zaterdag 24 maart 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (18)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

De laatste ontmoeting

23 maart 2012

Er is weer veel veranderd sinds mijn laatste bezoek in 1948. Tijdens de fusie van Belgische gemeenten in 1977 is Scherpenheuvel opnieuw een stad geworden. Maar om die status te verdienen, was er dit keer meer nodig dan een ordonnantie van Albrecht en Isabella. Scherpenheuvel is samen met de dorpen Schoonderbuken, Zichem, Keiberg, Okselaar, Averbode, Testelt, Messelbroek en het westelijke deel van Kaggevinne de stad Scherpenheuvel-Zichem geworden, met een inwonersaantal van om en bij de 25.000 mensen. Van een kale heuvel naar dit. In een oogwenk.
In de basiliek zijn er ook veranderingen gekomen, ook al is de essentie natuurlijk dezelfde gebleven: de verering van Maria. Zij staat nog steeds centraal op Haar troon, in de nis met de zilveren versieringen, met goud gekroond, en getooid in een geborduurde mantel. Haar zoon Jezus draagt Ze nog steeds op de arm. Ze kijkt neer op een kerk waar nu centrale verwarming ligt, om maar iets te noemen. Er zijn nog aanpassingen, maar ik ga geen lijst meer maken. Ga zelf eens kijken. Je kan daar meer uit leren dan uit een opsomming van woorden.
Toch wil ik de twee meest opmerkelijke veranderingen vermelden. Na jaren van aanslepende bureaucratie en onderhandelingen met Monumentenzorg, en dankzij subsidies van de Vlaamse overheid, de provincie Vlaams-Brabant en het gemeentebestuur van Scherpenheuvel-Zichem, werd er een grondige buitenrestauratie uitgevoerd. Ook de glasramen werden onder handen genomen. De basiliek werd in haar oorspronkelijke glorie hersteld. Of toch bij benadering. Want de eerste en enige glorie dateert van 6 juni 1627, de dag van de inhuldiging. Wat daarna kwam, was enkel een poging tot behoud van wat de aartshertogen Isabella en Albrecht, architect Cobergher en pastoor Boeckaert toen hebben geschapen.
De tweede verandering kwam er in de internationale status van het bedevaartsoord, toen paus Benedictus XVI in naam van de hele kerkgemeenschap de Gouden Roos schonk aan de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek. Dit eerbetoon wordt sinds mensenheugenis ter erkentenis geschonken aan personen, steden of landen. Tot nu toe werd de Gouden Roos een duizendtal keren uitgereikt. Sinds enkele decennia ook aan een aantal bedevaartsoorden. Op 2 februari 2011 viel Scherpenheuvel deze eer te beurt.
Ik vernoem deze twee feiten, de restauratie en de Gouden Roos, omdat zij de collectieve bekroning zijn op het werk van heel wat mensen die deze basiliek al heel lang in hun hart dragen. Zowel de parochiepriesters, als de parochiale medewerkers, als de parochianen, als de bedevaarders, die hier dag in dag uit, jaar in jaar uit hun devotie en toewijding schenken aan ons Liefvrouwke en Haar heiligdom. Terecht of onterecht. Daarover wil ik mij niet uitspreken. Ik ben daar trouwens niet voor bevoegd.

Is het een toeval dat Scherpenheuvel net nu aan een vernieuwde opmars begonnen is? Op het moment dat de katholieke kerk elders, zowel in België als in de rest van de wereld, afbrokkelt? Natuurlijk is dat geen toeval.
Aan het hoofd van deze parochie staat namelijk iemand die mogelijks de reïncarnatie is van de oorspronkelijke herder, Joost Boeckaert. Hij zal het zelf niet graag horen, maar Luc Van Hilst, is net zo gedreven als Boeckaert, net zo slim, koppig en volhardend, en net zo toegewijd aan Haar. Hij zal deze kerk steeds opnieuw, en met evenveel ambitie en gedrevenheid, uit de grond stampen. En als het moet opnieuw, en opnieuw.
Ik zal maar niet overdrijven, zeker, want hij gaat zich daar ongemakkelijk bij voelen, en bovendien is reïncarnatie alles behalve een christelijke gedachte!


Het is mooi weer. Ik parkeer mijn auto voor de pastorie in de Rozenkranslaan. Die is sinds mijn bezoek in 1948 naar hier verhuisd. De oude pastorie stond vroeger aan de zuidkant van de kerk, maar die is nu afgebroken, en heeft plaats geruimd voor een modern flatgebouw. Jammer. Zo brokkelen de bewijzen van de geschiedenis langzaam af. Ook in Scherpenheuvel.
De zon schijnt en dat doet deugd. Ik beklim de heuvel, terwijl ik op geen enkel moment mijn ogen afwend van de basiliek. Struikelen doe ik niet, want elke stap is mij vertrouwd. Deze weg kan ik afleggen met mijn ogen toe. Het licht filtert door de kale takken van de lindebomen. Over enkele weken zullen de frisse, groene blaadjes van deze oude knarren het zicht voor een groot stuk belemmeren. Ik heb het niet begrepen op die bomen, en ik steek dat niet onder kerkstoelen of banken. Van mij mogen die zo goed als allemaal omgehakt worden. Ongeacht het advies van de Milieuraad of Natuurpunt of Monumentenzorg of wie zich ook bemoeit met de bescherming en het behoud van deze beplanting. Ze staan naar mijn gevoel gewoon in de weg. Ik wil niks minder dan een perfect en ongehinderd zicht op de basiliek, mijn basiliek, want zo hebberig ben ik dan.
Ik kreeg bijna een schuldgevoel toen ik ooit op Facebook schreef dat voor mijn part alle bomen mochten omgehakt worden, en er uitgerekend die nacht een knaller van een storm boven Vlaanderen raasde. Toen de pastoor ‘s anderendaags een sms stuurde met de boodschap dat ik voortaan beter op mijn woorden moest letten, bleek dat de grootste boom, aan de meest noordelijke uithoek van de Hortus Conclusus, de storm niet had overleefd. Hij was rot vanbinnen, en was zo goed als helemaal afgeknakt. Nu ja, als dat geen goed begin is, dacht ik stiekem. Nog een paar van die stormen, en we zijn van de bomen verlost.

Ik zet me neer op een bank, om de ochtendlucht en het zicht in te ademen. Het is kwart voor negen, en voorlopig loopt er niemand op het plein voor de kerk. Ik zit vlakbij de plek waar ik bijna 250 jaar geleden voor het eerst Trees Polaster ontmoette. Ze had bloed op haar kleren.
Ook al heb ik beslist om te stoppen met reizen door de tijd, toch kan ik het niet laten al mijn bezoeken in gedachte nog eens over te doen. Ik haal me elke vrouw opnieuw voor de geest. De onschuldige Nieke Exelmans, met haar onverwachte en toch zo verlangde kind aan haar borst. Aartshertogin Isabella, die ik in de laatste fase van haar leven ontmoette, eenzaam en kinderloos, en toch vervuld van haar liefde voor de Moeder Gods. De hardwerkende Trees Polaster, met haar miraculeuze handen, die het leven van ontelbare kinderen had aangeraakt en gezegend. Katrin Van Kerkhoven, de onbetwiste oermoeder van een hele generatie, die verloren was gelopen in haar eigen verdriet en imago. Mijn grootmoeder, Lowiske van Frans Kriekel, zo mooi en vol levenslust dat ze mijn hart deed bloeden.
Ben ik dan in mijn opzet geslaagd? Heb ik de geschiedenis van het dorp en de parochie Scherpenheuvel gezien en begrepen, aan de hand van deze ontmoetingen met vrouwen van vlees en bloed? Ik weet nu hoe ze eruit zien. Ik was getuige van hoe ze de handen uit de mouwen staken of knielden voor het altaar. Met vreugde en met de moed der wanhoop. Maar weet ik nu echt wat zij dachten en voelden?
Ik tel de vrouwen op in mijn hoofd. Het zijn er maar vijf. Wie is dan de zesde? Ik kom tot de vaststelling dat ik in deze eeuw geen afspraak heb gemaakt voor een interview. Dat heb ik helemaal over het hoofd gezien.

Maakt het uit?

Langzaam sta ik op van de bank in het park en zet mijn wandeling verder in de richting van de basiliek. Op het plein blijf ik even staan, en lees voor de duizendste keer het opschrift boven de deur: Beatam me dicent omnes generationes. Alle geslachten zullen mij zalig prijzen. Ik twijfel er niet aan dat er nog vele generaties zullen volgen op wie deze zin ook van toepassing is. Ik durf het zelfs hopen, iets wat ik aan het begin van deze zoektocht misschien niet deed. Zoveel is dan intussen al veranderd.
Ik duw de zware glazen deur open en glip het portaalgebouw binnen. Wanneer ik de centrale rotonde betreed, ben ik alleen. Ik ben hier de afgelopen maanden talloze keren geweest, heb hier uren doorgebracht, maar dit is de allereerste keer dat ik helemaal alleen ben. Tegen mijn gewoonte in ga ik vooraan in de kerk zitten. Op de derde rij. Alle andere stoelen zijn leeg. De omheining rond het altaar staat open, en alles is in gereedheid gebracht voor de plechtigheid die hier later vandaag zal plaatsvinden. Er wordt een priester begraven.
Van zodra ik mij neerzet op de houten stoel, voel ik het gewicht van de geschiedenis op mij drukken. Zwaar en duister, en tegelijk gevuld van al het verlangen en de hoop die hier op deze plek ooit is uitgesproken. Het genadebeeld staart roerloos voor zich uit. Voel ik mij nu eindelijk een deel van de historiek van deze kerk?
De klokken in de toren beginnen traag en diep te luiden. Ze hebben dat nog nooit voor mij gedaan. Ik werd hier niet gedoopt en ben hier nooit getrouwd. Zullen zij uiteindelijk enkel luiden wanneer mijn doodskist hier staat opgesteld?

