zondag 18 december 2011

De Madonna's van Scherpenheuvel (5)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Isabella - 6 juni 1627

Deel 1

Bijna vijftig jaren gingen voorbij sinds mijn laatste bezoek aan de heuvel met de eikenboom. Het heeft lang geduurd eer ik daar helemaal van bekomen was. Het gebeurt niet elke dag dat een mens met haar neus op de pijnlijke feiten van het prilste verleden van haar eigen dorp wordt gedrukt, laat staan ook nog eens oog in oog komt te staan met hartpijn en miserie in hoogt eigen persoon.
Vandaag ben ik van plan om er een heel andere dag van te maken. Ik zal om te beginnen geen kilometers te voet moeten afleggen in de ijzige kou. Het is lente, en ik ben niet van plan om ver te wandelen. Bovendien heb ik me voor deze reis ook beter voorbereid. Om te beginnen geen jeansbroek aangetrokken, maar een lange rok. Het voelt wat vreemd aan, maar ik ben ervan overtuigd dat ik minder uit de toon val. Ook ben ik niet alleen. De heuvel veranderde de afgelopen vijftig jaar drastisch van uitzicht. Nu wonen hier mensen en staan er gebouwen. Indrukwekkende gebouwen. Eén ervan staat centraal en is het brandpunt van alle devotie op deze bijzondere plek. Maar ik ga nog niet te veel verklappen, want daarmee loop ik op het verhaal vooruit. Het zou zonde zijn nu al een blik te werpen op het tafereel dat ik voor mij zie. Het loont nochtans meer dan de moeite. Eerst ga ik nog wat van de geschiedenis vertellen.

Na het Beleg van Zichem in 1578 door Alexander Farnese, toen het Brabantse dorp van Willem de Zwijger verlost werd van de calvinisten en weer tot een rooms-katholiek oord werd hersteld, was het leed van de Zichemnaars nog lang niet geleden. Ze bleven nog enige tijd de speelbal van Spanjaarden en Geuzen. Het einde was niet in zicht. Elders in de Zuidelijke Nederlanden was het niet anders. Vele grote steden kozen de kant van de calvinisten, en koning Filips II had zijn handen vol met de strijd tegen de protestantse reformatie.
In 1581 ging het plots van kwaad naar erger. De Noordelijke Nederlanden beslisten om Filips II te verwerpen als hun koning, en verklaarden zich op 26 juli onafhankelijk in de Acte van Verlatinghe. Ook Vlaanderen en Brabant werden in deze acte onafhankelijk verklaard van Spanje, maar de Spaanse troepen slaagden erin toch grote delen van dat grondgebied te heroveren.
Symbool van de hardnekkigheid waarmee de protestanten vasthielden aan hun vastberadenheid om ook Vlaanderen mee te slepen in hun verhaal werd de stad Oostende, strategisch gelegen aan de Noordzee. Oostende sloot zich resoluut aan bij de Geuzen, en zo begon de uitbouw van de vestingstad.
Vijf jaar na het Beleg van Zichem, in 1583 ondernam Alexander Farnese een poging om ook het verzet van Oostende te breken. Tactisch en roekeloos als hij geweest was in Zichem, de verdediging van de kuststad bleek al gauw te sterk voor de jonge Spaanse veldheer. Na drie dagen staakte hij zijn poging. Het was zinloos. De polders rond Oostende, die door het breken van de dijken dagelijks met het getij onderliepen, vormden een natuurlijke barrière rond de stad, en zouden een aanval en een invasie nog jarenlang verhinderen. Intussen groeide Oostende in sterkte, en leek het erop dat het voorgoed in handen van de protestanten zou blijven.

In 1595 stelde Filips II tot ieders verbazing zijn neef Albrecht aan tot landvoogd van de Nederlanden. Aartshertog Albrecht van Oostenrijk was 36 jaar en de zoon van Filips zus Maria en van Maximiliaan II, keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij bracht zijn kindertijd door in Wenen, sprak vloeiend vijf talen en was voorbestemd voor het priesterschap. Toen hij 11 jaar was, stuurde zijn streng katholieke moeder hem naar het hof van zijn oom, om zijn opleiding te vervolledigen en zijn Spaans te oefenen, maar vooral ook om hem te beschermen tegen de mogelijke protestantse invloeden van zijn leermeesters in Oostenrijk. Albrecht werd op jonge leeftijd tot kardinaal benoemd en hij zou aartsbisschop van Toledo zijn geworden, ware het niet dat zijn oudere broer, Ernest van Oostenrijk, plots kwam te overlijden.
Was het de voorzienigheid die de hand had in de gebeurtenissen? Niemand zal het ooit weten. De diepgelovige Albrecht werd door zijn oom Filips van de ene dag op de andere benoemd tot landvoogd van de Nederlanden. Hij verhuisde prompt naar het kille, koude Brussel, waar hij de rest van zijn dagen zou doorbrengen. Devoot als hij was, besloot Albrecht voor zijn geestelijke versterking op bedevaart te gaan naar enkele van de belangrijkste bedevaartsoorden in de omgeving. Onze-Lieve-Vrouw van Laken en Halle lagen voor de hand, gezien hun nabijheid. Maar al gauw kwam hem het bestaan ter ore van een plek in de baronie Diest, in het kleine dorpje Zichem, waar de Heilige Maagd als middelares voor meer genezingen en wonderen zorgde dan elders in de Nederlanden. Hij bezocht de heuvel met de eikenboom voor het eerst in 1596, waar hij knielde voor het beeldje van Maria.
Hij bad voor innerlijke kracht en vastberadenheid om weerstand te bieden aan de onaflatende druk van de protestantse opmars. Hij dankte God voor zijn opdracht en voor het vertrouwen dat zowel Hij als de koning van Spanje in hem stelde. En stiekem, heel stiekem, smeekte hij de Heilige Moeder Gods ook voor verlichting van zijn eenzaamheid. Want nu hij niet langer zijn leven hoefde door te brengen als priester, en hij dus ook niet meer verplicht was zijn gelofte van kuisheid na te komen, begon de gedachte aan een vrouw hem stilaan als muziek in de oren te klinken.

