maandag 27 februari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (12)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Katrin - 1 mei 1882

Deel 1

De straten van Scherpenheuvel staan in rep en roer. Ge kunt er over de koppen lopen. Het is vandaag de eerste dag van mei, opening van het bedevaartseizoen. Kerk en commerce wrijven zich in de handen. Het is drie dagen geleden opgehouden met regenen, na een miserabel slecht voorjaar. Niemand die had kunnen voorspellen dat de zon er vandaag zou doorkomen. Maar hier is ze dan toch. En ze trakteert gul.
Ik sta vlak tegenover de waterput, op de hoek van het Albertusplein met de Brouwerijstraat. Althans, zo heten die straten in mijn tijd. Straks even controleren of dat ook in dit tijdperk het geval is. Hier bevindt zich het huis van Anna Catharina Van Kerkhoven, oermoeder van een geslacht dat enkele generaties lang de geschiedenis van dit dorp zal bepalen. Katrin, zoals ze al jaar en dag genoemd wordt, is 54 jaar en getrouwd met Liborius Michiels. Ze heeft vijf kinderen in leven, en één op het kerkhof. Ze gaat elke week naar zijn grafke kijken, en legt er een verse bloem op. Het gezin Michiels gaat niet lang meer in het centrum van Scherpenheuvel blijven wonen. Ze verhuizen binnenkort naar de Witte Hoef, een landgoed met villa dat temidden de velden gebouwd wordt.
Borius groeide op in de boerderij van zijn ouders. Op het Verbrandt, zoals die streek toen heette. Straks, als ik over de geschiedenis vertel, zult ge begrijpen waarom dat daar zo genoemd werd. Zijn moeder heette toevallig ook Trees Polaster, zoals de vroedvrouw uit mijn vorige verhalen. Maar of er enige familieband was tussen de twee vrouwen valt moeilijk te bewijzen. De dooparchieven van de kerk, waar een geïnteresseerde zulke informatie zou kunnen terugvinden, ging verloren tijdens een donkere passage in de plaatselijke geschiedenis. Maar daarmee loop ik op mijn vertelsel vooruit.
Als kind al was Borius gefascineerd door alles wat uit de grond kwam. Ge moet er maar een zaadje of stekje insteken of het groeit. Hij kon uren met een schup in zijn handen staan, kon met ploeg en paard een voor in het veld trekken die rechter was dan zelfs zijn vader Norbert kon maken, en dat was veel gezegd, want Norbert stond erom bekend een pietje precies te zijn. Zeker wanneer het op ploegen aankwam. Naar de mis gaan nam hij niet zo nauw. Een slechte gewoonte die zijn zoon graag overnam.
Borius had eigenlijk maar één grote liefde. Hij hield van bomen. En toen hij in de jaren vijftig trouwde met zijn Katrin, was hij de koning te rijk. Hij had op 33-jarige leeftijd eindelijk iemand gevonden die zijn liefde voor de natuur deelde. Katrin was zes jaar jonger dan hij. Borius had toch een beetje schrik dat ze voor hem wat aan de jonge kant was. Maar ze kon schoon lachen, en hij zag haar graag. Haar kolerieke kantjes nam hij er op de duur dan maar bij. Zo erg was dat allemaal niet, als ge bedenkt dat ze Borius zoveel zonen baarde. Genoeg om zijn droom te verwezenlijken: het oprichten van een familiebedrijf, een boomkwekerij met naam en faam in gans België.
Die droom staat hier, voor mijn neus, in zijn prille kinderschoenen. Want het mooie, stenen gebouw van drie verdiepingen, waar ik straks naar binnen ga om Katrin te interviewen, doet ook dienst als kantoor van de firma Les Grandes Pépinières de Montaigu, dat vorig jaar is opgericht. Erg Grandes zijn de Pépinières nu nog niet, maar bij de viering van de 25ste verjaardag van de oprichting van de firma, zal de familie Michiels aan het hoofd staan van een bedrijf dat vele honderden mensen tewerkstelt in de kweek van bomen en bloemen.

Scherpenheuvel is bijna onherkenbaar veranderd. Wat honderd jaar geleden nog een middeleeuws dorp leek, is nu een volwaardige, geürbaniseerde nederzetting geworden. De stadsrechten die Scherpenheuvel van Albrecht en Isabella mocht ontvangen in 1604 zijn intussen vervallen, terwijl het dorp er ironisch genoeg voor het eerst in haar geschiedenis echt als een stad uitziet. De transformatie begon aan het einde van de 1780, toen het schepencollege besliste dat er binnen de vesten geen huizen meer mochten staan met strooien daken. De nieuwe die gebouwd werden, moesten aan strengere normen voldoen, en de oude moesten aan die normen worden aangepast. Dit om in eerste plaats het brandgevaar te verkleinen. De beslissing van het college werd natuurlijk niet van de ene dag op de andere toegepast. Ge kunt u wel inbeelden dat het vooral de mensen waren die nog in lemen huizen woonden, die het zich niet konden permitteren om er ook een leien dak op te leggen. De commercanten hadden ondertussen al lang bakstenen huizen gebouwd, maar de keuterboeren en seizoensarbeiders die met een habbekrats moesten rondkomen, waren niet content met de beslissing van het stadsbestuur en voelde zich gedupeerd.
Het werd snel duidelijk dat Scherpenheuvel geen vestingstad meer was. Eigenlijk was ze dat nooit geweest. De vesten en wallen waren indertijd enkel het gevolg van de grootheidswaanzin van aartshertog Albrecht, en bleken in de groeiende nederzetting algauw meer hindernis dan hulp. In 1782 keurde het schepencollege unaniem de beslissing goed om de Leuvense en Diestse poorten af te breken. Het materiaal werd per opbod verkocht. Enkel het gebouw van de Zichemse poort bleef overeind, en werd voortaan gebruikt als cachot. Het duurde niet lang voor er beslist werd om de palissaden af te breken en de wallen vrij te geven voor verkoop, om tegemoet te komen aan de bevolkingsaangroei. Scherpenheuvel barstte stilaan uit haar voegen. De grachten werden opgekuist en half opgevuld, om ze minder diep te maken, en afval storten werd bij de wet verboden. Daar werd door de stadswachten voortaan zeer steng op toegezien. Het propere water werd voorbehouden voor het blussen van branden, die toch nog steeds regelmatig uitbraken. De straten werden helemaal opnieuw aangelegd, en dit keer met kasseien van betere kwaliteit. Voortaan werd alles ook regelmatig onderhouden door de stadsarbeiders.