Plots hoor ik iemand fluisteren. Ik draai me om, maar zie niemand. Zachtjes veeg ik mijn tranen af en glimlach. Straks begin ik nog spoken te zien. Traag adem ik mijn longen vol en kijk opnieuw naar het genadebeeld.
Nu weet ik het zeker. Ik hoor gefluister. En meer nog, ik hoor hoe iemand rechts achter mij de eerste zijkapel betreedt. Het geluid van hoge hakken weergalmt door de open ruimtes. Een trage, maar kordate tred. Was zij het die fluisterde? Ik wacht tot zij de tweede zijkapel bereikt heeft. Die waar het schilderij hangt van de geboorte van Maria. Ik hoef mijn hoofd maar even zijwaarts te draaien om te zien wie daar loopt. Eerst durf ik nauwelijks te kijken. Stel je voor dat ik me het geluid van de voetstappen heb ingebeeld.
Ik zie een grote, slanke vrouw van een jaar of dertig. Haar bruine haar is in een kort kapsel geknipt. Ze draagt een witte t-shirt met lange mouwen, een stijlvolle jeans en zwarte pumps. Rond haar hals hangt een lange, maar dunne gouden ketting, met daaraan een kruisje. Haar grote handtas hangt aan haar linkerarm. Met haar rechterhand houdt ze een Blackberry tegen haar oor. Ze praat zachtjes, en lacht af en toe. Ze lijkt sprekend op Emma Watson.
Ze kijkt even in mijn richting en onze blikken kruisen elkaar. Ze knikt, maar wandelt verder. Wanneer ze achter het altaar passeert, waar de Gouden Roos achter glas staat opgesteld, stopt het geklik van haar hakken. Ik kijk naar de nis met het verlichte Mariabeeld. De fluisterende stem lijkt van haar te komen.
‘Maak je maar geen zorgen,’ hoor ik de onbekende het gesprek beëindigen. ‘Ik laat je straks weten hoe het verlopen is.’
Ik wacht. Uiteindelijk zal ze opnieuw tevoorschijn moeten komen. Ze kan onmogelijk de kerk verlaten zonder langs de zijkapellen of de centrale ruimte te lopen. In het laatste geval moet ze langs mij passeren.
‘Heb je er spijt van?’
Haar luide stem kaatst langs de muren omhoog, en reikt tot bovenaan in de koepel, waar de vroege zonnestralen langs de ramen van de lantaarn naar binnen schijnen. Ik kijk achterom. Spreekt ze tegen mij?
Ze komt tevoorschijn uit dezelfde richting waarin ze achter het altaar verdween. Ik staar haar aan. Verbouwereerd volg ik haar met mijn blik tot ze naast me komt zitten.
‘Heb je er spijt van?’ herhaalt ze haar vraag. ‘Van je hele avontuur.’
Ik herpak mij. Dit is iemand die ongetwijfeld mijn blog heeft gelezen, waar ik elke week de nieuwe afleveringen van mijn verhaal publiceerde.
‘Nee, natuurlijk heb ik er geen spijt van,’ zeg ik een beetje onwillig. ‘Waarom zou ik?’
‘Omdat het niet uitgedraaid is zoals je had gehoopt.’
‘Wie zegt dat?’ vraag ik net iets te kordaat. Ik begrijp niet waarom zij mij heeft aangesproken.
‘Je hoopte op gemoedelijke gesprekken, met vrouwen die zichzelf voor jou zouden openstellen. Maar de werkelijkheid draaide anders uit.’
‘In sommige gevallen wel, ja. Maar dat lag niet altijd aan de vrouwen in kwestie. Soms durfde ik hen niet de juiste vragen te stellen.’
Ik kijk naar mijn handen. Wat zit ik hier nu te vertellen tegen een wildvreemde. Is zij wel een wildvreemde?
‘En soms wilde je de antwoorden niet horen op de vragen die je wel stelde.’
Er valt een stilte. Ze heeft gelijk. Niet alleen van de woorden van Lowiske was ik bang. Er waren nog momenten in de gesprekken waar ik liever mijn handen op mijn oren had gelegd. Ogenblikken waarop ik niet wilde horen wat deze vrouwen tegen mij zeiden. Nieke die ongewenst bevrucht werd met haar kind, en er later gedwongen afstand moest van doen. Isabella die haar dode baby in haar armen hield. Trees, die haar kind zag sterven aan diarree, en mij het huis uitjoeg omdat ik haar advies gaf. Het onuitgesproken, eenzame verdriet van Katrin, voor de slepende ziekte van haar jongste zoon en de verborgen geaardheid van haar oudste. De levensvreugde van Lowiske, die in schril contrast stond met de smart die ze voelde toen ze aan het graf stond van haar dochter.
De onbekende legt haar hand op de mijne.
‘Die pijn is een deel van de geschiedenis van Scherpenheuvel. En dus ook mijn geschiedenis.’
Ik kijk haar vragend aan.
‘Ben jij ook van Scherpenheuvel dan?’
Het lijkt me onwaarschijnlijk. Ik heb haar nog nooit gezien. Zo’n bevallige verschijning zou ik toch ooit al wel eens hebben opgemerkt. Misschien heeft ze hier als kind gewoond en is ze daarna verhuisd.
Ze heeft natuurlijk wel gelijk. Alle verhalen die deze vrouwen mij hebben verteld, maken deel uit van Scherpenheuvel. Net zoals mijn eigen verhaal er een deel van uitmaakt.
Ik wrijf met beide handen door mijn haar en kijk haar recht in de ogen.
‘Wat is jouw verhaal dan? Wat heb jij te vertellen dat ik niet wil horen?’
Ze lacht, maar voor het eerst verschijnt er een frons op haar voorhoofd. Ik zie dat ook zij iets draagt, net zoals de andere vrouwen.
Ze draait zich in de richting van het altaar en kijkt naar het genadebeeld. Daarna stijgt haar blik omhoog, langs de twee zilveren engelen en het kruis boven de nis. Ze streelt het schilderij van Theodoor Van Loon met haar ogen en houdt halt bij het gezicht van Maria, die in extase naar boven staart terwijl ze langzaam ter hemel stijgt. Heel even stokt mijn adem.
Net op dat moment zoemt haar Blackberry, en ze schrikt op uit haar dagdroom.
‘Ik laat het even naar mijn voicemail gaan,’ zegt ze. ‘Er is altijd wel iemand die mij nodig heeft. Maar dat kan wel even wachten tot straks.’
Ik hoor geluiden achteraan in de kerk. Enkele mensen nemen plaats op de stoelen die het dichtst bij de grote, gietijzeren poort staan.
‘Je moet ze niet zien als smarten,’ zegt ze, terwijl ze iets dichter naar me toe leunt. ‘De pijn die deze vrouwen dragen, kan je veel beter weeën noemen. Weeën brengen niet alleen een boodschap van pijn. Ze houden ook de gedachte van iets nieuws in, iets wonderbaarlijks.’
‘Waar heb jij het over?’ Ik wil haar bij haar naam noemen, maar besef dat ik die niet ken. Ik voel een verwarring in mij naar boven komen, die ik niet kan plaatsen. Wie is dit? En waar heeft zij het over? ‘Toch niet de Smarten van Maria, want dan komen we nog enkele vrouwen te kort. Het zijn er maar vijf, terwijl er zeven smarten zijn. Zeven, weet je wel?’
Zonder enige waarschuwing wordt de basiliek plots gevuld met luide orgelmuziek. Over enkele ogenblikken start de gezongen mis van half tien. Dramatisch en zwaar botsen de noten met de muren en met mijn gedachten. Bij de derde of vierde maat al barst ik in tranen uit.
Ik sta met zoveel geweld recht, dat mijn stoel omkantelt, en met veel lawaai op de grond valt.
‘Laat mij met rust,’ zeg ik tegen de onbekende, die mij begrijpend aankijkt. Ik wil van deze vreemdeling geen begrip krijgen. De geschiedenis die ik zocht is niet af. Ik heb mijn doel niet bereikt. Ik vlucht een van de zijkapellen in. Onderweg zie ik enkele bekende gezichten. Er zit meer volk in de kerk dan ik dacht. Ik veeg mijn tranen af met de paarse sjaal die ik rond mijn hals draag. Ik schaam me.

In de zijkapel leun ik met mijn rug tegen de koude muur. Voor mij hangt het schilderij De opdracht van Maria in de tempel. Een klein meisje staat op de trappen van de synagoge. Ze is een jaar of vijf. Achter Haar staan Haar moeder, Anna, en vader, Joachim, die hun dochter overdragen aan Haar toekomst. Hier zal Maria blijven tot aan Haar puberteit, om daarna Haar moederrol op zich te nemen. Vervuld van de Heilige Geest bestijgt Zij de trappen. Haar kleine gezichtje gloeit van opwinding en verwachting.
Maar mijn ogen worden onweerstaanbaar aangetrokken tot de handen en het gezicht van Anna. Hoe kan zij zo zeker zijn dat dit de juiste beslissing is? Hoe kan zij haar kind zomaar uit handen geven, de handen van een toekomst die niet eens zeker is? Een toekomst die zij zelf niet kan bepalen? Mijn tranen komen opnieuw naar boven.
‘Je hebt de zesde Madonna dan toch gevonden,’ zegt de vreemdeling.
Geruisloos is ze naast me komen staan. Hoe heeft ze dat gedaan, op haar hoge hakken? Ik begrijp eerst niet wat ze zegt. Maar stilaan dringt het tot me door.
‘Je bedoelt dat ik zelf de zesde ben.’
Ze knikt. Ik kijk opnieuw naar de handen van Anna op het schilderij.
‘Je hebt geen keuze,’ zegt ze. ‘Je moet je kinderen aan de toekomst geven. Dat heb ik ook moeten doen, ook al bestond het risico dat mijn zoon dingen zou overkomen die ik niet in de hand had.’
Ik kijk haar verbaasd aan. Plots ziet ze er twintig jaar ouder uit dan in de centrale rotonde. Komt dat door het slechte licht in deze zijkapel?
‘Ben je hem verloren?’ vraag ik, maar ik ken het antwoord al.
‘Ja en nee,’ zegt Ze. En dat zijn dan ook meteen de laatste woorden die Ze spreekt.
Ik draai me om zonder Haar nog aan te kijken, en vlucht. Voor de zoveelste keer vlucht ik weg. Maar dit keer niet alleen van mijn eigen pijn, maar ook van de Hare. Weg van al Haar smarten. Alle zeven.

Buiten hap ik naar zuurstof. De zon schijnt nog steeds, en het is warmer dan toen ik binnen ging in de basiliek. Op het plein staat een lijkwagen. De ceremoniemeester van het funerarium geeft nog enkele laatste instructies voor de begrafenis die straks begint.

Ik wandel rond de kerk. Het is ook voor mij tijd voor een begrafenis. Vandaag moet ik afscheid nemen van het verleden. Het verleden van dit dorp, het verleden van deze kerk, het verleden in mijn hart. Ik kan de tijd niet terugdraaien en veranderen. Ik kan de dingen die verloren zijn gegaan, waar ik de moed niet voor had, of die fout zijn gelopen, niet rechtzetten. Het allerbeste dat ik kan hopen is dat ik mij kan neerleggen bij het verloop van de geschiedenis. Haar aanvaarden in haar starre onwrikbaarheid. Want haar herschrijven is geen optie.
Als een magneet word ik aangetrokken tot de plek waar Nieke Exelmans eeuwen geleden begraven lag. Ik kniel bij haar fictieve graf, dat nu verdwenen is onder de plaveien rond de kerk. Ontroerd raak ik de grond aan en breng haar een laatste groet. Daarna zoek ik de plaats van het graf van Trees Polaster. Ik zeg haar het me spijt dat ik niet in haar mirakel geloofde. Mocht ik het nog eens overdoen, ons gesprek zou helemaal anders verlopen zijn. In mijn gedachten bezoek ik ook de graven van Aartshertogin Isabella, Katrin Van Kerkhoven en Lowiske, mijn grootmoeder. Ik neem van elk van hen om de beurt afscheid.

Aan de zuidkant van de Hortus Conclusus ga ik in de zon zitten. Ik leun met mijn rug tegen de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Scherpenheuvel, en sluit mijn ogen. Ik hou van deze plek. De grond die mij draagt, de muur die mij steunt, ze zijn helemaal van mij. Hier hoor ik thuis, want hier woont mijn vreugdevolle hart.










* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

woensdag 21 maart 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (17)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Lowiske - 12 september 1948

Deel 3 - Het interview

Lowiske gaat voor mij de berg op. Ze stapt met ferme tred, en ik ben al buiten adem wanneer we boven op de Kant aankomen. Ze kijkt me verbaasd aan.
‘Ge moet niks zeggen,’ snijd ik haar meteen de pas af. ‘Ge moogt niet vergeten dat ik 20 jaar ouder ben dan gij.’
Ze lacht. Ik weet ook wel dat mijn leeftijd niet de reden is waarom ik hier niet de berg opdartel, zoals zij dat kan.
‘Teveel aan de koekskes gezeten, geloof ik,’ zegt ze.
Over koekjes gaat zij nog veel leren, binnenkort, wanneer ze in de fabriek van De Beukelaer werkt. Daar mogen de werknemers zoveel koekjes eten als ze maar willen, heeft ze horen zeggen, maar na een paar dagen kunt ge geen zoetigheid meer voor uw ogen zien, en zijt ge daar voorgoed van genezen. Misschien moet ik daar eens een tijdje gaan werken.
Nochtans heeft Lowiske Snit en Naad gestudeerd bij de Ursulinen. Daar zou ze toch ook ergens mee aan de bak kunnen. Hier op de Gemeente is er zelfs een naaiatelier. Maar Martha Weckx is nogal kieskeurig. Ze neemt niet zomaar eender wie in dienst. Als ge al begint met dat soort rare kuren, hoeft het voor Lowiske niet. Dan liever elders naar werk zoeken. Ook al is werk zoeken voorlopig niet noodzakelijk. Fons verdient genoeg in de put om zijn gezin te onderhouden. Toch komt haar kennis van Snit en Naad haar goed van pas, omdat ze drie kinderen heeft. Ze kan zelf hun kleren maken. Bovendien kan ze naast naaien, ook goed breien en haken, een talent dat ze in de toekomst aan een van haar kleindochters zal doorgeven.

