De laatste ontmoeting
23 maart 2012
Er is weer veel veranderd sinds mijn laatste bezoek in 1948. Tijdens de fusie van Belgische gemeenten in 1977 is Scherpenheuvel opnieuw een stad geworden. Maar om die status te verdienen, was er dit keer meer nodig dan een ordonnantie van Albrecht en Isabella. Scherpenheuvel is samen met de dorpen Schoonderbuken, Zichem, Keiberg, Okselaar, Averbode, Testelt, Messelbroek en het westelijke deel van Kaggevinne de stad Scherpenheuvel-Zichem geworden, met een inwonersaantal van om en bij de 25.000 mensen. Van een kale heuvel naar dit. In een oogwenk.
In de basiliek zijn er ook veranderingen gekomen, ook al is de essentie natuurlijk dezelfde gebleven: de verering van Maria. Zij staat nog steeds centraal op Haar troon, in de nis met de zilveren versieringen, met goud gekroond, en getooid in een geborduurde mantel. Haar zoon Jezus draagt Ze nog steeds op de arm. Ze kijkt neer op een kerk waar nu centrale verwarming ligt, om maar iets te noemen. Er zijn nog aanpassingen, maar ik ga geen lijst meer maken. Ga zelf eens kijken. Je kan daar meer uit leren dan uit een opsomming van woorden.
Toch wil ik de twee meest opmerkelijke veranderingen vermelden. Na jaren van aanslepende bureaucratie en onderhandelingen met Monumentenzorg, en dankzij subsidies van de Vlaamse overheid, de provincie Vlaams-Brabant en het gemeentebestuur van Scherpenheuvel-Zichem, werd er een grondige buitenrestauratie uitgevoerd. Ook de glasramen werden onder handen genomen. De basiliek werd in haar oorspronkelijke glorie hersteld. Of toch bij benadering. Want de eerste en enige glorie dateert van 6 juni 1627, de dag van de inhuldiging. Wat daarna kwam, was enkel een poging tot behoud van wat de aartshertogen Isabella en Albrecht, architect Cobergher en pastoor Boeckaert toen hebben geschapen.
De tweede verandering kwam er in de internationale status van het bedevaartsoord, toen paus Benedictus XVI in naam van de hele kerkgemeenschap de Gouden Roos schonk aan de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek. Dit eerbetoon wordt sinds mensenheugenis ter erkentenis geschonken aan personen, steden of landen. Tot nu toe werd de Gouden Roos een duizendtal keren uitgereikt. Sinds enkele decennia ook aan een aantal bedevaartsoorden. Op 2 februari 2011 viel Scherpenheuvel deze eer te beurt.
Ik vernoem deze twee feiten, de restauratie en de Gouden Roos, omdat zij de collectieve bekroning zijn op het werk van heel wat mensen die deze basiliek al heel lang in hun hart dragen. Zowel de parochiepriesters, als de parochiale medewerkers, als de parochianen, als de bedevaarders, die hier dag in dag uit, jaar in jaar uit hun devotie en toewijding schenken aan ons Liefvrouwke en Haar heiligdom. Terecht of onterecht. Daarover wil ik mij niet uitspreken. Ik ben daar trouwens niet voor bevoegd.
Is het een toeval dat Scherpenheuvel net nu aan een vernieuwde opmars begonnen is? Op het moment dat de katholieke kerk elders, zowel in België als in de rest van de wereld, afbrokkelt? Natuurlijk is dat geen toeval.
Aan het hoofd van deze parochie staat namelijk iemand die mogelijks de reïncarnatie is van de oorspronkelijke herder, Joost Boeckaert. Hij zal het zelf niet graag horen, maar Luc Van Hilst, is net zo gedreven als Boeckaert, net zo slim, koppig en volhardend, en net zo toegewijd aan Haar. Hij zal deze kerk steeds opnieuw, en met evenveel ambitie en gedrevenheid, uit de grond stampen. En als het moet opnieuw, en opnieuw.
Ik zal maar niet overdrijven, zeker, want hij gaat zich daar ongemakkelijk bij voelen, en bovendien is reïncarnatie alles behalve een christelijke gedachte!
Het is mooi weer. Ik parkeer mijn auto voor de pastorie in de Rozenkranslaan. Die is sinds mijn bezoek in 1948 naar hier verhuisd. De oude pastorie stond vroeger aan de zuidkant van de kerk, maar die is nu afgebroken, en heeft plaats geruimd voor een modern flatgebouw. Jammer. Zo brokkelen de bewijzen van de geschiedenis langzaam af. Ook in Scherpenheuvel.