Ook buiten de scherpe heuvel waaide een nieuwe wind. Maar of die zo gunstig was, hangt af van de persoon bij wie je je oor te luisteren legt. Als onderdeel van de Oostenrijkse Nederlanden ging het Brabant, en bij uitbreiding heel Vlaanderen, in eerste instantie voor de wind, maar in 1780 werd Jozef II keizer en hij hield er vooruitstrevende ideeën op na, die niet altijd in het voordeel waren van de katholieke kerk, en als dusdanig ook het bedevaartsoord. Hij stuurde aan op grote hervormingen binnen zowel de kerkelijke structuur als het logge staatsapparaat. Eigenlijk was de man gewoon zijn tijd veel te ver vooruit, en slaagde hij er op korte tijd in het katholieke zuiden iedereen tegen zich op te zetten. Drie jaar na zijn troonsbestijging, nam hij de beslissing om 163 kloosters op te heffen. De kloostergemeenschappen werden opgedoekt, de paters en nonnen werden verspreid over andere congregaties, en de eigendommen verkocht. Het Oratorium in Scherpenheuvel ontsnapte als bij wonder aan deze uithaal van de keizer. De dertien priesters en zeven lekenbroeders mochten blijven. Ook de inkomsten van de kerk, plus de huurgelden en opbrengsten van de pachteigendommen mochten de Oratorianen, na een grondige inventarisatie, toch behouden. Dat was voor de proost een grote opluchting, omdat de inkomsten zienderogen verminderden en hij toch 20 mensen moest eten geven, zichzelf meegerekend.
Jozef II richtte in Leuven en Luxemburg algemene seminaries op. Alle theologiestudenten werden gedwongen daar te studeren. Andere opleidingen werden onherroepelijk afgeschaft. Daarnaast vaardigde hij ook eindeloze lijsten decreten uit. Hij ontwikkelde een ongeziene drang tot inmenging in kerkelijke zaken, besliste over zelfs de meest interne details, zoals kerkgewaden en aantal kaarsen op het altaar, waardoor hij de bijnaam keizer-koster kreeg toebedeeld. Om maar een voorbeeld te geven: op 14 augustus 1784 kwamen de pastoor en burgemeester van Scherpenheuvel bijeen over een Oostenrijks decreet dat zei dat voortaan de doden niet meer in of rond een kerk mochten begraven worden. Wegens gevaar voor de volksgezondheid. Graven veroorzaken dampen en geurhinder, zo stond in de tekst van het keizerlijk besluit, en die kunnen ziektes veroorzaken.
Met een inwonersaantal van om en bij de vijftienhonderd mensen, tekende Scherpenheuvel jaarlijks een twintigtal doden op. Het zou nog exact dertien jaar duren vooraleer oude graven moesten worden verwijderd om plaats te maken voor nieuwe. De burgemeester en de pastoor schreven een brief naar het Oostenrijkse bestuur in Brussel met een lange uitleg. Aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk was er meer dan genoeg afstand tussen het kerkgebouw en de eerste huizen, en dus ook genoeg frisse lucht om gevaarlijke dampen weg te blazen. Scherpenheuvel gaf nooit gevolg aan het decreet, en werd gelukkig niet gestraft voor haar kleinschalige anarchistische beslissing, om de simpele reden dat niemand vanuit Brussel zich ooit de moeite getroostte om te situatie te komen controleren.

De diepgaande hervormingen die Jozef II in het staatsbestel doorvoerde, en zijn plannen voor de sanering van justitie, zorgde voor heel wat wrevel, en droegen bij tot de veranderingen die voor de deur stonden. In Frankrijk roerde de bevolking zich, en kwam in opstand tegen de koning. Op 14 juli 1789 bestormde de woedende menigte de Bastille, het moment dat als symbolisch beginpunt wordt aanzien voor de Franse Revolutie. In de Oostenrijkse Nederlanden voelden velen zich door deze rebellie geïnspireerd, en overal ontstonden haarden van verzet. Nog geen maand na de bestorming van de Bastille keerde in Luik een meute zich tegen de prins-bisschop, terwijl in Tienen, Leuven en Diest de belastingontvangers het moesten ontgelden. Deze rellen leidden al snel, en ik ga kort door de bocht, tot de Brabantse Omwenteling. Wat begon met de slag bij Turnhout, waar een boerenleger ten strijde trok tegen het Oostenrijks gezag, breidde zich snel uit naar heel Brabant, en daarna ook naar Vlaanderen. In november 1789 werd Diest bevrijd, en de Scherpenheuvelse bevolking was meer dan bereid om de 3.000 boerensoldaten te bevoorraden. Er hing een euforische sfeer in de lucht, die voor het eerst in de geschiedenis echt smaakte naar onafhankelijkheid. De kans is groot dat ook Trees van Frakke Vogeleir, als ze nog in leven was, en haar dochter Fien mee naar het Zichems veld trokken, om wonden te verzorgen en warm eten te brengen aan die boerenknuppels, die zo hun best deden om de Oostenrijkers een pak slaag te geven. Fien was toen 36 jaar, en ongetwijfeld al jarenlang vroedvrouw. Als ik tijd heb, zoek ik straks misschien naar haar graf, en dat van haar moeder.

De opstandelingen vormden een nationale vergadering, en verklaarden op 17 november van datzelfde jaar de heerschappij van Jozef II als verbeurd. Samen organiseerden ze gecoördineerde veldtochten tegen de Oostenrijkse bezetting en een jaar later hadden zij de Oostenrijkers uit het hele grondgebied van de Zuidelijke Nederlanden verdreven, op Antwerpen na.
De Brabantse driekleur, rood, zwart, geel in horizontale strepen, wapperde boven Brussel. Alle staten, behalve Luxemburg, verklaarden zich op 11 januari 1790 onafhankelijk van Oostenrijk. Ze vormden de Verenigde Belgische Staten, les Etats-Belgiques-Unis. De naam België was overgeleverd uit Romeinse tijden, toen Julius Caesar in zijn De Bello Gallico het noorden van Gallië beschreef als Belgica.
Maar die onafhankelijk kwam te vroeg en in de verkeerde vorm. De verschillende belangengroepen, Vonckisten en Van der Nootisten, kwamen steeds minder goed met elkaar overeen, en de strijd van de diverse partijen, om de macht over het vrije grondgebied, had catastrofale gevolgen. Onder druk van het volk had de regering de belastingen zodanig verlaagd, dat er geen geld meer was om een fatsoenlijk leger op de been te houden. Nog voor de eerste verjaardag van de onafhankelijkheidsverklaring vielen de troepen van de nieuwe keizer, Leopold II, zoon van de overleden Jozef II, de Verenigde Belgische Staten binnen en heroverden het volledige grondgebied. Tot zover de eerste poging.