Zijn gebeden werden verhoord. Groot was zijn verbazing toen koning Filips II op zijn sterfbed hem de hand van zijn dochter aanbood, de Infante Isabella. Zij was de oogappel van haar vader, het kind dat op alle vlakken het meest op hem leek, zijn kind met zijn derde vrouw, Elisabeth, de dochter van de Franse koning. Elisabeth stief niet lang na de geboorte van Isabella en liet een grote leegte achter in het hart van haar gemaal.

De kleine Isabella was een pienter meisje, en werd opgevoed door de nieuwe vrouw van haar vader, Anna van Oostenrijk. Anna was ook een kind van Maximiliaan II van Oostenrijk, en de grote zus van Albrecht.
Isabella leerde haar neef Albrecht al kennen toen ze nog een kind was, toen hij aan het hof van haar vader kwam wonen. Terwijl de twee kinderen opgroeiden, vonden ze op jeugdige leeftijd een zielenverwantschap in hun diepe vroomheid. Isabella’s hand was beloofd aan Albrechts broer Hendrik, maar toen deze stierf, en Albrecht gedwongen werd zijn kap over de haag te smijten en in de voetsporen van zijn broer te treden, was het bijna logisch dat hij zijn bruid er ook bij kreeg. Hij aanvaardde haar met vreugde.

Op 18 april 1599, zeven maanden na het overlijden van Filips II, stapten Albrecht en Isabella in het huwelijksbootje. Hij was 40 jaar en zij 33. Albrecht werd die dag ook geadeld tot ridder van het Gulden Vlies, door zijn schoonbroer, de twintigjarige Filips III, die intussen de koning van Spanje was geworden. Enkele maanden voor zijn dood had Isabella’s vader, in een opflakkering van zowel wanhoop als edelmoedigheid, de Acte van Afstand ondertekend, waarin hij de Nederlanden afscheidde van de Spaanse troon en als huwelijksgeschenk beloofde aan zijn dochter. In concreto ging het enkel nog over de Zuidelijke Nederlanden, gezien de onafhankelijkheidsverklaring van de Noordelijke gebieden. Op deze manier wilde Filips in de resterende delen van de Nederlanden het katholieke geloof beschermen. Voorwaarde was wel dat Isabella en haar gemaal enkel de heerschappij mochten behouden indien er een erfgenaam was. Zonder erfgenaam moesten de gebieden worden teruggebracht onder de vleugels van de Spaanse troon. Dankzij dit geschenk werd aartshertog Albrecht, in naam van zijn gemalin, soeverein van de Nederlanden.

Er volgde een feestelijk intrede in Brussel in het najaar van 1599. Albrecht installeerde zijn bruid in het Paleis op de Koudenberg in hartje Brussel. Deze plaats werd de centrale zetel van hun macht. Hij smeet zich met volle overgave op zijn nieuwe taken. Ook al was hij geen groot strateeg, toch besliste hij om een einde te maken aan de groei en bloei van de ketterse macht in Oostende. Hij begon in 1601 aan het beleg van de stad, en kreeg een half jaar later bijval van de Spaanse koning, die hem 9000 soldaten stuurde, onder leiding van Ambrogio Spinola, een krijgskundige en tacticus. Bedoeling was de Geuzen uit te hongeren, iets wat niet helemaal lukte, omdat bevoorrading van wapens en voedsel gedeeltelijk mogelijk bleef via de zee. Toch zette Spinola onaflatende druk op de stad, en al na een jaar werd het de protestanten duidelijk dat Albrecht niet van plan was zijn greep te minderen. De Geuzen haalden woedend uit naar andere steden in Vlaanderen, en probeerden zo de brute kracht van Spinola te verdelen over verschillende fronten. Hun tactiek wierp weinig vruchten af. Het beloofde een beleg van lange adem te worden, waarin tienduizenden soldaten en inwoners van Oostende om het leven kwamen door verminking, ziekte en ontbering, en de stad tot op de grond verwoest werd.

Intussen zette de volksdevotie op de heuvel met de eikenboom zich onverminderd verder. Sinds de terugkeer van het Mariabeeldje in 1587 was de toestroom van kreupelen, blinden en zieken gestadig toegenomen. Soldaten van de kampementen in de omgeving hadden de faam van het Liefvrouwke van de eikenboom al uitgedragen naar alle windstreken, en er waren dagen waarop duizenden mensen kwamen bidden voor genezing. Ze trotseerden weer en wind, want er was nergens in de buurt een huis te bekennen, geen herberg of slaapplaats, geen enkele eetgelegenheid.
De toestroom van zoveel gelovigen bracht de integriteit van de plaats, en vooral ook de veiligheid van het Mariabeeld in gevaar. Godfried Van Thienwinckel, nog steeds pastoor van Zichem, besliste dat het nodig was om een kleine houten kapel te bouwen waarin hij het beeldje kon onderbrengen, om het te beschermen en bewaren. Hij deed dit met toestemming van de aartsbisschop van Mechelen, Matthias Hovius. Tijdens de vasten van 1602 liet hij een stielman uit Zichem een bedehuisje optrekken van een meter vijfenzeventig op anderhalve meter. Het stond in de schaduw van de boom, had vier kijkgaten en een deurtje, en op het lage dak stond een houten kruis. Een maaksel uit planken van twee keer niks, dat toch de bescheiden belofte in zich droeg van een grote toekomst voor deze scherpe heuvel.