Eens op de Kant passeren we het eerste huisje. Daar woont de weduwe Victorine, met haar zoon Gustaaf. De deur staat open, maar voor zover ik kan zien, is er niemand thuis.
Ik knik naar de man die voor de deur van het tweede huisje op een zetel zit, alsof het zijn troon is. Ook al heb ik de verhalen over hem gehoord, toch kijk ik verrast op wanneer ik merk dat hij geen benen heeft. Laeremenneke knikt naar mij. Ik knik vriendelijk terug. Zijn vrouw heet Marie Sledder, en dat vind ik een van de meer kleurrijke namen hier op de Gemeente. Ge moet u toch echt afvragen hoe ze die naam verdiend heeft. Ik durf me er nauwelijks iets bij voorstellen!
De kinderen van het Prattenborgplein zijn een beetje bang van Laeremenneke. Nochtans heeft de man nog nooit iemand kwaad gedaan. En plezant moet dat ook niet zijn, zo vastgeklampt zitten aan je zetel, de hele dag. Het feit dat ze in dit huisje geen wc hebben, en dat Marie elke ochtend de volle pispot over de Kant op straat uitkapt, helpt de populariteit van haar man ook niet bij de kinderen. Ook al is de pis natuurlijk niet alleen van hem.

We wandelen voorbij nog twee huisjes en arriveren bij het laatste. Daar staan, zoals Lowiske al had aangekondigd, twee stoelen klaar. Ook hier staat de voordeur wagenwijd open. Er is geen reden om alles op slot te doen. Hier wonen vrienden onder elkaar. Dieven houden zich hier niet schuil achter hoek en kant. In de toekomst zal dat veranderen. Dan wordt er zelfs ooit een moord gepleegd in de Amerstraat, die eigenlijk de Prattenborgstraat heet. Technisch gesproken is dat natuurlijk niet de Gemeente, maar het is er zo dichtbij dat het bijna op hetzelfde neerkomt.

Over koffie wordt er niet meer gesproken. Lowiske installeert zich op een van de stoelen. Ze drapeert haar witte jurk voorzichtig rond zich. Dit is de bruidsjapon van Tin. Of wat er moet voor doorgaan. Het is eigenlijk het kermiskleed van Virginie, de buurvrouw. Het is een beetje te kort voor Lowiske, omdat ze zo groot is. Groter dan alle vrouwen op de Gemeente, en groter dan een goed deel van de mannen ook.
Ze kijkt over de rand, naar de drukte beneden. Terwijl ik traag mijn schrijfgerief bovenhaal, heb ik de kans om haar nog eens goed te bekijken. Ze is zo jong en bruisend van leven. Nochtans broedt er onderhuids iets. Een probleem met haar gezondheid. Haar hart. Maar dat weet ze nu nog niet. Gelukkig zal het opgelost geraken, ook al zal ze er een prijs voor moeten betalen. Niet zij alleen. Ook haar dochtertjes, die tijdens haar revalidatieperiode op kostschool moeten.
Ik ken het hele levensverhaal van Lowiske. Ik weet meer over haar dan over alle andere vrouwen die ik tijdens deze zoektocht naar de geschiedenis van Scherpenheuvel heb geïnterviewd. Het is dan ook precies om die reden dat ik zo bang ben van dit gesprek. Stel je voor dat ze iets zegt dat ik niet wil horen? Dat ik niet wil weten?
Ik zie hoe ze met haar duim aan het topje van haar middenvinger voelt. Ze draait de twee vingers in cirkeltjes rond elkaar. Eerst met haar ene hand, dan met haar andere. Het is een onbewuste handeling. Toen ik klein was, heb ik haar dat duizend keer zien doen. Het is een van de vele details die ik mij herinner. Ook hoe zacht haar boezem was om tegen te leunen. Op een dag was ik met mijn fiets gevallen in de Koningin Astridstraat. Ze verzorgde in de keuken eerst mijn kapotte knieën, en nam mij daarna op schoot om mij te troosten. Ik moet een jaar of zes geweest zijn. Ze rook naar een mengeling van rozenwater en eau de cologne.
Ik voel de tranen in mij naar boven wellen. Eerst langzaam, als buikpijn die onderaan begint, en langs mijn darmkanaal tot in mijn maag kruipt, om daarna in mijn hartstreek alle verdriet bijeen te rapen en langs mijn keel naar boven te klauteren. Daar zetten de tranen zich klaar achter mijn ogen. Klaar voor de aanslag.
Ik wil niet dat ze weet wie ik ben. Dus vecht ik tegen mezelf. Straks zal ik mijn emoties de vrije loop laten. Nu wil ik mij eerst doorheen dit gesprek worstelen. Dit keer zal ik geen enkele vraag stellen die ik heb voorbereid.

Waar zijn uw man en kinderen, Lowiske?

Die lopen hier ergens rond, veronderstel ik. Er kan die meiskes weinig overkomen. Onze Fons sleurt graag met die kleinste rond. Dat is nen echter kinderpastoor. Eigenlijk is hij zelf nog een klein kind. Die twee grootsten, die durven al wel eens kattenkwaad uithalen. Die gaan met de jongens van de Gemeente mee spelen in de kwekerij. Of vechten tegen die van Perkbos. Dat zijn twee kwajongens, feitelijk. Vooral ons Marianne. Hoeveel keer dat die haar knieën kapot valt op een maand, dat kunt ge al lang nimeer tellen. Binnenkort moet ze haar eerste communie doen. Het is te hopen dat ze haar eigen tegen die tijd in ere kan houden.

Hebt ge er geen spijt van dat ge zo jong moeder geworden zijt?

Nee begot, daar heb ik geen spijt van. Onverwacht was dat wel gekomen, da’s waar. En ons moe was daar niet al te content mee. Ik veronderstel dat ze mij nog een tijdje thuis wilde houden. Zij is ziek, ons moe. Suiker. Ze kan niet meer zo goed onder de voeten uit. Dus gaan wij veel naar de Groenstraat. We moeten wel. Nog een geluk dat ons moe en onze va er waren tijdens den oorlog. We zouden anders verhongerd zijn. Een ei en verse melk kunnen wonderen doen voor klein kinderen. Ook al hebt ge niet veel, ge kunt het verdelen. Wij hebben geluk gehad. Er zijn er geweest die minder geluk hadden.

Hoe hebben die anderen dan de oorlog overleefd?

Met moeite, zeker. We hebben zoveel mogelijk mensen proberen te helpen, maar ge kunt niet iedereen in leven houden. Ge moet af en toe ook aan uw eigen denken. Die mensen gingen dan om bijstand smeken aan ons Liefvrouwke. Maar helpen heeft dat in de meeste gevallen niet gedaan, als ge ’t mij vraagt. Beter was van gaan te smokkelen. Dat bracht ten minste centen op. Maar daar moet ge wel het lef voor hebben. Wij durfden dat niet. Maar als ge honger hebt, durft ge alles. Om te beginnen moest ge dan al tot in Zichem geraken om daar de trein te pakken. Met de boemel vanuit Scherpenheuvel moest ge ’t niet proberen. De Duitsers controleerden elke trein die hier binnen en buiten reed. Ge kon dan te voet door het Zichems veld proberen, of met ne grote omweg. En als ge chance had, was de boter niet gesmolten die ge in uw smokkelrok gestoken had. Kent ge dat, ne smokkelrok? Nee, zeker. Awel, dat is ne rok waar er allemaal zakken aan de binnenkant ingenaaid zijn. Daar steekt ge dan van alles in en naait het dicht. De mensen worden altijd maar slimmer in zo’n situaties. Maar er werden er ook gepakt, zenne.

Waren er ook mensen die meededen met de Duitsers?

Ja, veronderstel ik. Maar ik ga mij daar niet over uitspreken. Den oorlog is voorbij. Zand erover.

[[Het is duidelijk dat ze hierover niet wil praten. Het interesseert me ook niet. Ik wil haar niet horen vertellen over de oorlog. Ik heb duizend vragen voor haar, maar ik durf haar geen enkele stellen. Ik heb nu al spijt van dit interview. En tegelijk wil ik vandaag enkel op deze plaats zijn, met deze vrouw.]]

Zijt gij katholiek, Lowiske?

Wat is dat voor een rare vraag. Is niet iedereen in Scherpenheuvel katholiek?

Ja, ja, daar ben ik mij van bewust. Ik zal mijn vraag anders stellen: gaat ge naar de mis?

Ge moet niet naar de mis gaan om katholiek te zijn. Als het echt moet, dan ga ik. Als er een begrafenis is, of er trouwt iemand. Dan ga ik. Ge verstaat daar toch niks van. Het is allemaal in ’t Latijn te doen. Waarom is dat, trouwens? Weet gij dat? Waarom kunnen ze dat nu niet gewoon in ’t Vlaams doen? Dat de gewone mensen daar ook iets aan hebben. Nee, nu staat die pastoor daar met zijn rug naar het volk. Dominus vobiscum en zo. Schoon klinkt dat wel. Een gezongen mis kan heel schoon zijn, maar ik versta daar geen woord van. Ik weet alleen wanneer ik wat moet zeggen. Aan onze Fons kunt ge vragen wat dat allemaal van betekenis heeft. Die zal je dat helemaal kunnen uitleggen. Ge weet toch dat hij pastoor wilde worden, he? Ik denk vooral dat het Fien Tuf was, zijn moeder, die dat wilde. Ze zou nogal hebben kunnen stoefen met ne pastoor in de familie. Hare vent is nochtans ne socialist. Legt gij dat eens uit, als ge kunt. Nu heeft ze in plaats van ne pastoor een schoondochter en drie kleindochters. Dat vindt ze precies minder om over te stoefen.
De kerk, daar moet ge uw bonen niet op te weken leggen, meiske. Als puntje bij paaltje komt, hebt ge aan het geloof toch niks. Op mensen kunt ge rekenen, mekaar verder helpen, iemand troosten. Dat zie ik ons Liefvrouwke nog niet doen van op hare zilveren sokkel daar in de basiliek. Een kaars gaan branden, dat kunt ge. En wat is het resultaat? Dat ge uw geld kwijt zijt.

[[Meer en meer verlang ik ernaar om gewoon recht te staan en te verdwijnen. Ik wil haar vertellen dat ze over een jaar of tien een café zal openen in de Statiestraat, die ze de Red Star zal noemen. Dit café wordt het ijkpunt voor een hele generatie jonge mensen van Scherpenheuvel, een ontmoetingsplek waar ze zich kunnen amuseren en naar de rock ’n rollmuziek luisteren die uit de jukebox komt. Maar het is ook diezelfde Red Star waarop de pastoor en de katholieke goegemeente van Scherpenheuvel zullen neerkijken. De bekrompen dorpsmentaliteit zal dicteren dat een fatsoenlijk katholiek meisje en een fatsoenlijke katholieke jongen best aan de overkant van de Statiestraat lopen, om dat hol des verderfs te vermijden. De pastoor zal niet preken tegen het café van Lowiske en haar mooie dochters, maar het zal toch niet veel schelen.

Ook wil ik haar vertellen dat ze toch nog een aantal keren in die basiliek zal moeten zitten, willen of niet. Om haar dierbaren te begraven. Over acht jaar sterft haar moeder, Marieke Vlaeminck, verlamd en blind van suikerziekte. Daarna, over 26 jaar, is het de beurt aan haar vader, Frans Kriekel, veteraan van de Eerste Wereldoorlog, voor wie zij moedig en vele jaren zorg draagt. En over 43 jaar moet zij haar grootste smart doorstaan. Dan sterft haar dochter, Liliane, als een verwelkte bloem. Lowiske zal haar begrafenis organiseren alsof het haar eigen begrafenis is. Ze zal haar oogappel ten grave dragen, samen met haar hart. Aan het graf van haar dochter zal ze staan naast wat er nog overblijft van haar Fons. Een zieke en gebroken man, die aaneenhangt met de liefde voor een vrouw die hem als losse eindjes aan elkaar knoopt. Een jaar later zal ze zijn hand vasthouden, terwijl hij zijn laatste, lastige adem uitblaast. Dan vouwt ze hem samen tot een hoopje herinneringen, legt hem in een schoendoos en bewaart hem in de kleerkast van de Sissykamer, waar haar zes kleinkinderen zich ooit prinsen en prinsessen waanden, toen ze op zaterdagavond kwamen logeren.

Ik kan haar geen echte vragen meer stellen. Enkel de meest banale. Terwijl ik niet liever zou willen dan haar vastpakken, zeggen dat ik haar graag zie.]]

Kijkt ge uit naar de viering van vandaag, Lowiske?