Maar de grootste aardverschuiving in de Zuidelijke Nederlanden stond pas nu te gebeuren. Deze zou veranderingen met zich meebrengen die ook voor Scherpenheuvel zeer verdragende en pijnlijke gevolgen hadden. Dit keer bracht de sauvegarde van Isabella geen enkele soelaas, en kon zij haar geliefde parochie postuum niet beschermen. In 1894 overspoelden Franse soldaten onze gebieden, en dat had meteen grote consequenties voor het bedevaartsoord. In januari al kreeg het Oratorium een bevel van Leopold II tot oorlogssteun. Het klooster moest 4.020 zilveren gulden bijdragen aan de bewapening en bevoorrading van de Oostenrijkse troepen. De proost van de Oratorianen wist aan de overheid de belofte te ontfutselen dat alles, tot op de laatste gulden, na de oorlog zou worden terugbetaald. Of dat ook gebeurde, zal later in het verhaal duidelijk worden.
De Franse overmacht was niet te stuiten. Het duurde dan ook niet lang voor de Oostenrijkse troepen volledig onder de voet gelopen waren. Nog voor de officiële aanhechting bij Frankrijk lieten de nieuwe bezetters aan de inwoners van de veroverde gebieden hun ware gelaat zien. De adel en rijken, clerus en kloosters, moesten samen 60 miljoen Franse ponden aan belastingen ophoesten. Iedereen sloeg meteen in paniek.
De Fransen waren roekeloos en zetten te pas en te onpas velden en boerderijen in brand. Ook in Scherpenheuvel, waar zij passeerden, moesten een heel aantal velden eraan geloven. De pachthoeve op de Loobosch, die intussen eigendom was geworden van het Oratorium, ontsnapte ternauwernood aan de Franse vernielzucht, maar andere boeren hadden minder geluk. De hele streek ten zuidoosten van de stad ging in vlammen op. Het duurde zeker een jaar voor de geur van verbrande bomen, planten en vlees helemaal uit de bodem gewasemd was. Zo gebeurde het dat die streek het Verbrandt werd genoemd. Later kwam een deel van die grond in het bezit van Norbert Michiels, vader van Borius, die via erfenis de eigendom verwierf van een boerderij.

Op 1 oktober 1794 annexeerde Frankrijk de Oostenrijkse Nederlanden. Van de ene dag op de andere werden de drie miljoen Zuid-Nederlanders Franse staatsburgers. Ook de 1.500 inwoners van Scherpenheuvel.
De gevolgen waren meteen te merken. Alle processies, bedevaarten en andere godsdienstige samenscholingen buiten het kerkgebouw werden verboden. De activiteiten rond de Onze-Lieve-Vrouwekerk kwamen tot een abrupte stilstand. Het aantal pelgrims slonk dramatisch.
Alsof ze voelden dat de duivel ermee gemoeid was, en om erger kwaad te voorkomen, vertrokken twee Oratorianen met een hoop kostbare documenten en voorwerpen naar een Oratorium in Denemarken. Omwille van de gunstige ligging van het Deense klooster, geïsoleerd op een eiland, gingen de paters ervan uit dat hun schatten daar veilig waren. Groot was de schok toen het klooster op een dag afbrandde. Het Scherpenheuvels archief en de kunstvoorwerpen gingen voor het nageslacht verloren.
Twee jaar na de inlijving van de Nederlanden bij Frankrijk besliste de Directoir om alle kloosters definitief af te schaffen. Op slag was het Oratorium, plus de inventaris, gronden en andere eigendommen bezit van de Franse Republiek. Alles werd in een mum van tijd verkocht aan de hoogste bieders. Een aantal van de Oratorianen konden op het nippertje ontsnappen, maar vijf van hen, waaronder proost Van Bael, parochiepriester van het bedevaartsoord, werden gevangen genomen. Van Bael kon merkwaardig genoeg ontsnappen, en stierf 23 jaar later, na een rustig leven in een vredige schuilplaats, op de gezegende leeftijd van 74 jaar. De overige vier Oratorianen, waaronder pater Vliegen en pater De Noot, beiden geboren en getogen in Scherpenheuvel, hadden minder geluk. Ze werden, samen met honderden andere Belgische geestelijken, naar de Franse kolonies in Zuid-Amerika verbannen. Zoals de meesten kwamen zij onderweg, of vlak na aankomst, om van ontbering.
Bij de verkoop van de eigendommen van het Oratorium slaagden Antoon d’Elderen, hoofdmeier van Zichem, en Norbert Beutels, burgemeester van Scherpenheuvel, erin om voor 6.000 franken de boerderij en de grond op de oude vesten, op te kopen met de bedoeling ze later aan de paters terug te geven. Om ook de rest van het klooster, alle bijgebouwen, de tuinen en vijvers te kopen, hadden ze bijlange niet genoeg geld, en dat werd verkocht aan een zekere Jean-Filip Pirlet uit Leuven, die er 100.000 franken voor neerlegde. Hij zou het steen per steen laten afbreken, en het materiaal verkopen. Alleen de buitenmuur bleef overeind, en natuurlijk de boerderij zelf, omdat die in het bezit was van de burgemeester.
In 1798 vond de onfortuinlijke geschiedenis plaats van de klokken. Omdat de Fransen het koper in beslag namen, werden de klokken uit de toren naar beneden gesmeten. De kleinere in hun geheel, terwijl de grootste exemplaren eerst in stukken werden geslagen en zo naar beneden gekieperd. Het is een mooi verhaal van heldendaden en opstand tegen de bezetter. Enkele inwoners slaagden erin ’s nachts een deel van het klokkenspijs te stelen en in de kelder van de kerk te verstoppen. Later werd het gebruikt om de eerste van een reeks nieuwe klokken te gieten.