De daaropvolgende twee jaar werd cruciaal voor de geschiedenis van zowel de Zuidelijke Nederlanden als de heuvel met de eikenboom. Hun lot werd op merkwaardige wijze onlosmakelijk met elkaar verbonden. Aartshertogin Isabella speelde daarin een persoonlijke rol. Zij bezat namelijk een buitengewoon inzicht in de economische en politieke situatie in de Nederlanden. Voor haar was de heerschappij van haar man over deze gebieden niet enkel een politieke verantwoordelijkheid, maar ook een religieuze zending. En om die reden zou de scherpe heuvel nabij Zichem een beslissende plaats innemen in haar strategie.
In 1603 volgden de evenementen elkaar snel op. Vlak na Nieuwjaar, op 3 januari, brachten enkele schepenen uit de omgeving van Zichem een bezoek aan het kapelleke. Na een vergadering besloten ze gaan te bidden aan de voeten van ons Liefvrouwke. Het beeldje van 30 cm hoog en 11 cm breed stond op een altaar in een kleine nis. Tijdens het bidden merkte een van de schepenen dat er een rode druppel parelde op de lippen van Maria. Hij veegde de druppel af met zijn vinger, en stelde tot zijn verbazing vast dat het bloed was. Drie keer rolde er een druppel bloed uit de ogen van het beeldje. De vijf schepenen waren zwaar geëmotioneerd door hun ontdekking, en legden ’s anderendaags een verklaring af onder eed. Philip Numan, griffier uit Brussel, was door aartsbisschop Hovius aangesteld om de mirakelen en genezingen rond de eikenboom te onderzoeken. Naast de tranen van bloed tekende hij 49 goedgekeurde genezingen op van blindheid, kreupelheid, beroerte, gezwellen, breuken, verlamming, vallende ziekte en andere fysieke kwalen, gebreken en ziektes. Dankzij deze kerkelijke bekrachtiging steeg de faam van Onze-Lieve-Vrouw van de scherpe heuvel zienderogen.
Het houten kapelleke bleek ook heel snel ontoereikend. De mensen konden het beeldje van ons Liefvrouwke niet meer met eigen ogen aanschouwen. Het bedehuisje was gewoon veel te klein. Van Thienwinckel ging op zoek naar geld voor de bouw van een grotere, stenen kapel, waar de Heilige Maagd een waardige plaats zou krijgen, en waar hij de eucharistie zou kunnen vieren in aanwezigheid van de pelgrims. In juli werd, vlak naast de eik en de houten kapel, de eerste steen gelegd van een stenen kerkje.
De devotie bleef toenemen De druk die de stroom van wanhopigen met zich mee bracht was nauwelijks draagbaar. Met de bedevaarders kwamen ook de eerste commercanten, die de eerste houten en lemen huisjes optrokken in de buurt van het kapelleke. Zij boden tegen betaling onderdak en de occasionele maaltijd aan de passanten. De groei van het aantal huisjes en herbergen hield gelijke tred met de stijging van het bezoekersaantal.

Intussen hadden Albrecht en Ambrogio Spinola nog steeds hun handen vol met het beleg van Oostende. Ook al losten ze hun greep op de stad niet, toch slaagden ze er niet in de situatie te forceren. Tot overmaat van ramp beslisten de Geuzen om ’s Hertogenbosch aan te vallen, in de hoop de troepen van Spinola sterk te verdelen en het beleg te breken. Albrecht was in alle staten van wanhoop. Zou hij nu wel kunnen stand houden? In zijn vertwijfeling bad hij vurig tot Onze-Lieve-Vrouw, en terwijl hij dit deed, herinnerde hij zich plots de scherpe heuvel nabij Zichem, waar hij zeven jaar eerder gebeden had aan de voeten van een klein houten Mariabeeldje dat aan een eikenboom genageld hing.
Samen met zijn gemalin Isabella knielde hij uren- en dagenlang neer in godvruchtig gebed in de kapel van hun paleis in Brussel. Ze smeekten Onze-Lieve-Vrouw van de scherpe heuvel voorspraak te doen bij God om zijn soldaten en militaire leiders de kracht te verschaffen het hoofd te bieden aan de agressie van de Calvinisten. Zij maakten een plechtige belofte. Als Spinola erin zou slagen om ’s Hertogenbosch in katholieke handen te houden, dan zouden zij te voet op bedevaart gaan naar de scherpe heuvel. Albrecht trok vol overtuiging naar het front, geruggensteund door zijn diepe geloof.
De overwinning liet niet lang op zich wachten. Drie maanden na zijn vertrek, keerde Albrecht uitgeput, maar extatisch van vreugde terug naar Brussel. Voor hij daar aankwam, maakte hij een omweg langs Zichem, om te knielen bij het beeldje van Maria, dat hem zoveel genade had geschonken. Daar aangekomen stelde hij vast dat er begonnen was met de bouw van een stenen kapel. Onmiddellijk schonk hij een aanzienlijk bedrag aan pastoor Van Thienwinckel, die de bouw en financiering overzag.
Tien dagen later, op 10 november 1603, keerde hij terug naar de scherpe heuvel met zijn gemalin. Voor Isabella was dit bezoek het begin van een altijddurende liefde. In haar leven zou geen enkele dag meer voorbij gaan zonder vrome gedachte aan het Liefvrouwke van de scherpe heuvel.
Isabella en Albrecht brachten de nacht door in Diest, en ’s anderendaags gingen de aartshertogen, zoals beloofd, te voet op bedevaart. Elke stap die Isabella dichter bij de heuvel bracht, leidde haar dichter bij de overtuiging dat deze heilige, uitverkoren plaats een centrale rol zou kunnen spelen in de strijd tegen het protestantisme en de reformatie. Van hieruit, op deze gure plaats in het Brabantse landschap, zou zij de reformatie een onverbiddelijke halt toeroepen en de onvervulde droom van haar vader tot werkelijkheid maken. Omwille van de onweerlegbare kracht en het internationale potentieel van dit bedevaartsoord kon deze plek een baken worden van alle waarden waar zij, Isabella Clara Eugenia, net zoals de rooms-katholieke kerk zelf, echt voor stond.
Maar om haar economische en religieuze droombeeld op gang te trekken, was er vrede nodig. Het eindeloze en afmattende getrek en gesleur tussen katholieken en protestanten zorgde voor zoveel instabiliteit, miserie en hongersnood dat er geen sprake kon zijn van vooruitgang. Om haar ideaal waar te maken, moest er eerst politieke verandering komen. En het was voor die verandering dat zij bad aan de voeten van Onze-Lieve-Vrouw van de scherpe heuvel.