Natuurlijk. We hebben daar lang aan voorbereid, zenne. Iedereen viert mee. En straks gaan we plezier maken en dansen. Dat doe ik graag. Ge krijgt daar nog maar nauwelijks de kans voor tegenwoordig. Met kermis, dan wel. Dan dansen we een hele nacht. Zeker nu den oorlog gedaan is. Niks zo plezant als met uw vrienden en geburen plezier maken.
De kinderen leggen we straks zoveel mogelijk samen in bed. Want alle moeders en vaders gaan feesten vanavond. Ge zijt toch niet vergeten dat ge ook uitgenodigd zijt, he?

Nee, nee, ik weet het nog. Ik zal zeker komen.

[[Maar ik lieg tegen haar. Ik zal niet naar het feest gaan. Van zodra dit gesprek afgelopen is, zal ik mezelf hier uit de voeten maken. Voor mij is het genoeg geweest. Ik wil niet meer terug in de tijd. Ik wil alleen nog vooruit. Scherpenheuvel ligt voor mij enkel nog in de toekomst, niet meer in het verleden. Het is genoeg geweest.]]

Wilt gij nog iets weten? Want ik zie dat ze daar teken staan te doen op mij.

[[Ze staat recht. Ik wil nog duizend dingen weten, maar zij voelt net zo goed als ik dat dit gesprek nergens toe leidt. Ook al kent zij de reden niet.]]

Ga maar rap naar beneden, Lowiske. Ik denk dat het gaat beginnen. Als ge ’t niet erg vindt, blijf ik hier nog effen zitten om te kijken.

[[Ze grabbelt de stof van haar jurk bij elkaar, en rent in één vloeiende beweging, langs de huisjes op de Kant, de berg af. Ze neemt haar positie in de stoet in, aan de arm van Remi Jacobs. Een klein meisje van een jaar of zeven, met gitzwart haar, duwt haar een boeket bloemen in de handen. Ze neemt de bloemen in ontvangst en kust het meisje op haar hoofd. Is dit… ?
Samen met Remi poseert Lowiske nog snel voor een foto. Ze lacht haar allermooiste lach. Daarna barsten de festiviteiten op de Gemeente los.]]


---

Ik sprint de berg op, in de richting van de basiliek. Het is druk in het centrum, maar ik elleboog mij een weg door de mensenmassa. Ik denk enkel nog aan vluchten. Vluchten naar mijn eigen wereld, terug naar mijn eigen tijd, in een hopeloze poging weg te lopen van de laatste herinnering die ik heb van Lowiske.

In het mortuarium sta ik naast het lichaam van de vrouw die enkele uren geleden nog mijn grootmoeder was. Ik wandel rond de tafel, kijk naar de kleren, en de dichtgevouwen handen op de holle buik. Ik zoek in de ingevallen wangen, de blauwe lippen en de gesloten ogen een spoor van haar warmte. Wat ik zie is een leeg omhulsel dat ooit de ziel van het mooie, wulpse Lowiske bevatte. Ik kus haar ijskoude voorhoofd, draai me om, en verlaat de kille kamer.





Lees ook de laatste aflevering: De Madonna's van Scherpenheuvel (18)


* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

zondag 18 maart 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (16)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Lowiske - 12 september 1948

Deel 2

Nu de oorlog voorbij is, hangt er in heel Scherpenheuvel een sfeer van opluchting en optimisme. De mensen hebben het niet breed, maar er is solidariteit. Zeker op het Prattenborgplein. Iedereen deelt hier hetzelfde lot, en dat brengt de mensen duidelijk bij elkaar. Niemand is beter of slechter dan zijn buurman. Als iemand iets nodig heeft of in de penarie zit, dan schiet er wel altijd iemand te hulp. Dit is een buurt van kameraden en verwanten, zoals er in mijn tijd nog maar weinige bestaan. Terwijl ik het plein overschouw, voel ik heimwee naar iets dat ik nooit echt gekend heb.
Natuurlijk wordt er af en toe ook al wel eens iets achter de rug van een ander gezegd. Dat hoort erbij, zoudt ge kunnen zeggen. Hier op de Gemeente zijn ze daar specialist in. Wanneer er twee vrouwen in de voorkamer van Orinne zitten om een permanent in hun haar te laten zetten, kan het wel eens gebeuren dat Alice van de Rosse, die enkele huizen verder woont, haar oren voelt flapperen. Ze gaat gretig over de tongen, omdat ze de avond voordien weer eens zat buiten gekomen was uit het café van Marie Congo. Alice van ’t Frutkot, die zo wordt genoemd omdat ze boven, in het dorp, een frituur uitbaat, is eigenlijk nog maar een jonge twintiger, maar ze drinkt nu al gelijk een Zwitser. In feite is ze vaker zat dan nuchter. Dan maakt ze ruzie dat ge het tot op de Kant kunt horen. Meestal begint de ambras omdat ze geen vijf cent meer op zak heeft om in de pianola te steken, die een automatisch deuntje speelt. Wanneer ze op het punt staat de pianola een ferme stamp te geven, haalt Marie Congo haar vader War erbij. Een potige kerel die Alice met één hand onder bedwang kan houden, tot iemand de Rosse gaat roepen. Hij sleurt zijn vrouw dan, al vechtend en met veel kabaal, de straat op en naar huis.
Nochtans weet iedereen dat Alice een goed hart heeft. Het gerucht doet de ronde dat ze drinkt van verdriet, omdat ze geen kinderen kan krijgen. Haar daarover iets vragen doet niemand, want dat zijn privézaken.
Bij Orinne wordt elke zaterdag de hele week besproken. Binnen in het kapsalon, en ook buiten op straat, wanneer de vensters en voordeur openstaan, hangt er een constante geur van verbrand haar. Tijdens het krullen wordt het kapsel van de klanten min of meer verschroeid. Of verkesterd, zou ik beter zeggen. Maar dat hoort erbij. Het houdt zeker de vrouwen van de Gemeente niet tegen om hier hun haar te laten doen. Ze zijn zo goed als allemaal vaste klant bij Orinne.
De mannen bespreken de zaken van de week dan weer bij War Congo, de barbier. Op zondag laten ze zich door hem scheren voor ze naar de mis gaan, en achteraf komen ze bij dochter Marie hun vrome gedachten wegspoelen met een stevige pint bier. Ze hebben elke zondag spijt dat ze tijdens de offerande een cent teveel in de collectemand hebben gelegd, puur uit schrik voor de koster, die een tekort aan Godsvrucht meteen rapporteert aan de pastoor. Dus elke zondag hebben ze geld te weinig om die laatste pint te betalen. Als Marie hun schuld niet meer wil opschrijven, omdat het al tegen het einde van de maand loopt, proberen ze het bij Fik Campagne, die als man meer begrip heeft voor dat soort onverwachte complicaties. Nu ja, aan cafés is er op de Gemeente geen gebrek. Er zijn er zeven. Desnoods kunnen ze op de hoek met de Amerstraat bij Leonie Boek en haar man, den Tia, proberen. Maar om de moed te vinden om daar binnen te gaan, moet ge al bijna op voorhand een stuk in uw voeten hebben. Want als Leonie lastig is, krijgt ge gegarandeerd uw saus. Leonie is ook niet al te strikt met de hygiëne. Dus ge moet als klant een redelijk sterke maag hebben om daar lang aan de toog te hangen. In de gang naast het huis mest Leonie een varken vet. Telkens het varken daar zin in heeft, waggelt het het café binnen, waar het zich installeert tussen de klanten die met de kaarten spelen.

De Gemeente is echt een plaats van couleur et odeur locale. Zo brengt de geur van verbrand haar, die rond het huis van Orinne hangt, voor sommige mensen slechte herinneringen naar boven. Vlak na de eeuwwisseling, toen aan de zuidkant van het plein nog lemen huizen stonden, is het boeltje hier eens helemaal in de fik gegaan. De kleine werkmanshuisjes hadden zolders die open waren aan elkaar. De kinderen kropen in de winter op die zolders en speelden daar oorlogje, of moedertje en vadertje, al naar gelang hun leeftijd en ingesteldheid. Ze liepen dan van de ene kant van de Gemeente naar de andere, zonder buiten te komen.
In het najaar waren ze, samen met hun ouders, met handkarren en kruiwagens naar Averbode Bos getrokken, dat toen nog veel groter was. Daar sprokkelden ze dennenappels en dode takken, om thuis de hele winter lang te kunnen koken en verwarmen. Dat was veel goedkoper dan kolen, die de meeste mensen zich toch niet konden permitteren. Iedereen stockeerde zijn hout op die zoldertjes.
Hoe het juist gebeurd is, weet niemand. Germaine beschuldigde haar zuster Lisa ervan dat ze kokeneteke wilde spelen en een vuurtje had gestookt om soep op klaar te maken. Liza kreeg van haar vader een pak slaag met de riem. En had hij daarna zijn dochter niet in bescherming genomen, zou ze van de andere huiseigenaars ook een pandoering hebben gekregen. Wie het vuur ook had aangestoken, het resultaat was dat de hele zuidkant van het plein, op twee lemen huisjes na, volledig moest worden herbouwd. In baksteen dit keer.

‘Zijt gij Clara?’ vraagt een kleine snotaap van een jaar of zes. Ik herken haar meteen, ook al heb ik haar alleen als volwassen vrouw gekend.
‘Ja, ik ben Clara,’ beaam ik. ‘En ik weet wie jij bent.’
Het kleine meisje verschiet.
‘Ah ja, wie dan?’
‘Gij zijt de dochter van Clemans en Jef Stips. Gij heet ook Louisa, gelijk Lowiske, die ik vandaag kom bezoeken.’
Voor het eerst sinds het begin van dit hele avontuur heb ik het gevoel dat ik de geschiedenis heb ingehaald. Dit kleine meisje, dat hier met een vrolijk gezichtje naar mij staat te gapen, heeft mij geholpen om de historiek van dit plein te reconstrueren. Wanneer ze op sterven na dood is, ziek van een aanslepende ziekte, steekt ze, met bijna bovennatuurlijke vastberadenheid, haar laatste krachten in het neerpennen van haar herinneringen, tot in de fijnste details. Het plezier en de vrolijke kindertijd die zij hier, op de Gemeente, heeft beleefd.
Bij Clemans en Jef, die ook de Stipper wordt genoemd, is het de zoete inval, moet ge weten. Hun deur staat altijd open. Zowel voor kinderen als voor grote mensen. Ooit zal de Stipper stationschef van Scherpenheuvel worden. Dan verhuist de hele familie naar het statiehuis. De Gemeente verlaten zal niet gemakkelijk zijn, maar tegen die tijd zijn al veel families verhuisd.

‘Wilt gij eens iets doen voor mij?’ vraag ik aan het kleine meisje. ‘Kunt gij tegen Lowiske ginder eens gaan zeggen dat ik binnen een kwartier met haar kom praten?’
Ze huppelt weg in de richting die ik aanwijs.
Ik moet eerst even tot mijn positieven komen, voor ik aan dit gesprek kan beginnen. Ik wandel voorbij de kruidenierswinkeltjes van Marieke Net en Anna Kwak, waar de geur van verse boeksharing mij zelfs door de gesloten deur aanvalt. Het is zondag vandaag, dus de winkels zijn toe. Gewoonlijk staat bij Anna meer volk in de winkel dan bij Marieke. Dat heeft niet alleen met het groter aanbod van koopwaar te maken. Zo verkoopt zij bijvoorbeeld zelfopgelegde haring en zelfgemaakt ijs. Anna biedt bovendien ook de mogelijkheid om te kopen op krediet. Ze heeft een boek waarin ze opschrijft hoeveel haar klanten nog moeten betalen, en ze rekent de schulden af wanneer iedereen zijn loon getrokken heeft.
Aan de winkel van Fons de Verver blijf ik staan en draai mij om. Op deze manier heb ik een goed zicht op de overkant van het plein. Al sinds ik een klein kind ben, hoor ik mensen praten over de Kant, een deel van het Prattenborgplein waar de huizen tegen de flank van de heuvel opgebouwd zijn. Ze bevinden zich dus niet op het niveau van de straat, maar een heel stuk hoger. Ik heb me nooit kunnen voorstellen hoe dat er precies uitzag, maar nu lijkt het me logisch. De vijf huisjes die daar staan, zijn bereikbaar via de steile berg die naar het centrum van het dorp leidt. De kinderen van de Gemeente moeten elke dag die berg op om naar school te gaan. De kleuters gaan naar het Bonnekeskot, de meisjes bij de nonnen in het klooster en de jongens in de broederschool. Wanneer het mooi weer is, is dat geen probleem, maar in de winter, als het gesneeuwd heeft en de berg er spekglad bijligt, moeten ze regelmatig, en met grote moeite, op handen en voeten naar boven klauteren. Later op de dag, wanneer ze terug naar huis komen, amuseren ze zich kostelijk. Dan glijden ze duizend keer met de ijsstoel de berg af. Van enige moeite om boven te geraken is er dan natuurlijk geen sprake meer. Ook al is er nauwelijks verkeer op de Gemeente, toch moet er van de moeders altijd iemand beneden aan de berg op uitkijk staan, om te verwittigen wanneer er een auto nadert. Voor alle zekerheid.