Het einde van de ellende van Scherpenheuvel was gelukkig in zicht. Helaas niet zonder het nalaten van diepe wonden. Een maand voor de eeuwwisseling kwam er een einde aan de Franse Directoir, en stond er een jonge Corsikaan op uit het volk, die de geschiedenis van de Franse Republiek, en van Europa, zou veranderen. Napoleon Bonaparte werd in 1802 benoemd tot consul voor het leven, en kroonde zichzelf twee jaar later tot keizer van het gloednieuwe Franse keizerrijk. Slim als hij was sloot hij een concordaat met paus Pius VII, en deze overeenkomst zorgde ervoor dat hij in het katholieke België de steun won van zowel het volk als de clerus. De kerk aanvaardde Napoleon en zijn keizerrijk meteen als wereldlijke overheid en in ruil erkende de staat het katholicisme als godsdienst van de meerderheid. Napoleon liet in een communiqué weten dat kerken noodzakelijk waren voor het belijden van het katholieke geloof, en daarmee verklaarde hij zich in essentie akkoord met de godsdienstvrijheid. Meteen werden de kerken heropend.

De bedevaarten en de handel werden hervat. Scherpenheuvel had na de annexatie bij Frankrijk haar stadsrechten verloren, en was voortaan een gewone gemeente zoals alle andere. Maar dat lieten de inwoners nauwelijks aan hun hart komen. Vier van de gevluchte Oratorianen kwamen terug, en pater Daniëls werd aangesteld als pastoor. Hij liet in eerste instantie de opgelopen schade aan de toren en de voorgevel herstellen, om ervoor te zorgen dat de kerk ten minste uiterlijk opnieuw tot haar vroegere glorie terugkeerde. Nu het klooster verdwenen was, moesten de paters een andere woonplaats zoeken, en Daniëls liet een gloednieuwe pastorie bouwen, aan de zuidkant van de kerk. Hij nam bovendien ook nog vijf extra biechtvaders in dienst. Onder het waakzame oog van zijn opvolger werd de binnenkant van de kerk voor het eerst wit geschilderd, in plaats van gekalkt. Het zorgde meteen voor een veel verzorgder uitzicht. Er werd bovendien een preekstoel geïnstalleerd in de centrale rotonde, van waaruit de parochiepriester voortaan zijn preek over de hoofden van zijn parochianen en pelgrims kon uitspreken.
Het nieuwe regime bracht echter ook één groot nadeel met zich mee. Volgens de Franse wetgeving waren alle kerkfabrieken verplicht hun budget ter nazicht en goedkeuring voor te leggen aan het lokale gemeentebestuur. Ook de parochie Scherpenheuvel moest zich naar die regel buigen, tot groot ongenoegen van de pastoor. Er zat voor hem helaas niets anders op dan zich bij de Franse beslissing neer te leggen.

Maar onder het motto dat mooie liedjes door de band niet lang duren, kwam ook aan de kortstondige periode van opbloei onder het Franse bewind een abrupt einde, toen keizer Napoleon in juni 1815 in Waterloo verslagen werd. Vijf maanden later, op 20 november, ging de Belgische droom voor onafhankelijkheid op in het Koninkrijk der Nederlanden, onder het bewind van de calvinistische koning Willem I van Oranje-Nassau. Klinkt bekend in de oren, die naam, niet?
Koning Willem I vaardigde meteen een grondwet uit, die de absolute macht van de vorst, zichzelf dus, aan banden moest leggen. Hij deed er ook alles aan om zijn volledige volk aan zijn kant te krijgen. Niet alleen de 2 miljoen calvinistische onderdanen in het noorden, die zonder enige moeite aan zijn zijde stonden, maar vooral ook de 3 miljoen overwegend katholieken in het zuiden. In hun gedachtengoed neigden deze laatsten veel meer in de richting van Frankrijk. Ze vielen nog liever dood dan zich door een Noord-Nederlander te laten commanderen. Binnen deze groep stonden de Vlamingen niet sterk genoeg qua taal en cultuur om zich te onderscheiden van de overige Zuid_Nederlanders. Van enige politieke ontvoogding kon dus geen sprake zijn. Nochtans was er intussen in het zuiden een veel grotere economische welvaart ontstaan. Dankzij de heropening van de Schelde, en de mogelijkheid tot handel met het Oost-Indische afzetgebied, bloeide de economie volledig open. In 1820 was Gent de grootste textielhoofdstad van Europa. Er werkte zo maar liefst dertigduizend arbeiders. Allemaal goed betaald. Ook het havenverkeer in Antwerpen was exponentieel toegenomen.
Er ontstond een sterke liberale en Fransgezinde burgerij, die de koers bepaalde. Willem I probeerde deze groep zo strak mogelijk aan te halen. Hij richtte, als tegenhanger van de Noord-Nederlandse Bank van Amsterdam, in het zuiden de Algemene Nederlandsche Maatschappij ter begunstiging van de Volksvlijt op, de latere Generale Maatschappij. Deze openbare kredietverlener deed de economie nog verder exploderen, en gaf bovendien de politieke geschiedenis voor meer dan 150 jaar mee gestalte.
Willem I deed er ook alles aan om het volk te ontwikkelen. In het zuiden van het Koninkrijk der Nederlanden woonden bijna tien keer zoveel ongeletterden als in het noorden. Daarom gaf Willem de opdracht tot het bouwen van 1.500 scholen, waar in de volkstaal werd onderwezen. In Brussel en Vlaanderen was dat Nederlands, een feit dat stootte op heel wat ongenoegen bij de Vlaamse adel en bourgeoisie, die geheel Franstalig was.