De zon schijnt en dat doet deugd. Ik beklim de heuvel, terwijl ik op geen enkel moment mijn ogen afwend van de basiliek. Struikelen doe ik niet, want elke stap is mij vertrouwd. Deze weg kan ik afleggen met mijn ogen toe. Het licht filtert door de kale takken van de lindebomen. Over enkele weken zullen de frisse, groene blaadjes van deze oude knarren het zicht voor een groot stuk belemmeren. Ik heb het niet begrepen op die bomen, en ik steek dat niet onder kerkstoelen of banken. Van mij mogen die zo goed als allemaal omgehakt worden. Ongeacht het advies van de Milieuraad of Natuurpunt of Monumentenzorg of wie zich ook bemoeit met de bescherming en het behoud van deze beplanting. Ze staan naar mijn gevoel gewoon in de weg. Ik wil niks minder dan een perfect en ongehinderd zicht op de basiliek, mijn basiliek, want zo hebberig ben ik dan.
Ik kreeg bijna een schuldgevoel toen ik ooit op Facebook schreef dat voor mijn part alle bomen mochten omgehakt worden, en er uitgerekend die nacht een knaller van een storm boven Vlaanderen raasde. Toen de pastoor ‘s anderendaags een sms stuurde met de boodschap dat ik voortaan beter op mijn woorden moest letten, bleek dat de grootste boom, aan de meest noordelijke uithoek van de Hortus Conclusus, de storm niet had overleefd. Hij was rot vanbinnen, en was zo goed als helemaal afgeknakt. Nu ja, als dat geen goed begin is, dacht ik stiekem. Nog een paar van die stormen, en we zijn van de bomen verlost.
Ik zet me neer op een bank, om de ochtendlucht en het zicht in te ademen. Het is kwart voor negen, en voorlopig loopt er niemand op het plein voor de kerk. Ik zit vlakbij de plek waar ik bijna 250 jaar geleden voor het eerst Trees Polaster ontmoette. Ze had bloed op haar kleren.
Ook al heb ik beslist om te stoppen met reizen door de tijd, toch kan ik het niet laten al mijn bezoeken in gedachte nog eens over te doen. Ik haal me elke vrouw opnieuw voor de geest. De onschuldige Nieke Exelmans, met haar onverwachte en toch zo verlangde kind aan haar borst. Aartshertogin Isabella, die ik in de laatste fase van haar leven ontmoette, eenzaam en kinderloos, en toch vervuld van haar liefde voor de Moeder Gods. De hardwerkende Trees Polaster, met haar miraculeuze handen, die het leven van ontelbare kinderen had aangeraakt en gezegend. Katrin Van Kerkhoven, de onbetwiste oermoeder van een hele generatie, die verloren was gelopen in haar eigen verdriet en imago. Mijn grootmoeder, Lowiske van Frans Kriekel, zo mooi en vol levenslust dat ze mijn hart deed bloeden.
Ben ik dan in mijn opzet geslaagd? Heb ik de geschiedenis van het dorp en de parochie Scherpenheuvel gezien en begrepen, aan de hand van deze ontmoetingen met vrouwen van vlees en bloed? Ik weet nu hoe ze eruit zien. Ik was getuige van hoe ze de handen uit de mouwen staken of knielden voor het altaar. Met vreugde en met de moed der wanhoop. Maar weet ik nu echt wat zij dachten en voelden?
Ik tel de vrouwen op in mijn hoofd. Het zijn er maar vijf. Wie is dan de zesde? Ik kom tot de vaststelling dat ik in deze eeuw geen afspraak heb gemaakt voor een interview. Dat heb ik helemaal over het hoofd gezien.
Maakt het uit?
Langzaam sta ik op van de bank in het park en zet mijn wandeling verder in de richting van de basiliek. Op het plein blijf ik even staan, en lees voor de duizendste keer het opschrift boven de deur: Beatam me dicent omnes generationes. Alle geslachten zullen mij zalig prijzen. Ik twijfel er niet aan dat er nog vele generaties zullen volgen op wie deze zin ook van toepassing is. Ik durf het zelfs hopen, iets wat ik aan het begin van deze zoektocht misschien niet deed. Zoveel is dan intussen al veranderd.
Ik duw de zware glazen deur open en glip het portaalgebouw binnen. Wanneer ik de centrale rotonde betreed, ben ik alleen. Ik ben hier de afgelopen maanden talloze keren geweest, heb hier uren doorgebracht, maar dit is de allereerste keer dat ik helemaal alleen ben. Tegen mijn gewoonte in ga ik vooraan in de kerk zitten. Op de derde rij. Alle andere stoelen zijn leeg. De omheining rond het altaar staat open, en alles is in gereedheid gebracht voor de plechtigheid die hier later vandaag zal plaatsvinden. Er wordt een priester begraven.