Ook al is dit al het jaar des heren 1948 en heeft de vooruitgang al enige tijd zijn intrede gedaan in Scherpenheuvel, toch zijn hier op de Gemeente nog steeds niet alle huizen aangesloten op het elektriciteitsnet of de waterleiding. Om dat laatste euvel te verhelpen staat op het plein een waterpomp. De mensen die geen kraan in huis hebben, komen elke dag met twee emmers tot aan de pomp om water te halen. In hun keuken staat een grote stenen kruik met deksel, die ze opvullen. Op die manier moeten de moeders niet om de haverklap heen- en weerlopen naar de pomp. Vooral tijdens het koken komt dat goed van pas.

Lowiske, die ik kom interviewen, woont op de Kant met haar gezin. In het huisje helemaal rechts. Ze is een boerendochter, geboren en getogen op de Groenstraat in Kaggevinne, dus eigenlijk geen autochtone inwoner van Scherpenheuvel. Maar ze zal hier wel de rest van haar leven blijven. Haar vader, Frans Kriekel – wat zijn die bijnamen toch schitterend – en zijn vrouw Marie Vlaeminck, hebben op de Groenstraat een boerderij en een lap grond. Eerst kregen die twee alleen maar zonen. Drie stuks. Drie uit de kluiten gewassen knapen, wat natuurlijk handig is op een boerderij. Maar Marie haar hart was eraan om ook een dochter te krijgen. Een moeder heeft toch nog altijd meer plezier van een dochter dan van een zoon. En meer hulp in het huishouden.
Marie kreeg haar dochter in 1923. Louise was een beeld van een kind. Ze werd geboren met donker haar, dat aan de Spanjaarden deed denken, die honderden jaren geleden de streek onveilig maakten. Wie weet had een verloren gelopen soldaat ook het erf van hun voorvaderen gekruist, of misschien zat in dit kleine meisje wel een spoor van het bloed van Jan van Nieke Exelmans. Het zou begot een eigenaardig toeval zijn.
Zeven jaar later kreeg Marie Vlaeminck nog een zoon, terwijl ze dacht dat ze in het keren van de jaren was. Niet de eerste keer dat dit een vrouw overkomt in deze geschiedenis, maar het blijft verschietachtig.

Het wordt steeds drukker op het plein. De voorbereidingen voor de festiviteiten zijn op volle toeren. Van waar ik sta, kan ik Lowiske zien, die al uitgedost is voor de stoet, die later op de dag zal rondgaan. In die stoet speelt zij Tin van de Zwette van Wachtebeke op haar trouwdag, vijftig jaar geleden. Nog een geluk dat het mooi weer is en het niet regent, want haar gitzwarte krullen, die Orinne omhoog gestoken heeft om onder de witte kap te passen die zij op haar hoofd draagt vandaag, zouden anders helemaal slap vallen.
Lowiske heeft bruin-groene ogen en volle wenkbrauwen, die ze al van jongs af aan in hoge bogen epileert, waardoor ze met een licht verwonderde uitdrukking door het leven gaat. Haar bevallige lippen omsluiten parelwitte tanden, die duidelijk haar trots zijn, en die ze op deze vrolijke dag regelmatig helemaal bloot lacht. Haar rechte neus en hoge jukbeenderen houden haar gelaat in balans.
Ze is groot voor haar tijd.
‘Te groot voor een meiske,’ zuchtte haar moeder vroeger, die zelf niet boven anderhalve meter was uitgegroeid. Ook de mooie benen van Lowiske waren van bij de puberteit te lang. Te mooi en te lang.
‘Straks zegt ge nog dat haar borsten te groot zijn,’ lachte Frans Kriekel, ‘en haar gat te dik.’
‘Ze maakt de jongens zot,’ zuchtte Marie Vlaeminck.
Frans zag hoe zijn boerderij voor zijn enige dochter een speeltuin was, waar ze na het werk ravotte in het veld met haar broers en hun vriendjes. Marie zag hoe de verleiding van het spel, en de geur van het hooi, de blikken van de buurjongens veranderden, toen de dijen van Lowiske ronder werden, en haar lippen, zoals haar borsten, alsmaar voller.

Ze trouwden in november. Lowiske was zeventien, en haar Fons twee jaar ouder. Frans Kriekel zuchtte toen hij naar de volle buik van zijn dochter keek. Hij had haar tijdens Scherpenheuvel kermis moeten binnen houden.
Fons, die er nochtans ooit aan gedacht had om pastoor te worden, maar nu samen met zijn kersverse bruid een baby verwachtte, vertrok met de trein naar Waterschei. Omdat hij humaniora had gedaan, mocht hij werken op de bureau van de steenkoolmijn. Maar al gauw stelde hij vast dat er als putter meer geld te verdienen was. Dus daalde hij af. Een beslissing die hem uiteindelijk zijn gezondheid, en op lange termijn zijn leven zal kosten.
Nu wonen Fons en zijn Lowiske in een huisje op de Kant, dat ze huren van een tante. Ze hebben drie dochtertjes, van zeven, zes en twee jaar, die Marianne, Liliane en Diane heten. Meer kinderen zullen er niet komen, maar dat is geen ramp, want meer plaats is er in dat kleine huisje toch niet. Later, wanneer de Pépinières van de familie Michiels, die voorlopig ook deze wereldoorlog overleefd hebben, toch de deuren sluiten, en de grote kwekerijen van de Witte Hoef en Perkbos worden opgedoekt, zullen Fons en Lowiske een stuk bouwgrond kopen in de straat hiernaast, die in mijn tijd de Koningin Astridstraat heet. Daar zullen ze een huis bouwen en de rest van hun leven blijven wonen.

Nu kan ik de ontmoeting niet meer uitstellen. Lowiske komt kordaat naar me toe gestapt. Mijn hart bloedt, want ik heb haar verschrikkelijk hard gemist. Ze trekt de witte handschoen van haar rechterhand uit. Ik neem ze in de mijne en zie op haar gezicht dat ik er iets te hard in knijp. Zo goed en zo kwaad ik kan, slik ik de krop in mijn keel door.
‘Awel, gaat er nog iets van komen?’ vraagt ze. ‘Want over een half uur gaat de stoet uit en dan heb ik geen tijd meer om te lameren. Dan moeten Remi en ik het bruidspaar spelen.’
Ze wijst in de richting van Remi Jacobs, die klaar staat om zijn rol van de jonge Nat Gommé naar best vermogen te vertolken. Hij heeft er, net zoals Lowiske, duidelijk zin in. Hij heeft een sjiek kostuum aan, met een zwarte pitteleer en een bolhoed. Zijn vrouw Fien geeft hem tegen zijn voeten omdat hij een sigaret staat te roken.
‘Sebiet brandt ge nog een kot in uw broek,’ hoor ik haar zelfs tot hier zeggen.
Remi kijkt haar eens vies aan. Over voorzichtig zijn met vuur hoeft ge hem niks bij te brengen. Hij werkt in de lampisterie van de koolmijn, de plaats waar de carbuurlampen van de mijnwerkers worden onderhouden en bijgevuld. Daar leert ge pas veilig omspringen met vuur. Want als het niet in orde is, kunt ge serieuze kweddelen krijgen.

‘Ik heb op de Kant twee stoelen buiten gezet,’ zegt Lowiske. ‘Daar is ’t toch een klein beetje rustiger. Hier met al dat lawaai gaan we niet kunnen klappen. Ik zal in de rapte nog een zjat koffie maken, als ge wilt.’
Ik verzeker haar dat dat niet nodig is. Dat ik geen koffie drink, vertel ik er niet bij.
‘Hebben we echt niet meer dan een half uur om te praten?’ vraag ik haar teleurgesteld.
‘Hoezo?’ Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Komt ge niet naar ’t feest deze avond? Dan kunnen we daar toch verder klappen.’
Ik veronderstel dat dit haar manier is om mij uit te nodigen. Eigenlijk was ik niet van plan om zo lang te blijven. Maar voor deze vrouw ben ik bereid een uitzondering te maken.






Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (17)

* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

donderdag 15 maart 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (15)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Lowiske - 12 september 1948

Deel 1

Dat de vooruitgang uiteindelijk ook Scherpenheuvel zou bereiken, was ten langen leste onvermijdelijk. Nog geen twaalf jaar na mijn laatste bezoek, vlak voor de eeuwwisseling, werd er een spoorlijn geopend tussen Zichem en het bedevaartsoord. De Leuvensestraat, die van aan de kerk in westelijke richting liep, werd eerst in de volksmond, en later officieel, omgedoopt tot de Statiestraat.
Een stoomtrein boemelde meerdere keren per dag heen en weer, om bedevaarders aan en af te voeren. Maar dit treintje was niet enkel een pendel voor pelgrims tijdens het bedevaartseizoen. Ook inwoners maakten er gretig gebruik van. Bovendien werd de spoorlijn benut voor goederenvervoer. Later, tijdens de jaren 20, gooiden een aantal maatschappijen in het Limburgse Kempenbekken zeven steenkoolmijnen open voor ontginning. Vele tientallen mijnwerkers reisden daarna dagelijks vanuit Scherpenheuvel naar Waterschei, Beringen en andere locaties om in de put af te dalen en op die manier de kost te verdienen. Ook waren er de vele arbeiders, die wegens het schrijnend tekort aan tewerkstelling in eigen streek, gedwongen werden elders hun broodkruimels bij mekaar te krabben. Alles en nog wat deden ze. Fruit plukken, zwaar labeur verrichten in de steen- en hoogovens, gaan dienen bij de rijken in Brussel. Alles wat maar een cent kon opleveren om hun schare kinderen in leven te houden.
De spoorweg opende niet alleen Scherpenheuvel voor de wereld, maar ook de wereld voor Scherpenheuvel. Het inwonersaantal groeide zienderogen, en heel veel van de zonen en dochters van dit Brabants dorp trokken naar de steden om daar hun geluk te proberen. Velen verhuisden voorgoed naar Wallonië, omdat daar nu eenmaal betere werkgelegenheid was. In de jaren 60 zal dat tij keren. Pas op dat moment verschuift het economische zwaartepunt van Wallonië naar Vlaanderen, ook al blijft behoorlijke tewerkstelling in het Hageland altijd een probleem. Tot op de dag van vandaag.

Tijdens de laatste gemeenteraadszitting van het jaar 1906 keurden de raadsleden de aanleg van een waterleidingnet goed. Toen dit vier jaar later eindelijk werd ingehuldigd, na de nodige technische problemen en mankementen, werd het gebruik van de waterput aan de kerk stopgezet. Hij had meer dan 250 jaar dienst gedaan, had de Oratorianen, die hem hadden laten graven, moeiteloos overleefd en had duizenden en duizenden vrouwen, mannen en kinderen voorzien van levensnoodzakelijk water. Voortaan werd hij herleid tot toeristische attractie.
Twee jaar later, in 1912, gaf de gemeenteraad ook haar fiat voor de aanleg van openbare verlichting. Daarvoor werd een netwerk van gasleidingen aangelegd waarop men 50 gaslantaarnen aansloot.
Elektriciteit arriveerde pas lang na de Grote Oorlog. En het duurde vele decennia voor alle huizen op het net aangesloten waren. Er waren veel mensen die er gewoon het nut niet van inzagen, die vonden dat het te gevaarlijk was, of die simpelweg dachten dat de duivel ermee gemoeid was. Maar uiteindelijk won het gemak het van het scepticisme, en veroverde de elektriciteit ook Scherpenheuvel.