Niet lang na het eerste bezoek van de aartshertogin beslisten de kerkelijke autoriteiten dat de eikenboom moest worden omgehakt. Tot grote ontreddering van heel veel pelgrims, die in het verdwijnen van de boom ook de teloorgang zagen van een onderdeel van de sacrale waarde van de heuvel. Pastoor Van Thienwinckel deed er alles aan om uit te leggen dat er gevaar was voor ongelukken, omdat mensen stukken schors en hout uit de boom sneden en hij daarom dreigde om te vallen. Maar eigenlijk was dat een smoes. Het was precies de sacrale waarde die de boom door de eeuwen heen had verworven die het probleem vormde. Een onderdeel van de protestantse kritiek op het katholicisme bestond er namelijk in dat er teveel verafgoding van heiligenbeelden en andere verheven voorwerpen was. Deze boom stond meer dan wat ook symbool voor de kritiek van de reformatie. Om deze kritiek te weerleggen, zette de kerk de hakbijl in de eeuwenoude eikenboom op de heuvel. Hij werd met wortel en al uit de grond gegraven en in drie grote stukken gekapt. Gelukkig werd het hout niet vernietigd of opgebrand. Eén onderdeel werd aan de aartshertogen geschonken, en van de overige twee werden honderden Mariabeeldjes en Paternosters vervaardigd, die over heel Europa verspreid geraakten. Ook Isabella liet Mariabeeldjes snijden uit haar deel van de eikenboom. Zij schonk de beeldjes aan bondgenoten en vrienden, die ervoor zorgden dat de cultus van Onze-Lieve-Vrouw van de scherpe heuvel ook aan de Europese hoven bekend geraakte.

Op 13 juni 1604, na 11 maanden onafgebroken werk, was de stenen kapel klaar. Het gebouw hield het evenwicht tussen gotiek en vroege barok. Er was een langwerpig schip met aan elke kant vier ramen met spitsbogen. In de voorgevel was er een klein portaal en drie ramen. Het hoge dak was bedekt met leien schaliën, en daarbovenop stond een spitse toren met een klok. Binnen in de kapel was er plaats voor een hoogaltaar en twee zijaltaren. Boven het hoofdaltaar hing een schilderij die geschonken was door prins Filips-Willem van Nassau, de vrome, katholieke zoon van Willem de Zwijger, die Diest en Zichem van zijn vader had geërfd. Helemaal bovenaan, wel drie meter boven de begane grond, was er een nis voorzien. Bij de inhuldiging van de kapel door aartsbisschop Hovius werd het Mariabeeld in processie van de houten naar de stenen kapel gedragen en in de nis geplaatst.
Meteen na de inhuldiging werd een kapelaan aangesteld, die de activiteiten van de kapel in goede banen moest leiden en het bestuur kreeg over de kerkelijke administratie. Hij stond nog steeds onder toezicht van pastoor Van Thienwinckel, die toch niet helemaal gelukkig was met deze aanstelling. Veel liever had hij zelf de leiding gekregen over de nieuwe kapel.
Datzelfde jaar viel het gebouw al meteen een grote ramp te beurt. Protestantse soldaten drongen binnen, sloegen de inboedel kapot en stichtten brand. Gelukkig was het beeldje van Maria tijdig in veiligheid gebracht. De rest van het interieur van de kapel was zo goed al volledig verwoest. Niet lang daarna brak er in Zichem opnieuw een pestepidemie uit. Tweehonderd mensen lieten het leven. Of de twee gebeurtenissen met elkaar verband hielden, weet niemand.

In het najaar van 1604 slaagde Ambrogius Spinola erin het verzet in Oostende te breken en de stad te zuiveren van protestantse opstandelingen. Volgens sommige bronnen stierven tijdens de drie jaar van het beleg en de uiteindelijke invasie een totaal van meer dan 150.000 mensen. De stad bleef totaal verwoest en wezenloos achter. Door de val van Oostende verloren de Calvinisten voor een groot deel hun greep op de Zuidelijke Nederlanden. Overal werden protestanten voor de keuze gesteld: ofwel katholiek worden, ofwel vertrekken. Dit dreef een kwart miljoen mensen naar het noorden.
De bevrijding van Oostende wekte bij de aartshertogen een diepe dankbaarheid op aan ons Liefvrouwke van de scherpe heuvel, die naar hun gevoel de hand had gehad in de overwinning. Isabella schonk aan de kapel een zilveren schotel, waarop te zien is hoe aan Albrecht de sleutels van de stad Oostende overhandigd worden.

De nederzetting rond de stenen kapel groeide zienderogen. De drank- en eetgelegenheden schoten in het wilde weg als paddenstoelen uit de grond. Algauw was duidelijk dat er orde op zaken moest gesteld worden in deze chaotische en onstuitbare expansie. Maar om de aanleg van straten en beplanting in het dorp te kunnen bekostigen, moest er geld zijn. Dat geld kon toen, net zoals vandaag, gehaald worden bij de sukkelaars die met hard werken probeerden hun boterham te verdienen.
Op dat ogenblik gebeurden er een aantal dingen, die de geschiedenis van dit Brabantse dorp voor altijd zou veranderen. Albrecht besliste om Scherpenheuvel, zoals het dorp in de volksmond intussen werd genoemd, dezelfde voorrechten en vrijheden te verlenen als de stad Oostende. Dit tot groot ongenoegen van de stad Zichem, dat zich benadeeld voelde door deze plotse, verheven status van het prutsdorp. Maar aangezien prins Filips-Willem van Oranje de nieuwe stad erkende en bekrachtigde, had het Zichemse stadsbestuur geen andere keuze dan zich bij de beslissing van aartshertog Albrecht neer te leggen.
In november 1605 kreeg Scherpenheuvel een burgemeester en schepenen. De eerste ambtsdaad van het gloednieuwe stadsbestuur was de benoeming van een stadsontvanger, die een brood- en wijnbelasting moest innen voor de aanleg van straten en beplanting in Scherpenheuvel. Er werd vlak bij de kapel ook een huisje gebouwd dat dienst deed als winkel voor de verkoop van vaandels, medailles, Mariabeeldjes en boeken. Deze inkomsten kwamen op de rekening van de kerk terecht. Pastoor Van Thienwinckel was er het hart van in dat er op deze rekening het eerste jaar al winst geboekt werd.