Van zodra ik mij neerzet op de houten stoel, voel ik het gewicht van de geschiedenis op mij drukken. Zwaar en duister, en tegelijk gevuld van al het verlangen en de hoop die hier op deze plek ooit is uitgesproken. Het genadebeeld staart roerloos voor zich uit. Voel ik mij nu eindelijk een deel van de historiek van deze kerk?
De klokken in de toren beginnen traag en diep te luiden. Ze hebben dat nog nooit voor mij gedaan. Ik werd hier niet gedoopt en ben hier nooit getrouwd. Zullen zij uiteindelijk enkel luiden wanneer mijn doodskist hier staat opgesteld?
Plots hoor ik iemand fluisteren. Ik draai me om, maar zie niemand. Zachtjes veeg ik mijn tranen af en glimlach. Straks begin ik nog spoken te zien. Traag adem ik mijn longen vol en kijk opnieuw naar het genadebeeld.
Nu weet ik het zeker. Ik hoor gefluister. En meer nog, ik hoor hoe iemand rechts achter mij de eerste zijkapel betreedt. Het geluid van hoge hakken weergalmt door de open ruimtes. Een trage, maar kordate tred. Was zij het die fluisterde? Ik wacht tot zij de tweede zijkapel bereikt heeft. Die waar het schilderij hangt van de geboorte van Maria. Ik hoef mijn hoofd maar even zijwaarts te draaien om te zien wie daar loopt. Eerst durf ik nauwelijks te kijken. Stel je voor dat ik me het geluid van de voetstappen heb ingebeeld.
Ik zie een grote, slanke vrouw van een jaar of dertig. Haar bruine haar is in een kort kapsel geknipt. Ze draagt een witte t-shirt met lange mouwen, een stijlvolle jeans en zwarte pumps. Rond haar hals hangt een lange, maar dunne gouden ketting, met daaraan een kruisje. Haar grote handtas hangt aan haar linkerarm. Met haar rechterhand houdt ze een Blackberry tegen haar oor. Ze praat zachtjes, en lacht af en toe. Ze lijkt sprekend op Emma Watson.
Ze kijkt even in mijn richting en onze blikken kruisen elkaar. Ze knikt, maar wandelt verder. Wanneer ze achter het altaar passeert, waar de Gouden Roos achter glas staat opgesteld, stopt het geklik van haar hakken. Ik kijk naar de nis met het verlichte Mariabeeld. De fluisterende stem lijkt van haar te komen.
‘Maak je maar geen zorgen,’ hoor ik de onbekende het gesprek beëindigen. ‘Ik laat je straks weten hoe het verlopen is.’
Ik wacht. Uiteindelijk zal ze opnieuw tevoorschijn moeten komen. Ze kan onmogelijk de kerk verlaten zonder langs de zijkapellen of de centrale ruimte te lopen. In het laatste geval moet ze langs mij passeren.
‘Heb je er spijt van?’
Haar luide stem kaatst langs de muren omhoog, en reikt tot bovenaan in de koepel, waar de vroege zonnestralen langs de ramen van de lantaarn naar binnen schijnen. Ik kijk achterom. Spreekt ze tegen mij?
Ze komt tevoorschijn uit dezelfde richting waarin ze achter het altaar verdween. Ik staar haar aan. Verbouwereerd volg ik haar met mijn blik tot ze naast me komt zitten.
‘Heb je er spijt van?’ herhaalt ze haar vraag. ‘Van je hele avontuur.’
Ik herpak mij. Dit is iemand die ongetwijfeld mijn blog heeft gelezen, waar ik elke week de nieuwe afleveringen van mijn verhaal publiceerde.
‘Nee, natuurlijk heb ik er geen spijt van,’ zeg ik een beetje onwillig. ‘Waarom zou ik?’
‘Omdat het niet uitgedraaid is zoals je had gehoopt.’
‘Wie zegt dat?’ vraag ik net iets te kordaat. Ik begrijp niet waarom zij mij heeft aangesproken.
‘Je hoopte op gemoedelijke gesprekken, met vrouwen die zichzelf voor jou zouden openstellen. Maar de werkelijkheid draaide anders uit.’
‘In sommige gevallen wel, ja. Maar dat lag niet altijd aan de vrouwen in kwestie. Soms durfde ik hen niet de juiste vragen te stellen.’