Aan de geschiedenis van België ga ik niet al te veel woorden meer vuil maken. Niet omdat er tussen mijn vorige bezoek en dat van vandaag niets veranderd is. Natuurlijk is er veel veranderd. Zo verwierf België in 1908 een levensechte kolonie, genaamd Congo. Tot op dat moment was Kongo Vrijstaat bijna 20 jaar lang het persoonlijke bezit geweest van koning Leopold II, die het gebied enigszins - hoe zal ik het zeggen - mismeesterde. Een jaar na de eigendomsoverdracht stierf Leopold II. Zijn lege troon werd bestegen door zijn neefje. De vrouw van Leopold had hem nochtans vier kinderen gebaard, drie dochters en een zoon, die net zoals zijn vader en grootvader Leopold heette. Maar Leopold stierf op jonge leeftijd, en na de dood van deze troonopvolger, zette Leopold II al zijn hoop op Boudewijn, de oudste zoon van zijn broer. Maar ge raadt het al. Ook Boudewijn stierf voor hij de kans kreeg om koning te worden. Daarom was zijn kleine broer Albert de gelukkige erfgenaam van de Belgische troon.
Aan Albert I viel de eer van strijdende soldaat-koning te beurt. Tijdens de Grote Oorlog van 1914-1918 werd België namelijk zo goed als helemaal bezet door de Duitsers, op een klein stukje na. Koning Albert slaagde erin, achter de rivier de IJzer, een uithoek soeverein grondgebied te vrijwaren van occupatie.
Na het einde van de Grote Oorlog werd de Belgische kieswet aangepast. Na het cijnskiesrecht, dat nog van kracht was toen ik Katrin Van Kerkhoven kwam interviewen, was er, onder druk van langdurige en gewelddadige stakingen in Wallonië, een ommezwaai gekomen. In 1893 werd het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd. Alle mannen vanaf 25 jaar kregen één stem, en zij die meer accijnzen betaalden of een bekwaamheidsattest konden voorleggen, omwille van hun gunstige positie in de maatschappij, kregen er nog een stem of twee bij. Dit algemeen stemrecht, onvolmaakt als het was, kwam er ten gevolge van de toenemende strijdkracht van de Belgische Werkliedenpartij, de eerste socialistische partij, die enkele jaren eerder was opgericht. Het stemrecht was veruit hun meest belangrijke agendapunt.
Maar natuurlijk bleven de socialisten niet bij de pakken neerzitten. Het meervoudig stemrecht, hoe algemeen ook, was in hun ogen nog steeds gebaseerd op onrechtvaardige en ondemocratische principes. De strijd zette zich dus onverminderd voort. Het einde van de Eerste Wereldoorlog gaf die campagne een nieuwe impuls. Eigenlijk was de tijdsgeest zodanig veranderd, dat de hervormingen in het Belgische staatsbestel niet meer konden worden uitgesteld. Koning Albert zag in dat de vooruitgang niet meer te stuiten was. In 1918, toen de socialisten voor het eerst met één minister in de regering zaten, besliste de koning dat voortaan alle Belgische mannen van 25 jaar en ouder elk één stem kregen. Een jaar later werd de kiesgerechtigde leeftijd verlaagd naar 21 jaar. Het was ook vanaf die leeftijd dat elke man, ongeacht rang of standing, zichzelf verkiesbaar kandidaat mocht stellen. De grondwet werd pas drie jaar later aangepast, om van de wet van één-man-één-stem een officieel recht te maken. Een grondwetswijziging met terugwerkende kracht, zoudt ge het kunnen noemen, en bovendien een gevaarlijk precedent, dat in de gedachten en uitspraken van sommige hedendaagse politici nog steeds nazindert.
Vrouwen beschikten gedurende de eerste 118 jaar van de Belgische geschiedenis nauwelijks over een manier om te wegen op het beleid van hun land. In de uiteindelijke grondwetsherziening van 1921 verwierven zij, dankzij de onaflatende strijdlust van vrouwen als Emilie Claeys en Marie Popelin, het recht om te stemmen op gemeentelijk niveau. De weduwen van de Grote Oorlog erfden op dat moment ook het stemrecht van hun overleden mannen. Het zou echter nog tot 1948 duren, het jaar waarin ik vandaag terugreis naar Scherpenheuvel, vooraleer alle vrouwen eindelijk het recht krijgen om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen. En ge moet u bij dat verkiesbaar stellen niet te veel illusies maken. Het aantal vrouwen dat de eerste decennia ook effectief werd verkozen in de kamer en de senaat bleef fenomenaal laag. Het zal pas bij de invoer van quota zijn, dat er uiteindelijk een degelijke poging wordt ondernomen om dat onevenwicht uit de wereld te helpen. Door partijen te verplichten evenveel vrouwen als mannen op hun kieslijst te zetten, stijgt de laatste jaren eindelijk het aantal verkozenen van het vrouwelijke geslacht. Ook al is zelfs deze vorm van positieve discriminatie nog steeds geen garantie op een uitgebalanceerde vertegenwoordiging in de parlementen, senaat, raden, gemeentebesturen en regeringen van ons land.

Al die bedisselingen in Brussel waren alles behalve een grote bekommernis voor de gewone werkmensen van Scherpenheuvel. Zij waren vooral bezig met de dagelijkse strijd om te overleven.
De gouden tijden voor kerk en commerce duurden nochtans onverminderd verder. De kerkraad investeerde nog vóór de eeuwwisseling in de aanleg van een brede, geplaveide weg naar de kerk. Voor het eerst in haar Scherpenheuvelse geschiedenis zou de Heilige Maagd de mensen mogen verwelkomen over een pad van meer dan alleen maar aangestampte aarde. Een merkelijke verbetering, wanneer ge bedenkt dat er tijdens het hoogseizoen somtijds duizenden mensen de kerk in- en uitliepen.
In 1904 werd de Rozenkransweg ingewijd, die in een grote boog achter de kerk loopt, vlak naast de oude vesten. Vier jaar later werd in de richting van het Zichems veld, aan de noordkant van het dorp, de Heilige Johannes Berchmanskapel plechtig geopend. In de volksmond werd deze kapel het Rozenkranskerkje genoemd.
In de Hortus Conclusis was opnieuw de tijd aangebroken voor het vervangen van de oude bomen. Dit keer werden de dennenbomen gerooid en afgevoerd, om plaats te maken voor lindebomen. Aan de noordkant van het park werd, ter nagedachtenis van de vroegere eikenboom, een klein kapelleke met Mariabeeld aan een lindeboom bevestigd. Aan die boom hangt voor mij een persoonlijke anekdote vast, maar dat verhaal vertel ik later nog wel.

De grootste mijlpaal in de 20ste eeuwse geschiedenis van de Onze Lieve Vrouwekerk van Scherpenheuvel kwam er tijdens het Interbellum. Op 2 mei van het jaar 1922 besliste paus Pius XI de kerk van het bedevaartsoord te verheffen boven andere kerken, aan de hand van een eretitel. De Onze-Lieve-Vrouwekerk werd van de ene dag op de andere tot basilica minor uitgeroepen, en mocht dus voortaan door het leven gaan als de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek. Daarmee trad ze toe tot een exclusief mondiaal clubje van een duizendtal kerken die ooit dezelfde eretitel mochten ontvangen. In het geval van Scherpenheuvel had dit bijna alles te maken met de Mariaverering en het unieke karakter van het heiligdom en haar geschiedenis. Bijna, zeg ik, want in die periode had het bedevaartsoord opnieuw een uitzonderlijk bezielde pastoor, Joannes Pallemaerts. Hij bracht een hele reeks vernieuwingen, en zorgde, zijn confrater uit de 17e eeuw Joost Boeckaert indachtig, ongetwijfeld voor het juiste lobbywerk om de eretitel te verwerven. Qua stempel op de geschiedenis van het bedevaartsoord kan dat zeker tellen.

Het was dan ook Pallemaerts die de aanzet gaf tot het afschaffen van een fenomeen dat Scherpenheuvel al sinds haar ontstaan had geteisterd. Nu ja, geteisterd. Het hangt er natuurlijk helemaal vanaf vanuit wiens standpunt je de zaak bekijkt. Sinds mensenheugenis werd de invalsweg naar de kerk min of meer bezet door een schare vrouwen die kaarsen en andere religieuze prularia en diensten probeerden te verlappen aan de pelgrims. In ruil voor geld woonden ze missen bij, baden eindeloze rozenhoedjes, deden de kruisweg en kropen op hun knieën rond de kerk. Gehuld in zwarte kapmantels klampten deze vrouwen de bezoekers aan en vielen hen lastig. Zo verwierven ze de bijnaam Kaarskatten, als waren ze krolse kattinnen die de bedevaarders in het voorbijgaan besprongen. Elke pastoor van Scherpenheuvel had in het verleden al een poging ondernomen om de commerciële vindingrijkheid, maar vooral opdringerige gewoontes van de Kaarskatten aan banden te leggen. De ene al met meer succes dan de andere. Maar nooit was een van hen erin geslaagd hun vernuftigheid helemaal de kop in te drukken. Telkens het probleem onder controle leek, stak het na een tiental jaren gewoon weer de kop op. Zelfs de ingevoerde regel die zei dat een Kaarskat enkel met een vergunning van de kerkraad haar beroep mocht uitoefenen, kon de verbeten ijver van de verkoopsters niet aan banden leggen. Tot Pallemaerts uiteindelijk met de finale oplossing kwam. Tijdens een zitting van de kerkraad in 1924 drukte hij zijn visie door. Voortaan zouden er geen nieuwe Kaarskatten meer bijkomen. Niemand kreeg nog een vergunning. De oude wijven mochten blijven, tot ze er dood bij neervielen. Maar van nieuwe was geen sprake meer.
Tijdens dit bezoek zal ik de Kaarskatten dus nog moeten van me afschudden, wanneer ik naar de basiliek ga kijken. Het zal niet de eerste keer zijn dat me dat overkomt. Ook al vind ik het telkens buitengewoon amusant om met hen te palaveren en te onderhandelen. De volgende keer zal het niet meer mogelijk zijn, want de laatste Kaarskat blaast op 2 juli 1960 haar finale adem uit.

Pastoor Pallemaerts, die pastoor was tot aan zijn plotse overlijden in 1945, schreef talloze boeken over Scherpenheuvel en haar basiliek, die tot op de dag van vandaag nog gelden als referentiewerken. Plus zorgde hij voor een lange waslijst van veranderingen en renovaties. Ik noem hier enkel de meest opvallende, die plaatsvonden tussen 1926 en het begin van de Tweede Wereldoorlog: de aanleg van een kleine kruisweg tegen de binnenmuren van de basiliek, de bouw van een paviljoen met toiletten, identiek aan het paviljoen van de waterput, de versiering van de nis van het genadebeeld met een krans van zilveren blaadjes, de bouw van de koepelkapel, ook wel eens de openluchtkapel genoemd, de verbouwing van de kerkhuisjes tot hun huidige vorm, de aanleg van een rioleringsnetwerk, de vernieuwing van de marmeren vloer, de aanleg van een elektrisch systeem voor het luiden van de klokken, de vernieuwing van de brede, geplaveide weg en de aanleg van een volledige verharding rond de kerk met marmeren plaveisel, en als laatste de installatie van banken rond de koepelkapel.