Toen paus Paulus V, op verzoek van Isabella en Albrecht, op 16 september 1606 aan de bedevaarders van Scherpenheuvel een volle aflaat verleende, was het hek helemaal van de dam. Om de pauselijke aflaat te verdienen gebeurde het dat 20.000 pelgrims tegelijk in Scherpenheuvel aanwezig waren. Honderden kampvuren verlichtten ’s nachts de velden en bossen rond de heuvel, omdat er voor al deze mensen onmogelijk slaapgelegenheid kon worden gecreëerd. Kreupelen, blinden, zieken, wanhopigen, ze kropen, strompelden en sleurden zichzelf de heuvel op, om in de intussen veel te kleine kapel hun devoren te doen.
Het werd snel duidelijk dat de bouw van een betamelijker gebedshuis voor Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel zich opdrong. Isabella zag eindelijk haar kans om met de bouw van een grootse en majesteitelijke kerk het religieuze zwaartepunt van de Zuidelijke Nederlanden naar deze heuvel te brengen. Op 28 april 1607 vaardigden de aartshertogen een soevereine instructie uit tot de bouw van een monumentale kerk die voor eens en altijd zou voldoen aan de eisen van het grootste en meest belangrijke bedevaartsoord van de Nederlanden.



Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (6)

*De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

donderdag 1 december 2011

De Madonna's van Scherpenheuvel (4)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Nieke - 12 december 1587

Deel 3 – Het interview

Terwijl ik het armetierige erf van de hoeve van de Loobosch opwandel, slaat de galsterige stank van beesten en mensen mij in de neusgaten. Als deze bevroren geur in het putteke van de winter al tot mij doordringt, hoe moet dat hier dan in de zomer ruiken? Een schurftige oude hond blaft naar mij zonder veel overtuiging. Hij is vastgebonden met een dikke koord, waar hij niet aan trekt. Hij weet dat het toch nutteloos is. In gedachte hoor ik mijn grootvader zeggen: ‘Die ligt hier om de armoei van ’t geleeg te bassen.’ En armoede is hier genoeg. Ik durf er nauwelijks aan denken welk een honger deze mensen al hebben geleden in hun leven.

Nieke staat me op te wachten in het deurgat. Ze blaakt van gezondheid, zoveel is duidelijk. Dat op zich is al een mirakel, gezien de omstandigheden. Ondanks het koude weer, draagt ze korte mouwen. Haar versleten, bruine rok is aan een kant opgebonden, om het ergste vuil en nat te vermijden. Ik zie een slank been met een smalle enkel. Ze is op blote voeten, die beter tegen de kou bestand zijn dan de ijsblokken in mijn wandelschoenen, die ik anderhalve kilometer geleden al niet meer duidelijk kon onderscheiden van de rest van mijn lichaam. Haar lange blonden haren zijn bij elkaar gebonden en ze heeft een sjaaltje op haar hoofd. Nieke heeft een natuurlijke en overtuigende schoonheid die mij even van de wijs brengt. Met ernstige, helblauwe ogen staart ze me aan, hoge wenkbrauwen gefronst. Toch verraadt de lichte glimlach op haar volle lippen een vermakelijke gedachte.
‘Gij hebt een broek aan gelijk ne vent,’ roept ze me toe, en zonder haar blik van mij af te wenden, roept ze ook naar haar volk in het huis: ‘Moe, va, komt ’s zien wat ze hier op ‘t geleeg smijten!’ Ze lacht haar verbazend witte tanden bloot.

De tafel waar we aanzitten heeft goede en slechte tijden gekend. Voor ik mijn papieren neerleg, veegt Nieke met een grote armzwaai de kruimels op de grond. Een magere bruine kip, die in de hoek van de kamer zat te slapen, springt kwiek en hoopvol recht, maar haar enthousiasme wordt meteen getemperd door een fikse uithaal van Nieke’s voet. Het vuur brandt en daar ben ik niet rouwig om. Langzaam begin ik te ontdooien. Een tas thee zou nu op zijn plaats zijn, maar die gedachte veeg ik even snel weg als Nieke de kruimels. Er zal mij hier niets worden aangeboden. Boer Tuur en zijn Anna zitten vol argwaan bij de haard, Nieke heeft plaatsgenomen tegenover mij, het kind aan de borst. Op mijn gemak ben ik hier allerminst. Ik zit in een vreemde omgeving, met vreemde mensen, in een tijdperk dat ik niet kan begrijpen. Ook de taal is een hele aanpassing, en ik weet nu al dat ik bij het uitschrijven van mijn interview een vertaling zal moeten maken naar moderner Nederlands.

Ik haal diep adem en stel mijn eerste vraag.

Kunt gij u nog de dag herinneren, Nieke, toen het Mariabeeldje van de eikenboom verdween?