Ik kijk naar mijn handen. Wat zit ik hier nu te vertellen tegen een wildvreemde. Is zij wel een wildvreemde?
‘En soms wilde je de antwoorden niet horen op de vragen die je wel stelde.’
Er valt een stilte. Ze heeft gelijk. Niet alleen van de woorden van Lowiske was ik bang. Er waren nog momenten in de gesprekken waar ik liever mijn handen op mijn oren had gelegd. Ogenblikken waarop ik niet wilde horen wat deze vrouwen tegen mij zeiden. Nieke die ongewenst bevrucht werd met haar kind, en er later gedwongen afstand moest van doen. Isabella die haar dode baby in haar armen hield. Trees, die haar kind zag sterven aan diarree, en mij het huis uitjoeg omdat ik haar advies gaf. Het onuitgesproken, eenzame verdriet van Katrin, voor de slepende ziekte van haar jongste zoon en de verborgen geaardheid van haar oudste. De levensvreugde van Lowiske, die in schril contrast stond met de smart die ze voelde toen ze aan het graf stond van haar dochter.
De onbekende legt haar hand op de mijne.
‘Die pijn is een deel van de geschiedenis van Scherpenheuvel. En dus ook mijn geschiedenis.’
Ik kijk haar vragend aan.
‘Ben jij ook van Scherpenheuvel dan?’
Het lijkt me onwaarschijnlijk. Ik heb haar nog nooit gezien. Zo’n bevallige verschijning zou ik toch ooit al wel eens hebben opgemerkt. Misschien heeft ze hier als kind gewoond en is ze daarna verhuisd.
Ze heeft natuurlijk wel gelijk. Alle verhalen die deze vrouwen mij hebben verteld, maken deel uit van Scherpenheuvel. Net zoals mijn eigen verhaal er een deel van uitmaakt.
Ik wrijf met beide handen door mijn haar en kijk haar recht in de ogen.
‘Wat is jouw verhaal dan? Wat heb jij te vertellen dat ik niet wil horen?’
Ze lacht, maar voor het eerst verschijnt er een frons op haar voorhoofd. Ik zie dat ook zij iets draagt, net zoals de andere vrouwen.
Ze draait zich in de richting van het altaar en kijkt naar het genadebeeld. Daarna stijgt haar blik omhoog, langs de twee zilveren engelen en het kruis boven de nis. Ze streelt het schilderij van Theodoor Van Loon met haar ogen en houdt halt bij het gezicht van Maria, die in extase naar boven staart terwijl ze langzaam ter hemel stijgt. Heel even stokt mijn adem.
Net op dat moment zoemt haar Blackberry, en ze schrikt op uit haar dagdroom.
‘Ik laat het even naar mijn voicemail gaan,’ zegt ze. ‘Er is altijd wel iemand die mij nodig heeft. Maar dat kan wel even wachten tot straks.’
Ik hoor geluiden achteraan in de kerk. Enkele mensen nemen plaats op de stoelen die het dichtst bij de grote, gietijzeren poort staan.
‘Je moet ze niet zien als smarten,’ zegt ze, terwijl ze iets dichter naar me toe leunt. ‘De pijn die deze vrouwen dragen, kan je veel beter weeën noemen. Weeën brengen niet alleen een boodschap van pijn. Ze houden ook de gedachte van iets nieuws in, iets wonderbaarlijks.’
‘Waar heb jij het over?’ Ik wil haar bij haar naam noemen, maar besef dat ik die niet ken. Ik voel een verwarring in mij naar boven komen, die ik niet kan plaatsen. Wie is dit? En waar heeft zij het over? ‘Toch niet de Smarten van Maria, want dan komen we nog enkele vrouwen te kort. Het zijn er maar vijf, terwijl er zeven smarten zijn. Zeven, weet je wel?’
Zonder enige waarschuwing wordt de basiliek plots gevuld met luide orgelmuziek. Over enkele ogenblikken start de gezongen mis van half tien. Dramatisch en zwaar botsen de noten met de muren en met mijn gedachten. Bij de derde of vierde maat al barst ik in tranen uit.
Ik sta met zoveel geweld recht, dat mijn stoel omkantelt, en met veel lawaai op de grond valt.
‘Laat mij met rust,’ zeg ik tegen de onbekende, die mij begrijpend aankijkt. Ik wil van deze vreemdeling geen begrip krijgen. De geschiedenis die ik zocht is niet af. Ik heb mijn doel niet bereikt. Ik vlucht een van de zijkapellen in. Onderweg zie ik enkele bekende gezichten. Er zit meer volk in de kerk dan ik dacht. Ik veeg mijn tranen af met de paarse sjaal die ik rond mijn hals draag. Ik schaam me.