Wat de Tweede Wereldoorlog aan kwade wil en miserie bracht, zal ik misschien overlaten aan het verteltalent van de jonge vrouw die ik vandaag kom interviewen. Ge hebt haar misschien nog gekend, want nu komen we toch al gevaarlijk dicht in de buurt van de tijd dat gij geboren zijt. Ik sla er misschien met een paar jaren naast, maar geloof me, als ge mijn leeftijd zijt of ouder, en ge hebt ooit in Scherpenheuvel gewoond of hier enige tijd doorgebracht, dan hebt ge ongetwijfeld al van haar gehoord. En als het niet van haar is, dan zeker van een van haar kinderen of kleinkinderen.
Ik ga haar opzoeken op het Prattenborgplein, dat door iedereen de Gemeente wordt genoemd. In tegenstelling tot de hogere regionen van het dorp, boven op de heuvel, waar de notabelen wonen, de handelaars, dokters, onderwijzers en notarissen. Dit is het domein van het eenvoudige volk, het gemeen. Vandaar de naam. Het pleintje bevindt zich op een lagergelegen gebied, aan de zuidkant van Scherpenheuvel, waar arbeiders en mijnwerkers wonen, mensen die elders op zoek moeten naar werk. Natuurlijk zijn hier ook de nodige winkeltjes en cafés. Hoe kan het ook anders? Elke mens heeft zijn behoeftes.
De Gemeente staat vandaag in rep en roer. Er wordt namelijk een uitzonderlijke gebeurtenis gevierd. In het vijfde huis aan de zuidkant van het plein, te tellen van de hoek waar de weg naar de Pepinières van de Michielsen de kwekerij inloopt, wonen Tin van de Zwette van Wachtebeke en haar man Nat Gommé. Tin en Nat vieren hun vijftigste huwelijksverjaardag. Ja, ja, ge leest het goed. Die twee trouwden niet lang na mijn vorige bezoek aan Scherpenheuvel, in de 19e eeuw. Stokoud zijn ze.
Er staan verschillende evenementen in de steigers. Alles is tot in de puntjes voorbereid. Dagen- en wekenlang hebben de inwoners van de Gemeente samengewerkt om hier een heuglijke dag van te maken. Alle kinderen, en ge gaat zien hoeveel er hier wonen, hebben samen crêpepapieren bloemen gemaakt en het hele plein versierd met slingers. Het is prachtig.

De vrouw die ik kom interviewen heet Lowiske. Ze is een jaar of 25, als ik goed gerekend heb. Ik denk dat ze ginder naar mij staat te wenken, ook al hebben we pas over een uur afgesproken. Misschien heeft ze nu al tijd om met mij te praten. Ge kunt niet geloven hoe ik op mijn benen sta te trillen. Mijn hart bonst zo hard dat ik het kan horen. Dit is de ontmoeting waar ik het meest heb naar uitgekeken.





Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (16)


* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.


donderdag 8 maart 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (14)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Katrin - 1 mei 1882

Deel 3 - Het interview

Mijn bezoek is duidelijk tot in de puntjes voorbereid. Niets is aan het toeval overgelaten. Wanneer ik het huis betreed, word ik door de meid rechtstreeks naar de salon geleid. Daarvoor moeten we door een lange gang, langs enkele ruimtes die duidelijk als kantoor dienst doen. We bestijgen een brede houten trap, die ons naar de eerste verdieping brengt. Uit de keuken, aan het einde van de gang, komt de geur van karamel en pepernoten. Zouden ze die hier in huis bakken?
‘Zijt gij van Scherpenheuvel,’ vraag ik aan de meid.
‘Ja, zenne, juffra,’ lacht ze, ‘ik woon achter de meule.’
‘Ik ook,’ lach ik vrolijk terug, maar ze kijkt me argwanend aan. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Ze denkt ongetwijfeld dat ik gek ben.

Het duurt zeker tien minuten voor de vrouw des huizes komt opdagen, dus heb ik uitgebreid de tijd om de kamer te bestuderen. Maar eerst kijk ik naar buiten. Deze ruimte heeft vijf grote vensters, waarvan drie met zicht op de kerk en de besloten hof. Ook het plein met de kraampjes, en de mensenmassa, zijn van hieruit duidelijk te zien. De zijramen kijken uit op Hôtel du Cygne, De Zwaan, met onderaan het restaurant. In mijn tijd ziet het gebouw er nog nagenoeg identiek uit, alleen is het hier wit geverfd. Het mooie huis waarin ik mij bevind, met gelijkvloers, twee verdiepingen en een extra zolderverdieping, zal over enkele jaren dienst doen als apotheek, en later helaas worden afgebroken. In mijn tijd staat hier een modern appartementsgebouw, met winkelruimte onderaan.
Ik kijk neer op de hoofden van de nietsvermoedende mensen. De processie, waarin pastoor Jonghman het gekroonde genadebeeld door de straten droeg, is al enige tijd geleden gepasseerd. De pelgrims en parochianen hebben de rest van de dag niet veel beters meer te doen dan te flaneren en genieten in de lentezon. De etablissementen zitten overladen vol en de kramen doen gouden zaken. Mijn Scherpenheuvel is in haar beste doen. De offerblokken en geldschuiven zullen goed gevuld zijn op het einde van de dag, en iedereen gelukkig. Straks, wanneer ik klaar ben met dit gesprek, zal ik zelf ook nog wat gaan genieten van de uitgelaten stemming, en een kijkje nemen in de kerk en op het kerkhof. Het is misschien de laatste keer dat ik de graven van Nieke en Trees kan bezoeken.

De salon neigt al serieus in de richting van de Belle Epoquestijl. Ge moogt van Katrin zeggen wat ge wilt, maar aan goede smaak ontbreekt het haar niet. Dat de familie Michiels nu al goed in het geld zit, is aan alles te merken. Eiken boekenkasten, volgeladen met boeken ingebonden in fijn leder, geboende parket, dikke tapijten, felgekleurde lambrisering en mooie kristallen lusters met kaarsen. Wat me verbaast is de aanwezigheid van een schitterende staanlamp in gepatineerd brons, met een lampenkap in zalmroos loodglas en ingewerkte rozen. Waarom die hier staat is mij een raadsel. De tweede industriële revolutie is in 1882 nog niet doorgedrongen tot Scherpenheuvel. Zelfs de gloeilamp werd nog maar drie jaar geleden uitgevonden. Misschien is het een lamp op gas. Maar ook een gasnetwerk is hier niet. Zou het kunnen dat deze lamp een geschenk was? Mooi is ze alleszins.
De meubelen zelf zijn allemaal sierlijke, met de hand gemaakte unieke stukken. De zetels zijn bekleed met fijne stoffen, waaraan je kan zien dat deze kamer niet intensief gebruikt wordt. Of de rest van het huis ook zo chic en elegant ingericht is, weet ik niet, maar over deze ruimte is duidelijk heel goed nagedacht. Kosten noch moeite zijn gespaard. Een wereld van verschil met de huizen die ik in het verleden al bezocht heb.
Centraal, op de massieve houten salontafel, in vroege Art Nouveau, staat een prachtig porseleinen koffieservies klaar. Eenvoudige, elegante witte tassen, ondertassen en kleine bordjes. Zilveren lepeltjes en vorken. In het porselein zijn lichte bloemetjes verwerkt, in subtiele pasteltinten. De randen zijn versierd met een streepje bladgoud. Ik riskeer het om een bordje vast te pakken, om het van dichterbij te bekijken. Wanneer ik het omdraai, zie ik dat het een gesigneerd servies is van Limoges France.
Ik laat het bord bijna vallen, wanneer er achter mij plots een deur opengaat.

Catharina Van Kerkhoven is een fiere madam, zoveel is meteen duidelijk. Ondanks de miserie die ze heeft meegemaakt en haar leeftijd van 54 jaar, staat er nauwelijks een grijze haar op haar hoofd. Er hangt een statig aura van zelfzekerheid rond haar, terwijl ze naar me toe schrijdt. Haar bruine haar is losjes opgestoken en ik zie een vleugje rouge op haar wangen en lippenstift op haar mond. Ze draagt pareloorbellen en een dun gouden kettinkje rond haar hals, met daaraan, tot mijn verbazing, een klein kruisje. Ze heeft een witte katoenen jurk aan, met lange, licht poffende mouwen en een kraag met revers. De jurk knoopt vooraan dicht met vergulde knoopjes. Haar wijde rok reikt tot op de grond en haar middel is geaccentueerd met een ceintuur. Met elke stap verschijnt de tip van een elegante schoen. Boven haar linkerborst steekt een grote broche in de vorm van een roos. Ze draagt witte handschoenen.
Haar hele houding heeft iets gemaakts. Ik kan geen enkele uitdrukking aflezen van haar gezicht. Ze lijkt wel een grote porseleinen pop, die elke beweging heeft ingeoefend. Er straalt weinig warmte af van deze vrouw.
De moed zakt me in de schoenen. Zijn de vragen die ik heb voorbereid wel de juiste? En wat meer is, zal zij tijdens dit interview wel een oprecht woord spreken?
Terwijl ik ervan uitga dat ze ook gewoon Scherpenheuvels kent, begroet ze me in geprobeerd beschaafd Nederlands. Dat valt me enorm tegen. Het gemoedelijke gesprek dat ik met haar hoopte te voeren, zal er duidelijk niet komen. Tenzij ik de ijsblok die voor mij zit op een of andere manier kan smelten. Ik beslis om mijn eerste vraag aan te passen, in de hoop toch nog iets van het interview te redden.

Toen ik binnenkwam, hing er een geur van peiperneuten in huis. Bakken jullie die zelf?

Nee, natuurlijk niet. Peiperneuten worden maar door een paar bakkers gemaakt. Dat is een geheim recept, wist ge dat niet? Echt van Scherpenheuvel kunt gij dan toch niet zijn, als ge dat niet eens weet. Guske Descamps was den eerste, maar hij is natuurlijk al enkele jaren dood. Zijn zoon heeft de bakkerij overgenomen. Maar ondertussen zijn er meerdere bakkers. Hier in de straat achter ons is er een. Germaine brengt elke hoogdag een bak peiperneuten naar hier, als ze vers uit de oven komen. Ik zal er wat laten naar boven brengen. Of lust ge dat niet, misschien? Dat is een speciale smaak, moet ge weten. Omwille van de anijs. Moest ge zelf van Scherpenheuvel zijn, zou ik u dat natuurlijk niet moeten vertellen.

[[Ze staat recht, opent de deur naar de gang, en roept de naam van de meid. Wanneer deze komt, geeft ze haar instructies. Daarna blijft ze rechtstaan, met haar linkerhand op de deurkruk. Op die manier verhindert ze mij ervan de volgende vraag te stellen. Met de vingers van haar afhangende rechterhand tokkelt ze tegen haar rok. Enkele minuten tikken voorbij. Het geluid van lachende mensen op straat dringt naar binnen. Is het hier warm? Ik wou dat er een raam openstond.
Eenmaal de meid het bord met pepernoten op tafel heeft gezet, samen met een dampende koffiepot, sluit Katrin de deur achter haar met een iets te luidruchtige duw, en zet zich op exact dezelfde plaats en wijze als voorheen. Ze maakt geen aanstalten om koffie in te schenken. Ik kan onmogelijk inschatten waarom ze zich zo stijf en hautain gedraagt. Voelt ze zich niet op haar gemak in mijn gezelschap? Of heeft zij met tegenzin ingestemd met dit interview? Ik beslis om geen poging te ondernemen om uit te leggen dat ik inderdaad wel weet dat pepernoten met anijs worden gemaakt, en dat ik ze bovendien zeer graag lust.]]

Hebben jullie vandaag deelgenomen aan de 1 meiviering?

Maar kind toch, de 1 meiviering? Daar kunt ge in Scherpenheuvel niet naast kijken, zenne. Hebt ge die mensen op straat niet gezien, misschien? Of komt gij uit de lucht gevallen? Natuurlijk doen wij mee met de viering. Het is feest in heel het dorp vandaag.

Lopen jullie kinderen dan mee in de processie?

(Ze kijkt me verbaasd aan.)
Wat is dat voor een rare vraag? Daar zijn mijn kinderen ondertussen al wel een beetje te oud voor geworden. Dat zijn al lang geen kinderen meer. Onze Eduard is de jongste van de jongens, en die is al 20 jaar. Dat kunt ge toch moeilijk nog meesturen met de processie.

Op Godsvrucht staat toch geen leeftijd, mevrouw Michiels. Zeg nu zelf, geloven doet een mens toch voor het leven.

Dat wil nog niet zeggen dat ge met dat circus moet meelopen. Ons Victorineke, die zou dat nog willen, maar dat mag niet van haar vader.

En van u wel dan?

Gij stelt nu toch de meest curieuze vragen, gij. Hoezo van mij wel? Als Liborius dat verbiedt, dan heb ik daar toch niks meer in te willen. Zijn wil is wet.

Maar uw dochter heeft vorige week toch haar communie gedaan? Mocht dat dan wel van meneer Michiels?

[[Met deze vraag heb ik duidelijk een gevoelige snaar geraakt. Ze zegt enkele woorden en keert dan op haar passen terug.]]