Wat vraagt gij mij nu?
(lacht)
Natuurlijk weet ik dat nog. Ik was tien jaar en ‘t was precies of de wereld kwam op z’n einde. Al jaar en dag had dat beeldeke daar gehangen, en nu ineens was ‘t weg. Kent ge de geschiedenis van dat beeldeke niet? Ge weet misschien niet goed wat hier allemaal gebeurd is. Awel, ik zal ’t u vertellen, zie.
Heel lang geleden, toen de dieren nog konden spreken, stond die boom hier ook al. Het is te zeggen, konden spreken... ik bedoel dat niet letterlijk, he, begrijp me niet verkeerd. Ons moe zegt altijd dat die boom toen al heilig was. Niet heilig zoals Jezeke heilig is, maar bezonder. Ze zegt dat nu nog altijd, ons moe, want zij gelooft niet in Jezeke, en ook niet in ons Liefvrouwke. Een doodzonde is het, maar wat wilt ge dat ik daar aan doe? Ze is mijn moeder, en ik heb er geen ander.
Op nen dag heeft daar iemand een postuurke van ons Liefvrouwke in den eikenboom gehangen. Niks bezonder, zoudt ge zeggen, maar toen dat postuurke daar al honderd jaar of meer aan de boom hing, was het er op een dag ineens uitgewaaid. Wat op zich al vreemd was, want het was goed vastgenageld en het waaide niet eens zo hard. Toch was het tegen de grond getotterd en Goddank niet gebroken.
Op een gegeven moment kwam een knecht van een van de boeren van de streek voorbij de boom en zag hij ochot ocharme ons Liefvrouwke op de grond liggen. Dus raapte hij haar op. Hij zal zijn eigen niet kunnen inhouden hebben, peins ik, want ja, wie wil nu ons Liefvrouwke zomaar op de grond zien liggen. Nu is alleen de vraag, wat was hij ermee van plan? Sommige mensen zeggen dat hij het wilde mee naar huis nemen, en anderen denken dat hij het terug in de boom wilde hangen. Awel, ik weet niet welke uitleg de juiste is, maar van de moment dat hij het postuurke in zijn handen had, gebeurde er iets dat ge niet zoudt verwachten. Die knecht, die waarschijnlijk ne sterke vent was, bleef ineens stokstijf staan. Hij kon begot zijn armen en benen niet meer bewegen. Sterk of niet, hij kon niks of niemendal nog bewegen. Stel je eens voor wat dat is. Dat moet verschietachtig zijn, zenne.
De tranen rolden in dikke druppels over zijn gezicht. Want hij moest peinzen aan zijn zieke vrouw, die hij thuis te bed had liggen. Het was voor haar dat hij wilde komen bidden bij de Maria van den eikenboom. Het was nen halve zot, die knecht, maar ja. Uuuuren heeft hij daar gestaan, stokstijf, tot zijne baas hem is komen zoeken. Die wilde hem een pak rammel geven, omdat de schapen allemaal weggelopen waren. Ja, die waren niet blijven rondhangen, he, dat kan je wel denken. Hoe zoudt ge zelf zijn? Die waren schampavie.
De boer pakte dat postuurke uit de handen van zijne knecht en hing het rappekes terug in den eikenboom. Uit schrik van onze Lievenheer, want van ons Liefvrouwke had hij minder schrik. En ge moogt het geloven of niet, de seconde dat dat postuurke terug in de boom hing, had de knecht terug macht over zijn armen en benen. Hij viel op zijn knieën en begon luiddop te bidden. Dat moet nogal een spektakel geweest zijn. De boer wilde hem een mot geven, maar in ’t bijzijn van ons Liefvrouwke durfde hij niet.
Awel, ’t is dat beeldeke dat gepikt is uit de boom toen als ik tien jaar was. Ik heb toen gebleit als een kieke, dat durf ik gerust toegeven.

Wie had dan dat beeldje meegenomen?

Ja, die Geuzenhonden van ’t noorden natuurlijk. Wat is dat nu voor een stomme vraag. Die hebben hier al ’t een en ’t ander van miserie aangericht. Of hebt ge dat misschien nog niet opgemerkt? Ze hebben dat beeldeke kapotgeslagen. Kunt ge dat nu goed geloven? Wie doet nu zoiets? Dat is heiligschennis. Meneer pastoor, ge weet wel, die van Zichem, heeft gezegd dat die smeerlappen in het heetste vuur van de hel zullen branden voor de rest van de eeuwigheid. Ik hoop het. Ik hoop het echt.

[[Nieke kijkt mij met vlammende ogen aan. Ik twijfel even over mijn volgende vraag, maar stel ze toch.]]

En waarom heeft ons Liefvrouwke die dieven dan ook niet verlamd, zoals de knecht indertijd? Dan konden ze haar niet pikken.

(Stilte)
Hoe moet ik dat nu weten? Daar zal dan wel een goei reden voor geweest zijn, zeker. Ik kan nu toch niet gaan zeggen dat ik weet wat dat er in ons Liefvrouwke hare kop rondspookt. Dat kan vanalles zijn.

[[Ik beslis om een risico te nemen.]]

Zou het kunnen dat de mirakelen aan de eikenboom niet door ons Liefvrouwke worden verricht?

(Langere stilte)
Dat begrijp ik niet. Hoe bedoelt ge, niet door ons Liefvrouwke? Door wie dan wel?

Door de zieke mensen zelf, die zo hard geloven in een genezing dat ze vanzelf beter worden. Door hun eigen gedacht, hun eigen hoop.

(Nieke draait zich langzaam om naar haar ouders, die aandachtig hadden geluisterd naar elk woord. Ze tikt met haar wijsvinger tegen haar voorhoofd.)
Gij vangt geloof ik. Gewoon mensen kunnen toch geen mirakelen doen. Ge hebt wel gelijk dat de mirakelen niet stopten toen er geen beeldeke in de boom hing. Maar ons Liefvrouwke kan mensen genezen zonder dat er daar een postuurke voor in nen boom moet hangen, he. Dat begrijpt ge nu toch zelf.

Maar het beeldje is teruggekomen. Niet het oude, maar pastoor Van Thienwinkel heeft er toch opnieuw eentje opgehangen.

En nog een geluk ook. Want stelt u voor dat we hier door God en ons Liefvrouwke zouden verlaten zijn. Dan zaten wij hier nu niet te klappen, he.
(Lacht)
Ik kan daar met mijn verstand niet bij dat gij dat niet kunt begrijpen.

Wat is er dan precies gebeurd toen je vader je naar de eikenboom droeg?

