in een uniform met kepie. Ze hadden een dochter die Denise heette. Zij werd geboren rond 1940.
In dit winkeltje kon je voornamelijk snoepgoed etc. kopen.
2. De kruidenierswinkelt van Jo Kwak
Haar man heette Re. Hier kwam veel meer volk over de vloer omdat er een grotere variatie aan koopwaar was, zoals vlees, charcuterie, boeksharing, zeer lekkere zelfopgelegde haring en zefgemaakt ijs. Maar Jo Kwak had hoogstwaarschijnlijk een groot klantenbestand omdat ze de mensen de mogelijkheid gaf om op krediet te kopen. Ze had een boek waarin ze opschreef hoeveel haar klanten nog moesten betalen en rekende de schulden af aan het einde van de maand, wanneer iedereen zijn wedde getrokken had.
Jo stond achter haar toog in een zwarte voorschoot.
3. De winkel van Fons de Verver en Dora van ’t Chaske
Hier verkocht men verf en behangpapier. Fons was afkomstig van Diest en een zeer goede stielman. Dora was geboren en getogen in Scherpenheuvel. Zij hadden drie kinderen: Soi, Roza en Joséke.
4. Café ‘Bij Fik Campaign’
Deze café werd uitgebaat door Nathalie, de vrouw van Fik Campaign. Fik zelf had een job, maar ik ben er nog niet achter wat hij precies deed. Zij hadden drie kinderen: Lucienne (de moeder van Johan en Patrick Hoes), Jean en Juliette (die logischerwijze gekend is als Juliette van Fik Campaign).
5. Het huis van Tin van de Zwette van Wachtebeke en haar man, Nat Gommé
Nat was klein van gestalte en had een grote snor. Voor zover ik weet hadden Tin en Nat zeven kinderen.
Ze vierden hun gouden bruiloft in 1948 en dat werd op de gemeente opgeluisterd met grote festiviteiten. Alle kinderen maakten samen een week lang crêpepapieren bloemen en het hele plein werd versierd met slingers. Er werd een grote stoet georganiseerd. Iedereen was op zijn zondags en in de optocht werd de bruid gespeeld door Lowiske van Frans Kriekel, mijn grootmoeder, en de bruidegom door Remi Jacobs.
Het feest zelf ging ’s avonds door in een café op het plein en om van de gelegenheid gebruik te maken om eens stevig door te zakken, hadden de ouders hun kinderen zoveel mogelijk samengebracht in een paar huizen. Marianne van Lowiske, mijn moeder, en haar zussen en buurmeisjes sliepen die nacht met zes samen in één bed: drie aan de kop en drie aan de voet.
6. De kruidenierswinkel van Berta
Zij had twee dochters, Maria en Gabriëlle Tielens. Maria trouwde later met haar buurjongen, Albert (of Jos?) Gommé, de zoon van Nat en Tin van de Zwette van Wachtebeke. (Een van hun kinderen is Armandine de Coiffeuse.) In deze winkel kochten de mijnwerkers van de gemeente hun fles Hertekamt en hun tabak en sigarettenblaadjes.
7. Het huis van Lisa, de moeder van Lisetteke.
Over dit huis weet ik verder niets.
8. Het huis van Fien van Mathilleke en Remi Jacobs
Remi werkte in de lampisterie van de koolmijn, de plaats waar de lampen van de mijnwerkers werden onderhouden en bijgevuld. Fien en Remi kregen op de gemeente drie kinderen, Julia (1942), Sonja (1947) en Rosette (1951). Later kregen ze ook nog Hilaire (1956), maar toen woonden ze al op een andere plaats.
9. Het kapsalon van Orinne
In de voorkamer van haar huis baatte Orinne een kapsalon uit. Hier kon je een permanent laten zetten. Er hing een constante geur van verbrand haar in het salon, omdat het kapsel van de klanten min of meer verschroeid werd tijdens het krullen. Toch waren de meeste vrouwen van de gemeente vaste klant van Orinne.
Haar man heette Guerry en ze hadden op zijn minst één zoon, Edward (de grootvader van Carine en Hilde Guerry).
10. Het huis van Marieke Nep
Zij en haar man hadden twee kinderen. Everard en François, die toen hij klein was zijn eigen naam niet helemaal juist kon uitspreken en zo de bijnaam Fanfaike kreeg. Fanfaike werd geboren in 1943 en Everard was een stuk ouder.
11. Café ‘In de Congo’ en barbier (later winkel)
De barbier ging door het leven als War Congo en zijn dochter, Marie Congo, baatte de café uit. De man van Marie heette Geyskens. Op zondag gingen de mannen van de gemeente zich laten scheren en na de mis, indien ze gingen, kwamen ze hun dorst laven bij Marie Congo.
Ze hadden vier kinderen: Georgine (1941), Fons (1942), Georgette (1945), Marie-Jeanne en François.
12. Textielwinkel van Mein Pai
In deze winkel kon je onder andere sponsen handdoeken kopen, zakdoeken, ondergoed van Dulcia en solomiodekens. Ze verkochten goei waar.
Mein Pai was getrouwd met Tist. Ze hadden een dochter, Jeanne, die samen met haar moeder in de winkel stond. Ze hadden ook nog een ander kindje, maar dat was op jonge leeftijd gestorven.
Tot zover deze lijst. In de volgende aflevering zal ik de volgende tien huizen beschrijven. Graag had ik al commentaar of aanvullingen op deze inventaris. Merci en bedankt eh manne!
Lees ook: Kinderen van het Prattenborgplein (1)
_
Abonneren op:
Berichten (Atom)