Al onze kinderen hebben hun communie gedaan. Omdat ik niet wilde dat ze uit de toon vielen. Het is niet altijd gemakkelijk om in een dorp gelijk Scherpenheuvel anders te zijn dan de anderen. Wij zijn gewoon hardwerkende mensen. Maar dat kunt gij u waarschijnlijk niet inbeelden.
(Ze schudt haar hoofd.)
Nee. Als ik naar uw handen kijk, zie ik wel dat ge ze nog nooit gebruikt hebt om te werken. Zo gaaf zijn ze. Aan de mijn kunt ge dat goed zien, want ik heb al heel hard gewerkt in mijn leven.
(Ze trekt haar handschoenen uit en toont haar handen.)
Toen we op het Verbrandt nog de boerderij hadden. Die had Liborius van vader Norbert geërfd. Het is te zeggen, hetgeen er nog van overschoot. We hebben dag en nacht geploeterd om daar iets van te maken. En ja, dat wij geld verdiend hebben, dat kunt ge ons toch niet kwalijk nemen. Dat is niet op de kap van de mensen gebeurd, he. Wij hebben gezweet en gezwoegd. Nu mogen wij daar toch van profiteren, zeker. Daar moet iemand gelijk gij toch geen verwijten komen over maken. En ik kan u eerlijk zeggen dat ik even hard gewerkt heb als de mannen. Ook al ben ik maar een vrouw. Maar dat kont ge toch niet zien aan het labeur dat ik verzette. Mee het veld op om patatten te rooien. Ik was niet vies van werken.
Ik zie dat ge verschiet. Zijt ge dat ook niet gewoon, misschien? Dat een vrouw moet werken.

Waar ik vandaan kom, worden bijna alle beroepen zowel door vrouwen als door mannen uitgeoefend.

(Ze lacht luidop.)
Vrouwelijke doktoors, zeker?

Ja, mevrouw Michiels, vrouwelijke doktoors. U gaat trouwens niet lang moeten wachten voor u iets te weten komt over de eerste vrouwelijke doktoor in België. Isala Van Diest, onthoudt die naam maar. U zult er nog van horen. Misschien moet u het maar eens aan uw zoon Louis vragen. Hij zal haar naam wel kennen, want ze is van Leuven.

En vrouwelijke pastoors, zijn die er ook dan?

Nee, vrouwelijke pastoors zijn er voorlopig nog niet. Toch niet bij de katholieken. En dat zal nog wel effen duren. Waarom heeft u het gevoel dat mensen in Scherpenheuvel denken dat jullie anders zijn? Jullie zijn hier toch ook geboren en getogen.

Omdat wij het beter hebben. En we dat niet wegsteken. Ik heb dat lang wel gedaan, maar sinds…
(Pijnlijke stilte.)
Nu doe ik dat niet meer. Ik heb er plezier aan van het beste goed te kopen. Van de kleren van ons Victorinneke te laten maken met de fijnste stoffen. Dat kind kan daar toch ook niet aan doen dat ze een achterkomerke is. Ik ben blij dat ik haar heb. Ze was ne schone cadeau.

[[Alsof het een toneelstuk is, en het signaal voor de volgende scene gegeven werd, wordt er op de deur geklopt. Zonder op het antwoord van haar moeder te wachten, opent Victorine de deur. Er bestaat geen enkele twijfel over dat zij het is. Het kind is een perfecte kopie van haar moeder. Zelfde kleren, zelfde houding en uitdrukking op haar gezicht. Ik kan het niet laten om aan Fien Veugelen te denken, de dochter van Trees Polaster, die ook 12 jaar was. Er is niet alleen een eeuw, maar ook een wereld van verschil tussen deze twee meisjes. Ook al groeiden ze op in huizen die nog geen 300 meter van elkaar verwijderd liggen.
Victorine komt naar me toe, geeft me een hand en maakt een kleine kniebuiging. Ik ben onder de indruk.]]

Ge moet niet zo verbaasd kijken. Ik heb mijn kinderen fatsoenlijk opgevoed.

[[Zo kan dit gesprek niet verder. Er is van een interview al lang geen sprake meer. Ik kijk lange tijd naar mijn notaboekje. Dan beslis ik om een risico te nemen.]]

Waarom voelt gij u toch zo aangevallen, Katrin?

[[Kompleet verbouwereerd kijkt ze me aan. Mijn verandering van toon lijkt haar even uit haar evenwicht te brengen.]]

Victorinneke, gaat gij maar terug naar de keuken.

[[Het omgekeerde tafereel ontvouwt zich. Het meisje staat recht, strijkt onzichtbare plooien in haar jurk glad, geeft me een hand en maakt een kleine kniebuiging. Daarna verdwijnt ze geruisloos door de deur. Ze heeft de hele tijd geen woord gesproken.]]

Wie denkt gij wel dat ge zijt? Ik voel mij helemaal niet aangevallen. Allez, het is te zeggen… Ik bedoelde dat niet slecht. Ik wil alleen niet dat ge het verkeerde gedacht krijgt van ons.

Van u, bedoelt ge. Ik denk dat het gedacht dat ik ondertussen van u heb helemaal verkeerd is. Ge moet alleen uw eigen zijn, Katrin. Ge moet u niet voordoen alsof dat ge iemand anders zijt.

Mijn eigen ben ik al lang niet meer geweest. Ik ben mijn eigen kwijt. Maar daar wil ik niet over spreken. Dat stuk van mijn leven is afgesloten. Ik wil alleen nog vooruit kijken. Als ge daar een vraag over hebt, dan moogt ge ze stellen.

Zijt ge gelukkig met de grote plannen van meneer Michiels? Ziet gij daar voor uzelf een rol in?

Dat is ne mannenwereld. Een vrouw heeft daar niks in te zoeken.

Ik denk dat ge fout zijt daarin, Katrin. Als gij er zelf geen actieve rol kunt in spelen, dan is er toch ook nog altijd uw dochter. Die kan misschien net zo goed een zaak leiden als haar broers. Stelt u nu eens voor dat zij dat zou willen. Dat ze wil gaan studeren. Wat gaat ge dan doen? Haar tegenhouden?

(Ze haalt haar schouders op.)
Nee, als ze wilt studeren, zal ik haar niet tegenhouden. Maar ze heeft al eens iets gezegd van in ’t klooster te gaan. En dat heb ik haar proberen uit hare kop te klappen. Borius zou haar half doodslagen, moest hij het weten. Hij heeft juist hetzelfde gedaan met onze Edmond. Hij wilde pastoor worden. Ocharme, die jongen.

Waart ge daar zelf tegen?

Ik wil niet dat die jongen ongelukkig is.

Dat vraag ik niet, Katrin. Ik vroeg of ge er zelf tegen waart dat hij pastoor wilde worden.

[[Zonder dat ik het had zien aankomen, komt er een andere blik in de ogen van Katrin Van Kerkhoven. Haar lichaamshouding verandert. Ze zit minder stijf rechtop, en zakt zelfs wat achteruit in de zetel. Ze wrijft in haar ogen tot ze rood zien.]]

Het zou voor hem een oplossing geweest zijn. Maar dat was voor Borius geen optie. Hij had daar geen oren naar. Ik kreeg hem daar ook niet van overtuigd. We hebben daar een jaar of tien geleden veel ruzie over gemaakt. Onze Edmond was toen bekans achttien jaar. Hij wilde naar het seminarie gaan. Hij moest van mij niet terugkomen naar Scherpenheuvel. Pastoor worden op een ander. Maar zelfs dat kon Borius niet aannemen. Hij moest meewerken aan zijn droom, de Pépinières starten, in de politiek gaan.

[[Ik bekijk haar met onbegrip.]]

Een oplossing waarvoor?

Onze Edmond kan zich daar niet insmijten. Als ge hem ziet, ge zult het direct begrijpen. Voor de politiek moet ge hard zijn. Onze Edmond is niet hard. Hij heeft een peperkoekenhartje. Veel te goed, is die jongen. In een klooster, daar zou hij op zijn plaats zijn.

Maar enfin, Katrin, het is toch niet dat alle mannen met een goede inborst pastoor moeten worden. In tegendeel. Hij zal waarschijnlijk op een dag een meiske heel gelukkig maken en een geweldige vader zijn.

[[Ik probeer mij de stamboom van de Michielsen voor de geest te halen. Plots krijg ik het warm en koud tegelijk. Edmond Michiels, oudste van de clan, is geboren in 1855 en gestorven in 1930. Hij bleef ongehuwd.
Ik kijk naar zijn moeder. Ze ziet dat ik de klik gemaakt heb.]]

Dat is geen leven voor een man in een klein dorp gelijk Scherpenheuvel. Hij kan zijn eigen niet wegsteken. En hij gaat heel zijn leven alleen moeten blijven. Altijd ongelukkig zijn.

[[Ik ben even sprakeloos.]]

Daar zijt ge niet goed van, precies. Waar gij vandaan komt, zal dat wel niet bestaan. Anders waart ge er niet zo van aangedaan.

[[Ik spreek haar niet tegen. Eigenlijk wil ik alleen maar weg uit deze benauwde kamer. Ik heb echt met haar te doen, en weet dat ik haar niet kan troosten. Niemand kan dat. Ze zal nog 27 jaar leven, tot de gezegende leeftijd van 81 jaar, en elke dag zal ze haar verdriet met zich meeslepen.
Ze begeleidt me zelf tot aan de voordeur. Bij het afscheid spreekt ze voor de eerste keer over haar gestorven zoon.]]

Ge gaat toch naar het grafke van onze Victor kijken, he. Niet vergeten. Als ge wilt, wandel ik mee tot op het kerkhof. Het is niet ver van hier.
(Ze wijst.)
Daar is het. Ge kunt hem bijna van hier zien liggen.

[[In plaats van haar een hand te geven, pak ik haar stevig vast. Ze verstijft. Dat had ik duidelijk niet moeten doen. Met grote ogen kijkt ze om zich heen, naar de mensen op straat. Alsof ze even vergeten was wie ze is, dat ze de schijn moet hooghouden. De stoïcijnse blik verschijnt opnieuw, de porseleinen pop is terug. Moeder Katrin heeft zich opnieuw in haar cocon teruggetrokken. Ik keer haar de rug toe.]]

---

Ik weet dat het de eerste en laatste keer is dat ik bij het graf van Victorius Michiels sta. In 1898 zal hier de laatste dode begraven worden. Daarna komt er een nieuw kerkhof, in de Molenstraat. Deze graven zullen verdwenen zijn wanneer ik in de volgende eeuw opnieuw naar Scherpenheuvel kom.
Ik breng nog een laatste groet aan Trees Polaster en haar afstammelingen. Het graf van Nieke Exelmans kan ik nergens meer vinden. Zij is al weggeveegd uit de grond en de geschiedenis van dit dorp. Mijn laatste herinnering aan haar, een gezonde, knappe jonge vrouw met haar ongewilde en toch zo geliefde zoon aan de borst, staat nog op mijn netvlies gegrift.

In het Scherpenheuvel van mijn tijd zal ik morgen nog eens het graf van Catharina Van Kerkhoven en Liborius Michiels bezoeken. Het is er nog steeds. Zelfs na meer dan een eeuw. Ik hoop dat het er altijd zal blijven, want je kan het gerust erfgoed noemen. Weet je wat het gekke is? Er staat een groot kruis op.

Links van Katrin, liggen een aantal bekenden. Edmond Michiels, haar oudste zoon, heeft zijn persoonlijke en geheime last in stilte gedragen tot hij in 1930, op 75-jarige leeftijd, Les Grandes Pépinières Michiels Frères in de veilige handen achterliet van zijn broers Gustaaf en Eduard. Zij hielden, samen met Charles Carlens, die ook in die grafkelder ligt, de nagedachtenis en droom van Borius in leven tot lang na de Tweede Wereldoorlog.
Ook de kleine Victorine ligt bij hen. Zij is 80 jaar geworden. Ik meen te weten dat zij een gelukkig leven heeft geleid. Dat kreeg ik te horen van haar kleindochter, met wie ik drie dagen geleden nog gepraat heb. Het bloed van de moedige Katrin Van Kerkhoven is nog lang niet opgedroogd. Dat kruipt waar het niet gaan kan.





Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (15)


* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.