(Nieke wordt plots heel stil en staart enkele minuten voor zich uit. Haar hele houding en gelaat veranderen. Er komt een serene blik in haar ogen. Wanneer ze spreekt, is alle spot uit haar stem verdwenen.)
Ik was niet zeker wat er gebeurde toen onze va mij oppakte. Dat heeft hij nog nooit gedaan en ik dacht: ’t is nu wel goed en wel gedaan met mij. Ik peinsde dat ik al dood was en dat hij mij naar mijn graf droeg, zo zot was ik van de koorts in mijne kop. Maar hij begon te stappen en bleef maar stappen. Het was precies of het duurde een eeuwigheid. Ik kon niet begrijpen waar hij mij naartoe bracht. Maar stillekesaan begon ik het gevoel te krijgen dat de hitte in mijne kop begon te zakken. En toen wist ik het ineens. Hij brengt mij naar ons Liefvrouwke van den eikenboom! Ge kunt niet geloven hoe groot mijn opluchting was. Ons moe zal wel uit haar kram geschoten zijn, dacht ik er direct achter, maar blijkbaar heeft onze va haar dan toch eens op haar plaats gezet en me naar de boom gebracht.
Toen ik daar aan de voeten van ons Liefvrouwke op de grond lag, kwam er een gelukzalig gevoel over mij. Ik deed mijn ogen toe en zag een hel blauw licht. Precies of ze zat in mijn kop, zo dichtbij en mooi was dat. Onze va zat hardop te bidden. Wat die zot allemaal gezegd heeft, ik zou ermee gelachen hebben, mocht ik niet zo ne schrik gehad hebben om te sterven. Dat hij ongelukkig zou zijn als ik zou dood gaan. Dat hij al een kind verloren had, vroeger, en dat hij geen tweede wilde verliezen, zeker niet zijn enige dochter. Hij was effekes van zijn verstand af, peins ik.
(Kijkt om naar haar vader, die boos rechtstaat en de kamer verlaat.)
Allez, ik moet eigenlijk content zijn dat hij zoveel met me inzit.
Maar op den duur hoorde ik dat gefrazel van onze va niet meer. Ik hoorde precies engelen zingen. Dat suisde door mijne kop, en op den duur voelde ik water over mij lopen. Fris water, gelijk in de beek in de zomer.
Het volgende dat ik wist, was dat ik mijn ogen opendeed en ik hier op mijne strozak lag. Mijne kleine lag naast me en ik ben rechtgestaan, heb die mee gegrabbeld en ben aan ’t vuur gaan zitten om hem van mijn melk te geven. En sabbelen dat hij deed. ’t Was precies of hij had een week geen eten gehad.

Weet ge dat uw moeder u planten en kruiden gegeven had toen ge ziek waart? Denkt ge niet dat die iets met uw genezing te maken hadden?

(Kijkt om naar haar moeder, die ingedommeld is bij het vuur.)
Ons moe gelooft van wel.

En gij, Nieke? Wat gelooft gij?

(Fluistert)
Ik denk dat ons Liefvrouwke daar hard door gekwetst is, dat ons moe niet in haar gelooft. Ik begrijp dat niet. Wat is daar nu niet aan te geloven? Zij kan mirakelen doen, zij heeft mij genezen. Meer bewijs is er toch niet nodig.

[[Ik besef dat het geen zin heeft om zoveel simpele overtuiging nog verder in vraag te stellen. Tegenover mij zit een meisje dat twee jaar jonger is dan mijn oudste zoon. Ze zit daar de moeder te wezen van een bastaardkind dat verwekt werd door een onbekende vreemdeling, en ik vrees dat haar eerste moederschap niet duren. Boer Tuur zal de kleine, die nog niet eens een naam heeft, naar de Begijnen in Diest brengen van zodra hij de kans krijgt.]]

Wat gaat ge doen met uw kind, Nieke? Gaat ge hem hier grootbrengen? Ge weet toch dat uw vader dat niet wil.

(Kijkt naar het slapende kind in haar armen)
Hij is geen duivelsjoenk, zoals onze va zegt.
(Lange stilte)

[[Ik weet niet of een bijkomende vraag haar van de wijs zal brengen. Dus hou ik mijn mond. Ik zie hoe Nieke worstelt met zichzelf. Ze bloost. Dan stel ik de vraag toch. Ik heb verschrikkelijk met haar te doen.]]

Wie is de vader van je kind, Nieke?

(Aarzelt, maar begint dan toch te vertellen, bijna fluisterend)
Het was in de lente. De krokussen waren al aan ’t wassen. ’s Morgens, toen ik naar ’t washuis ging, kon ik de bloemen in de grond ruiken. Of hij zich daar de hele nacht verstopt had, weet ik niet, maar toen ik in het washuis binnenging, stond hij voor me. Ik verschoot mijzelf een halve bult.
(Stopt met praten.)

Wie stond voor je?

Ik zag direct dat hij ne soldaat was. Dus ik verschoot voor den tweede keer. Oei, dacht ik, ze hebben ons gevonden. Dus ik wilde krissen, roepen, weglopen, maar als een weerlicht sprong hij op mij af. Hij greep mij vast en sloeg zijn hand over mijne mond. Ik dacht dat ik ging sterven van schrik. Hij trok me zo hard tegen zich aan dat ik geen lucht kreeg. Ik zag zwarte plekken voor mijn ogen. Ik dacht echt dat ik van mijne sus zou gaan. En toen liet hij mij plots los.
Daar verschoot ik nog het hardste van, want ik dacht dat het met mij gedaan was. Maar in plaats van weg te lopen, bleef ik staan. Als gij mij nu vraagt waarom ik niet wegliep, ik zal daar niet kunnen op antwoorden. Wat komde gij hier doen? vroeg ik, maar ik zag aan zijn donker karboenkels van ogen dat hij niet begreep wat ik stond te zeggen. We bleven daar zo staan. Hij keek naar mij van boven naar onder. En ik had er direct spijt van dat ik mijne rok zo hoog had opgebonden. Maar ja, ge moet weten dat er op het geleeg hier ferm moos en stront kan liggen, en daar wilt ge echt niet met uwe rok inhangen, of ge kunt den hele dag in ’t washuis staan. Het is zo al erg genoeg.
Hij keek naar mijn blote voeten en mijn benen, ja, ik zag wel dat er vanalles door zijne kop ging dat niet deugde. Ik ben niet van gisteren, he. Als die mannen van Zichem hier komen om te helpen met hooien in de zomer, zie ik die ook aan hun kruis heffen als ik kom water brengen in ’t veld. Ik ben niet stom geboren.
Zijn ogen gingen langzaam omhoog, en tegen dat hij in mijn ogen keek, wist ik dat hij me in zijne kop helemaal had uitgekleed. Ik wist het, want ik voelde het over mijn hele lijf. ’t Was precies of ik stond in mijne blote ginder op dat bergske, in de vlakke zomerzon te braden gelijk een speenvarkentje. En die hitte, die kwam van binnen in mij. Van ergens in mijne buik.
(Valt weer stil en glimlacht.)