Willem I maakte nog meer verschrikkelijke fouten, waarmee hij zowel de clerus als de katholieke bevolking tegen zich in het harnas joeg. Hij hield zich aan de oude decreten van wijlen keizer Jozef II. De kerkrekeningen stonden nog steeds onder supervisie van de overheid. Katholieke hoogwaardigheidsbekleders moesten trouw zweren aan de grondwet, wat naar hun gevoel indruiste tegen de godsdienstvrijheid. Kandidaat-seminaristen werden nog steeds gedwongen om in Leuven te studeren. Binnen de katholieke kerk gingen er steeds meer stemmen op die aansloten bij de vooruitstrevende liberalen.
Hun gezamenlijke grieven zouden er uiteindelijk voor zorgen dat er tussen katholieken en liberalen een gemeenschappelijke politieke voedingsbodem ontstond,een unionistische beweging. Op het einde van 1829 ondertekenden 360.000 Zuid-Nederlanders een petitie waarin zij hun ongenoegen uitten, maar Willem legde deze naast zich neer. Revolutie leek met de dag meer onvermijdelijk.
Tijdens een opvoering van de Franse opera La Muette de Portici in de Muntschouwburg in Brussel, op 25 augustus 1830, was plots het moment aangebroken. Een van de aria’s bevatte dan ook een zeer toepasselijke tekst : Amour sacré de la patrie, rends-nous l’audace et la fierté. A mon pays je dois la vie. Il me devra la liberté. In de straten van Brussel ontstonden overal relletjes, die zich uitspreidden als een lopend vuurtje. Op de muren stonden drie maal vier W’s geschilderd, die symbool stonden voor de opstand tegen de koning van het koninkrijk der Nederlanden: Wij willen Willem weg. Wil Willem wijzer worden, wij willen Willem weer.
Maar helaas wilde Willem niet wijzer worden. De straatrellen breidden zich alleen maar uit en al gauw ontwapenden de rebellen de koninklijke troepen. Een maand later, op 29 september 1830, keurden de Staten-Generaal van Den Haag met 55 stemmen tegen 43 de scheiding goed tussen noord en zuid. Maar Willem gaf zich nog steeds niet gewonnen. Zijn zoon, prins Frederik, viel Brussel aan met een troepenmacht van 14.000 soldaten. Hij liep te pletter tegen de opstandige barricades.
Onder beschermheerschap van de Franse koning Lodewijk-Filips werd er een voorlopige regering opgericht, het Nationaal Congres. Haar voornaamste opdracht was het schrijven van de Belgische grondwet. Op 20 december 1830, tijdens een conferentie in Londen, erkenden Frankrijk, Engeland en de andere Europese mogendheden de onafhankelijkheid van België.
Op 7 februari 1831 was de nieuwe Belgische grondwet eindelijk klaar. Ze bevatte drie fundamentele vrijheden: godsdienst, pers en onderwijs. Kerk en staat waren eindelijk gescheiden.
Nu stond het Nationaal Congres voor een moeilijke taak: wie wordt het eerste staatshoofd? Deze keuze liep niet van een leien dakje. Uiteindelijk viel de keuze op hertog Leopold van Saksen-Coburg en Gotha. Leopold was na 15 jaar nog steeds in rouw over de dood van zijn vrouw, kroonprinses Charlotte, de enige dochter van koning George IV van Engeland, die gestorven was tijdens de geboorte van hun eerste kind. Leopold was blijven wonen in hun residentie, Claremont House, nabij Windsor. Zelfs in de armen van een jonge, Duiste actrice, aan wie hij zijn hart kortstondig verloor, kon hij zijn verdriet niet vergeten.
In 1830 kreeg hij een aanbod om koning van Griekenland te worden. Hij weigerde. Nog geen jaar later kreeg hij dezelfde vraag van het Nationaal Congres van de nieuwe Belgische natie. Dit keer accepteerde Leopold het aanzoek. Op 21 juli 1831 legde hij, op het Koningsplein in Brussel, de eed af. Hij werd die dag Leopold I, eerste koning der Belgen. Twee jaar later stemde hij toe in een gearrangeerd huwelijk met prinses Louise, de 20-jarige dochter van koning Lodelijk-Filips van Frankrijk. België had een koningshuis.

En hoe verging het het Brabantse dorpje op de scherpe heuvel? Na de Belgische onafhankelijkheid braken voor het bedevaartsoord eindelijk de gouden jaren aan. Herstellingswerken, verbouwingen en verfraaiingen volgden elkaar in sneltempo op. De pastoor richtte een verzoekschrift aan de overheid om de 4.020 zilveren gulden terug te eisen, die zijn confrater en voorganger 36 jaar eerder had moeten betalen ter financiering van de Oostenrijkse verdediging tegen Frankrijk, maar zijn verzoek viel op dovemansoren. Hij liet het niet aan zijn hart komen. De inkomsten van de kerk stegen dusdanig, dat de verliezen op een mum van tijd waren weggewerkt. Veel van de verloren eigendommen keerden terug naar de kerkfabriek, en door verkoop, verhuur en nieuwe aankopen breidde de kerk haar rijkdom sterk uit.
Een marmeren vloer verving de rode plaveien, die de eeuwen nauwelijks hadden overleefd. Voor het eerst verschenen er stoelen in de kerk, die de eerste dertig jaar verpacht werden, vooraleer ze simpelweg gratis mochten gebruikt worden door de gelovigen. Eerst waren het er vierhonderd, maar al gauw werd dat aantal verdubbeld, toen er ook stoelen in de zijkapellen werden geplaatst. Er werden marmeren offerblokken geplaatst in het portaal. De kruisweg rond de kerk werd aangelegd, met staties van taferelen uit witte steen, geplaatst in arduinen nissen. Later werd de kruisweg geplaveid met cementtegels, en voorzien van bankjes. Er werd een verguldsel rond het orgel geplaatst en een uurwerkinstallatie aangebracht op de noord-, west- en zuidkant van de toren. De sacristie werd opgesmukt met houten lambrisering. In 1840 werd de haag rond de Hortus Conclusus vervangen door een ijzeren afsluiting, en in 1850 werden de grote ramen van het heiligdom vervangen door brandramen met taferelen uit de bewogen geschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. De meest opmerkelijke verandering volgde datzelfde jaar, toen de pastoor besliste om het genadebeeld te verhuizen van de hoge nis naar een lage, zilveren nis die hij voor haar liet bouwen. Voortaan werd deze nieuwe plaats het brandpunt van alle aandacht en hoop in de kerk. Ook liet hij een spectaculair zilveren tabernakel maken, samen met nog meer zilverwerk voor het hoogaltaar. Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel schitterde vanaf die dag op haar glimmende troon.
Het ultieme hoogtepunt van deze glorietijd van Scherpenheuvel kwam er op 25 augustus 1872, toen kardinaal Deschamps, in opdracht van paus Pius IX het genadebeeld mocht kronen. Maar daarover zal Katrin Van Kerkhoven straks meer vertellen. Want zij was er persoonlijk bij, en informatie uit eerste hand is toch altijd beter dan verhalen die misschien uit de duim gezogen zijn. Zeg nu zelf.






Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (13)

* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

maandag 20 februari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (11)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Trees - 15 augustus 1765

Deel 3 - Het interview

Veel tijd om zich om haar huishouden te bekommeren heeft Trees Polaster niet. Gezien haar populariteit als vroedvrouw, is zij veel te vaak buitenshuis. Ze lokt daarmee eindeloos veel commentaren uit, maar het feit dat het molenhuis, waar zij en haar gezin wonen, buiten de vesten staat, zorgt ervoor dat het overgrote merendeel van de kritiek haar nooit ter ore komt. Het zijn vooral haar kinderen, die in het schooltje van pater Isidorus in de klas zitten, die het dagelijks te verduren krijgen. Ook Frakke werd vroeger al wel eens uitgelachen door zijn klanten. Tot hij op een dag een boer van het Zichems veld met zijn klikken en klakken van de molentrap stampte, en hem achterna riep dat hij voortaan zijn graan maar in Waanrode of Westerlo moest laten malen. Het was rap gedaan met de opmerkingen. Ge ziet wel, uiteindelijk geraken de mensen aan alles gewoon.

Het molenhuis is twee keer zo groot als het gebouw waar in mijn tijd de taverne gehuisvest is. Een stevige, stenen constructie met witte muren, degelijke ramen met eikenhouten vensterluiken, en een robuuste voordeur, die open staat. De hoge, brede schouw op het leien dak verraadt de aanwezigheid van een grote open haard. Er is enkel een gelijkvloers. De eerste verdieping zal er later aan toegevoegd worden. De voorkant van het huis is naar het noorden gericht, en biedt zicht op Zichem. De achterkant staat vlak naast de stadsgracht. Ik zou hier voor geen geld van de wereld willen wonen.
Eigenlijk biedt het ambt van Trees haar ook de mogelijkheid op gratis huisvesting binnen de stadmuren. Ik ben benieuwd waarom zij daar geen gebruik van maakt. Er zijn nog een hele hoop andere dingen die mij intrigeren. Ik heb ze allemaal in mijn lijst van vragen verwerkt.
Het erf van het molenhuis is bezaaid met een ongelooflijk samenraapsel aan voorwerpen. De meeste ervan zijn duidelijk aan herstelling of afdanking toe. Of vergis ik mij? Het lijkt wel alsof hier een verzamelaar van oude brol aan het werk is. Zou het kunnen dat Frakke Veugelen, tijdens de afwezigheid van zijn Trees, zijn erf opvult met verloren voorwerpen? Het zou niet de eerste keer zijn dat iemand aan verzamelzucht lijdt, maar hier in de 18e eeuw val ik toch enigszins uit de lucht. Twee oude karren waarvan de wielen en andere onderdelen gedemonteerd zijn en verspreid liggen op de grond, enkele kapotte kruiwagens, stapels planken en ijzeren pinnen, zelfs afgedankte klompen. Ze liggen allemaal verstrooid rond het huis. Daartussen spelen de kinderen, die naar hier gekomen zijn toen ze hun moeder zagen arriveren.
Karlien, die duidelijk de oudste dochter is en het huishouden bereddert wanneer Trees op pad is, jaagt de kleinste kinderen bijeen, om hen buiten te houden, zoals moeder gevraagd heeft. Ze is een jaar of 16 en lijkt sprekend op Trees. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat dat kind klaar is voor haar eigen gezin. Vraag is wie haar ten huwelijk zou durven vragen, gezien de fors waarmee de molenaar haar aanbidders telkens opnieuw de deur wijst. Hij weet ook wel dat hij zijn kroost niet kan beteugelen zonder Karlien. Het zal zeker nog een jaar of twee duren voor Fien groot genoeg is om de leiding van het nest helemaal alleen op zich te kunnen nemen. En tussen die twee meisjes in zitten er alleen jongens, aan wie ge nu toch het huishouden niet kunt overlaten.

Trees en ik betreden het molenhuis. Hier is van de chaos op het erf niets te merken. Dit is klaar en duidelijk het domein van vrouwen. Fien heeft soep opgewarmd, die in kommen op de tafel staat. Het is veel te warm voor soep, maar omdat ik honger heb, en het lekker ruikt, schuif ik toch mee aan tafel. Voor ze gaat zitten, trekt Trees onbeschaamd haar bebloede bloes uit. Ze gebruikt het vuile kledingstuk om haar natte oksels droog te wrijven. Ik besef niet dat ik met open mond naar haar grote, plompe borsten zit te staren. Wanneer ze haar vlechten losmaakt en haar lange, rode haar losschudt, moet ik meteen denken aan Venus in de spiegel van Ruebens. Met haar vingers gaat ze door haar samengeklitte lokken. Karlien reikt haar een sjaal aan, die ze gebruikt om haar witte vlees te bedekken. Ze bindt hem rond zich, zodanig dat haar schouders bloot blijven. Net zoals op de bank bij de kerk, trekt ze haar oranje rok op tot boven haar knieën.
Het brood is zo vers dat het dampt wanneer Trees het openbreekt. We slurpen allebei gretig van de heerlijke soep. Wanneer mijn kom leeg is, stel ik mijn eerste vraag.

Hoe oud waart ge, Trees, toen ge wist dat ge vroedvrouw wilde worden?

Wilde? Maar meiske toch, dat was geen kwestie van willen. Ik ben daar ingevallen van toen ik klein was. Ons moeder heeft veertien kinderen gekregen en als oudste van den hoop kunt ge wel denken dat ik van bij mijn vroegste herinnering bij die geboortes moest helpen. Hebt gij dat nooit moeten doen met uw moeder misschien? Of zijt ge de jongste? In ieder geval, voor mij was dat de normaalste zaak van de wereld. En ik bleek dat nog goe te kunnen ook.

Maar er is toch nog een verschil tussen iets goed kunnen en er dan ook nog eens uw beroep van maken.