In de zijkapel leun ik met mijn rug tegen de koude muur. Voor mij hangt het schilderij De opdracht van Maria in de tempel. Een klein meisje staat op de trappen van de synagoge. Ze is een jaar of vijf. Achter Haar staan Haar moeder, Anna, en vader, Joachim, die hun dochter overdragen aan Haar toekomst. Hier zal Maria blijven tot aan Haar puberteit, om daarna Haar moederrol op zich te nemen. Vervuld van de Heilige Geest bestijgt Zij de trappen. Haar kleine gezichtje gloeit van opwinding en verwachting.
Maar mijn ogen worden onweerstaanbaar aangetrokken tot de handen en het gezicht van Anna. Hoe kan zij zo zeker zijn dat dit de juiste beslissing is? Hoe kan zij haar kind zomaar uit handen geven, de handen van een toekomst die niet eens zeker is? Een toekomst die zij zelf niet kan bepalen? Mijn tranen komen opnieuw naar boven.
‘Je hebt de zesde Madonna dan toch gevonden,’ zegt de vreemdeling.
Geruisloos is ze naast me komen staan. Hoe heeft ze dat gedaan, op haar hoge hakken? Ik begrijp eerst niet wat ze zegt. Maar stilaan dringt het tot me door.
‘Je bedoelt dat ik zelf de zesde ben.’
Ze knikt. Ik kijk opnieuw naar de handen van Anna op het schilderij.
‘Je hebt geen keuze,’ zegt ze. ‘Je moet je kinderen aan de toekomst geven. Dat heb ik ook moeten doen, ook al bestond het risico dat mijn zoon dingen zou overkomen die ik niet in de hand had.’
Ik kijk haar verbaasd aan. Plots ziet ze er twintig jaar ouder uit dan in de centrale rotonde. Komt dat door het slechte licht in deze zijkapel?
‘Ben je hem verloren?’ vraag ik, maar ik ken het antwoord al.
‘Ja en nee,’ zegt Ze. En dat zijn dan ook meteen de laatste woorden die Ze spreekt.
Ik draai me om zonder Haar nog aan te kijken, en vlucht. Voor de zoveelste keer vlucht ik weg. Maar dit keer niet alleen van mijn eigen pijn, maar ook van de Hare. Weg van al Haar smarten. Alle zeven.
Buiten hap ik naar zuurstof. De zon schijnt nog steeds, en het is warmer dan toen ik binnen ging in de basiliek. Op het plein staat een lijkwagen. De ceremoniemeester van het funerarium geeft nog enkele laatste instructies voor de begrafenis die straks begint.
Ik wandel rond de kerk. Het is ook voor mij tijd voor een begrafenis. Vandaag moet ik afscheid nemen van het verleden. Het verleden van dit dorp, het verleden van deze kerk, het verleden in mijn hart. Ik kan de tijd niet terugdraaien en veranderen. Ik kan de dingen die verloren zijn gegaan, waar ik de moed niet voor had, of die fout zijn gelopen, niet rechtzetten. Het allerbeste dat ik kan hopen is dat ik mij kan neerleggen bij het verloop van de geschiedenis. Haar aanvaarden in haar starre onwrikbaarheid. Want haar herschrijven is geen optie.
Als een magneet word ik aangetrokken tot de plek waar Nieke Exelmans eeuwen geleden begraven lag. Ik kniel bij haar fictieve graf, dat nu verdwenen is onder de plaveien rond de kerk. Ontroerd raak ik de grond aan en breng haar een laatste groet. Daarna zoek ik de plaats van het graf van Trees Polaster. Ik zeg haar het me spijt dat ik niet in haar mirakel geloofde. Mocht ik het nog eens overdoen, ons gesprek zou helemaal anders verlopen zijn. In mijn gedachten bezoek ik ook de graven van Aartshertogin Isabella, Katrin Van Kerkhoven en Lowiske, mijn grootmoeder. Ik neem van elk van hen om de beurt afscheid.
Aan de zuidkant van de Hortus Conclusus ga ik in de zon zitten. Ik leun met mijn rug tegen de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Scherpenheuvel, en sluit mijn ogen. Ik hou van deze plek. De grond die mij draagt, de muur die mij steunt, ze zijn helemaal van mij. Hier hoor ik thuis, want hier woont mijn vreugdevolle hart.
* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.