Wat gebeurde er toen?

Ik dacht, als onze va of onze Fons hier nu binnen komen, dan overmeesteren ze hem. Of erger nog, ze slaan hem de kop in. Dus ik luisterde naar de geluiden buiten. Ik hoorde niks. Iedereen was al vertrokken. Alleen ons moe was binnen. Die was bezig in de keuken.
Hoe het gebeurde, weet ik feitelijk niet meer, maar hij was weer bij me als de weerlicht. Maar deze keer dacht ik niet aan roepen. Hij greep mij vast rond mijn midden en trok mij opnieuw hard tegen zich aan. Mijn asem stopte, maar deze keer niet van de schrik. Mijn hart bonkte zo hard dat ik het kon horen. Hij had dikke lippen en die drukte hij tegen mijne mond. Warm dat dat was, dat kunt ge niet geloven.
(Pauzeert even en raakt haar lippen aan met haar vuile vingers.)
Ik verschoot mij half dood toen ik plots zijn tong in mijne mond voelde. Ik wist niet wat er gebeurde. Ik dacht me eerst los te trekken, maar hij pakte me nog harder vast. Ik kreeg het warm tussen mijn benen. Allez, hoe kan dat nu? Legt gij dat eens uit.
Ik kon dat niet tegenhouden. Ik wilde weten hoe het zou proeven om ook mijn tong in zijne mond te steken. Het proefde naar noten en zoete rode bessen.
Hij hefte mij op en duwde mij tegen de muur naast de deur. Met zoveel geweld dat ik met mijne kop tegen de muur botste en er effen niet goed van was. Zijne mond was de hele tijd op die van mij. Toen trok hij mijne rok helemaal omhoog.
(De moeder van Nieke is intussen wakker geworden en luistert in stilte mee op de achtergrond.)
Mijn voeten raakten niet eens de grond. Hij pakte mij onder mijn billen vast en trok mijn benen open. En toen voelde ik het. Ik liet een kreet, want eerst deed het pijn en ik wilde mij achteruit trekken. Maar natuurlijk zat ik vast tussen hem en de muur. Ik kon nieverans naartoe. Met elke schok van zijn lijf ging ik op en af. En de pijn, die duurde niet lang. In plaats van pijn voelde ik hoe het opnieuw warm werd tussen mijn benen. Zo warm dat het deugd deed. Omdat hij die hitte tussen mijn benen aan de binnenkant aanraakte.
(Nieke sluit haar ogen en haalt diep adem voor ze verdergaat)
Net toen ik wilde dat hij nooit zou ophouden, liet hij mijn benen los en stond ik te wankelen tegen de muur. Hij sleurde mij mee naar de wastobbe, draaide mij om en hefte mijne rok terug omhoog. Hij duwde mij voorover en ik kon mij maar juistekes pakken aan de rand van de tobbe, of ik had met mijne kop in het water gevallen. Hij gaf mij een harde klets op mijn kont, en stootte zich direct weer binnen tussen mijn benen.
(Een lichte kreun ontsnapt haar lippen. De kleine roert zich in haar armen en ze duwt hem een borst in de mond.)
Het was precies alsof hij aan ’t lamenteren was. Ge zoudt denken dat hij smarten had, of ondraaglijke pijnen, zo kreunde hij. Hij zei de hele tijd hetzelfde: ‘mimadonna, mimadonna!’
Weet gij wat dat wil zeggen? Wat is dat een mimadonna?

[[Hoe kan ik haar vertellen dat deze verdwaalde Spaanse soldaat tijdens zijn vergrijp de heilige Maagd heeft aanroepen die aan den eikenboom genageld hangt. Dezelfde Madonna die Nieke negen maanden later genezen heeft van kraamkoorst. Ze zou me niet geloven.]]

Hij heeft je een Madonna genoemd, Nieke. Zijn Madonna.

En wat wil dat zeggen, een Madonna?

Een Madonna is een sterke vrouw die alles aankan, die hard kan werken en goed voor haar kinderen zorgt. Ben jij dat?

(Opnieuw valt er een lange stilte)
Ik zal hem nooit kunnen vergeten.

Dat begrijp ik. Is het daarom dat je je kind niet naar de Begijnen wil sturen?

Deze kleine is geen duivelsjoenk.
(Kijkt me met vurige ogen aan.)
En onze va gaat hem niet afpakken. De Begijnen kunnen naar de hel lopen.
(Schrikt wanneer ze de hand van haar moeder op haar schouder voelt. Moeder en dochter kijken elkaar heel even aan, en kijken dan samen naar het slapende kind.)



Ik vertrek zonder afscheid te nemen. Het tafereel dat ik achterlaat bij het haardvuur van de hoeve op de Loobosch zal voor eeuwig op mijn netvlies gebrand blijven als een tragisch schilderij. En toch straalt het ook hoop uit. Dezelfde hoop die Leonardo da Vinci kon vastleggen in zijn Anna te Drieën, waarin de heilige Anna met haar dochter Maria en kleinzoon Jezus is afgebeeld als belofte voor een toekomst die niet meer tegen te houden is.

Ik keer terug naar de eikenboom, zonder te beseffen dat het verhaal van Nieke voor mij nog niet ten einde is.
Het is vroege namiddag en het landschap is veranderd. Waarschijnlijk enkel in mijn ogen, of in mijn hart. Ik wend mijn blik naar het beeldje. Mijn woorden en tranen wellen tegelijk naar boven. Op mijn knieën val ik niet, maar ik leun tegen de krachtige eikenboom, die mij rechthoudt.
‘Waak over haar,’ vraag ik snikkend aan ons Liefvrouwke. ‘Ze is een moeder, zoals gij. Als er echt zoiets bestaat als genade, zorg er dan voor dat ze nooit het verdriet van verlies hoeft te kennen.’

Zou ze me gehoord hebben?



Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (5)

*De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.