Da kan. Maar ik heb daar ni moeten over peinzen. Da kwam gewoon vanzelves. Behalve toen ze kwamen vragen of ik voor ’t stad wilde werken. Da was iets anders. Onze Frakke heeft toen toch efkes op zijn tanden moeten bijten. Maar toen hij hoorde dat we geen taks moesten betalen op het geld dat ik verdien, toen was hij direct akkoord. Ge moet weten dat ik ni alleen 15 gulden per maand krijg voor mijn werk, ik mag de mensen ook nog eens 25 stuivers vragen voor elke bevalling. Ni dat iedereen dat kan betalen. Gelooft me vrij. Er zijn mensen die gene stuiver op hun ziel hebben. Maar die kweken net gelijk de ander, zenne. Nog meer zelfs. Awel, die mensen moeten ni betalen. Die hun kinderen help ik voorniet ter wereld. Komen doen ze toch, in de meeste gevallen, of ik daar nu bij ben of niet.

En het huis waar jullie gratis mogen wonen, waarom maakt ge daar geen gebruik van?

Ziet ge mij al met mijn klein mannen in zo’n klein huizeke gaan wonen. Ge zijt ni goe bij uw verstand, zeker, gij. En hebt gij hier al eens goe op het erf gekeken? Onze Frakke zou met zijn brol gene weg weten. Ja, misschien zou hij dat allemaal ni mee naar huis brengen, da’s waar, gewoon omdat er geen plek is om het te zetten, maar God weet zou hij het binnen dan vol steken.
(Ze kijkt naar Fien en begint luidop te lachen.)
Het is nen halve zot, mijne Frakke. Maar ik was er twintig jaar geleden stapelverliefd op, en er is sindsdien in feite nog niks veranderd. Van mij mag hij alles bijhouden, als hij daar gelukkig mee is. Maar binnen in mijn kot moet hij het ni zetten. Daar zou ik turrelut van worden. Het is al erg genoeg tijdens de bevallingen. Ge kunt u ni inbeelden wat de mensen allemaal binnen zetten. Soms moet ik een kind ter wereld helpen in de stal, omdat er in huis geen plek is voor alle geburen. Want ja, die moeten daar altijd bij zijn. Ge hebt het daarnet toch gezien bij Nette van Marie. Het is precies elke keer alsof het kinneke Jezus wordt geboren. En liefst van al willen de mensen dat er spektakel is. Awel, gelijk het vandaag was. Veel afzien en bloed. Dan hebben ze weer twee dagen iets om over te klappen. Als ’t zo lang meegaat, want de mensen vergeten alles rap.

[[In het deurgat verschijnt plots een bekend gezicht. De kleine Jef heeft weer tranen in zijn ogen. Hij zuigt op zijn duim en kijkt met trieste blik naar zijn moeder. Ze wenkt hem, en hij komt traag naar de tafel toe gestapt. Geen enkele seconde wendt hij zijn blik af van mij. Trees trekt hem op haar schoot, en ik zie meteen waarvoor hij gekomen is. Hij heft de sjaal op, grijpt haar linkerborst met twee handen vast en neemt haar gezwollen tepel gretig in zijn mond. Hij kijkt nog steeds naar mij.]]

Ge moet ni zo verbabbereerd kijken. Ik blijf die kleine de tet geven, omdat ik dan ni in verwachting geraak. Da werkt ni voor iedereen, maar voor mij precies wel. Onze Frakke van mijn lijf houden, da gaat toch ni. Ik zou het ni willen ook ni, want de mens heeft er zijn plezier aan. Maar ge moet wel oppassen van da ni verder te vertellen, want van de pastoor zouden wij moeten kweken gelijk konijnen. Hij zou het zelf eens moeten proberen, van zoveel kinderen moeten eten te geven. Ge moet goe zot zijn van er altijd maar meer te willen. Op nen dag moet da gewoon stoppen.

Hebt ge schrik van de pastoor dan?

Schrik? Ikke? Aha, die dag moet nog komen, zenne. Nee, ik heb gene schrik van de pastoor. En van Onze Lievenheer al even min. Als ge zoveel levens door uw handen krijgt, en gezegend zijt gelijk als ik, dan moet ge toch van niks schrik hebben.

[[Ik besluit mij van de domme te houden.]]

Wat bedoelt ge met gezegend?

Awel, dat zoveel vrouwen die ik verlos in leven blijven. En de kinderen ook. De andere vroedvrouwen zijn daar jaloers op. Vindt gij dat normaal dan misschien? Ge gaat me toch niet vertellen dat waar gij vandaan komt, er geen vrouwen sterven in ’t kinderbed.

Euh…

Zeg het maar, zenne. Ik zie op uw gezicht dat er iets op uwe lever ligt. Watte? Wilt ge zeggen dat Ons Liefvrouwke daar niet mee gemoeid is misschien? Ge zoudt op den duur nog hetzelfde zeggen als wat er in die boeken staat die onze Frakke altijd zit te lezen. Als ’t jaarmarkt is, komt er hier altijd ne vent van Leuven binnen. Die brengt ze mee. Meneer pastoor is daar nochtans tegen, tegen wat er in die boeken geschreven staat. Ge vraagt u op den duur af waar de pastoor ni tegen is. Hij zou begot alles verbieden, als ge hem liet doen.

[[Ondanks het feit dat er in Scherpenheuvel een hoog aantal geletterden zijn – van de dertig herbergiers zijn er maar twee die niet kunnen lezen of schrijven – laat de algemene ontwikkeling van de bevolking hier veel te wensen over. Dit heeft in eerste instantie te maken met de censuur van de kerk, en het onvermijdelijk tekort aan lectuur dat daarvan het gevolg is. Om ervoor te zorgen dat de mensen in hun denken niet te ver afdwalen van de kerk, zet de pastoor het stadbestuur continu onder druk om de invoer van boeken te beperken of zelfs helemaal tegen te houden.]]

Welke boeken bedoelt ge, Trees?

Da weet ik ni tegoei, zenne. Da zoudt ge aan onze Frakke moeten vragen. Hij zegt da ge niet altijd moet denken dat Onze Lievenheer het zo goed voor heeft met ons. Soms zegt hij dat Hij ni bestaat. En da mirakelen ni echt zijn. Ik heb de indruk da gij er ook zo over peinst.

Ik denk dat het mirakel van u komt. Dat gij het zelf zijt die de kinderen en de moeders in leven houdt. Wilt ge weten waarom ik dat denk? Want ik kan daar nen uitleg aan geven. Ge moet hem alleen willen geloven.

[[Trees trekt kleine Jef los van haar borst. Het baasje protesteert even, maar merkt meteen dat het zijn moeder menens is. Met een punt van haar sjaal veegt ze zijn mond en snotneus af. Hij laat zich van haar warme schoot glijden tot op de grond. Daarna stuurt Trees ook haar twee dochters het huis uit.
Ik heb al spijt van mijn vraag. Met mijn uitleg ga ik de wereld van deze vrouw misschien op zijn kop zetten. Haar het gras van onder de voeten maaien. Maar ik zie aan de blik in haar ogen dat er geen weg terug is. Trees bindt de grijze sjaal opnieuw stevig rond haar borsten, pakt haar loshangende haarbos met twee handen bij elkaar, en draait hem in één vloeiende beweging in een dot. Ik zie zweetparels verschijnen op haar voorhoofd en bovenlip. Ik krijg het er zelf warm van.]]

Als ge me gaat vertellen da het iet met het water van de put te maken heeft, moogt ge uzelf de moeite besparen. Want da weet ik al.

Het heeft inderdaad iets met het water van de put te maken, Trees, en met het feit dat ge slim genoeg zijt om er uw handen in te wassen. Ge zijt daarmee uw tijd ver vooruit, want het gaat nog bijna honderd jaar duren vooraleer een dokter op het gedacht komt dat propere handen tijdens een bevalling levens kunnen redden. Er zitten bacteriën op onze vuile handen. Dat zijn beestjes die zo klein zijn dat ge ze niet kunt zien. Die beestjes kunnen ons ziek maken. En zeker pasgeboren kinderen en hun moeders.

(Trees kijkt naar haar handen. Er zit geronnen bloed van Nette onder haar nagels.)

Gij zijt zot, gij. Hoe kan er nu iets zo klein zijn dat ge het niet kunt zien?

Er zijn zoveel dingen die ge niet kunt zien, Trees, en toch bestaan ze. Mogen uw kinderen in de gracht spelen, hier achter het huis?

Nee, zenne. Daar moeten ze wegblijven.

Waarom?

Omdat ze daar buikloop van krijgen. Zo is onze Lowie gestorven. Da menneke was nog geen vier jaar.

Ziet ge wel. In dat water zitten ook bacteriën. Die hebben Lowie ziek gemaakt. En daarom is hij gestorven.

[[Trees kijkt opnieuw naar haar handen. Ik zie hoe zij in gedachten enkele verbanden legt, want dom is ze allerminst.]]

Waarom staat die kerk hier dan?

Ik denk dat die kerk hier staat om de mensen hoop te geven.

Om ze te bedriegen, wilt ge zeggen. Om ze te doen zwijgen. Dat die pastoors ongehinderd hun gang kunnen gaan. De mensen ocharme doen geloven dat ze naar de hel gaan, terwijl er misschien ook geneens een hel bestaat. Awel, meiske, ik weet niet door wie da gij groot gebracht zijt, maar zoiets kan ik moeilijk geloven. Da zou nu toch straf zijn. Weet gij hoe lang die kerk hier al staat? En wat Ons Liefvrouwke hier al allemaal gedaan heeft voor de mensen? Dan durft gij hier komen vertellen da al die verhalen allemaal gelogen zijn. Terwijl ik goe weet dat Zij er met da water voor iets tussen zit.

[[Ik voel dat het gesprek op zijn einde loopt, en vermoed dat het niet lang meer zal duren voor Trees me buiten smijt. Daarom gooi ik het snel over een andere boeg.]]

Ge moet niet geloven wat ik zeg. Maar ge moet me wel iets beloven, Trees. Dat ge vanaf nu altijd uw handen goed wast tot ze helemaal proper zijn, en ervoor zorgt dat er geen vuil onder uw nagels zit. Ge gaat zien dat er nog veel minder kinderen en moeders zullen sterven.

Ik beloof niks aan niemand. Zeker ni aan een wildvreemde die hier in mijn eigen huis leugens komt vertellen. Maakt da ge weg zijt.

---

Terwijl buiten de processie door de straten van Scherpenheuvel trekt, ga ik de kerk binnen. De centrale rotonde ligt er zo goed als verlaten bij. De nis, van waaruit het genadebeeld van Maria dag in dag uit neerkijkt op de menigte, is leeg. Het beeldje wordt door pastoor Day rondgedragen door de stad.
Ik kijk naar het prachtige schilderij van Theodoor Van Loon dat boven het hoogaltaar hangt. De Tenhemelopneming van Maria. Zij is de Gezegende onder alle moeders. Hier op het schilderij lijkt Ze een jonge vrouw die nooit een dag verdriet heeft gekend, die nooit Haar zoon heeft verloren, die alleen maar in volle genade heeft geleefd. Wat natuurlijk je reinste onzin is. Want als Zij een echte vrouw was, van vlees en bloed, moest Zij wel getekend zijn door haar verschrikkelijke lijden. De geboorte en de dood, het geluk en het verdriet. Ze zijn in deze kerk onlosmakelijk met elkaar gebonden. In haar geschiedenis, maar ook in elke steen, in elke borstelstrook.
Opnieuw denk ik aan het gezicht van Venus in de spiegel. Zorgeloos, goddelijk, volmaakt in haar voluptueuze schoonheid. Zo is Trees helemaal niet. Ik heb mij grandioos vergist. Trees is diep getekend door haar persoonlijke verlies, en door elk leven dat genadeloos en onherroepelijk door haar vingers glipte.
Op zoek naar antwoorden, naar bevatting, ga ik naar de middelste zijkapel aan de epistelkant van de kerk. Hier hangt het schilderij dat het andere uiteinde van het leven van Maria verbeeldt: haar geboorte. Vrolijke engelen dartelen en tuimelen bovenaan, twee diensters plooien op de achtergrond enkele lakens op, terwijl twee andere vertederd neerkijken op de pasgeboren baby, die al verrassend rechtop zit. Rechts achterin ligt Anna, de moeder van Maria, die na de bevalling in een diepe slaap is gevallen. Haar man Joachim buigt zich bezorgd over haar heen en kijk teder naar zijn slapende vrouw.
Maar er is nog iemand op het schilderij. Iemand die alle aandacht naar zich toe trekt, omdat alle zorgen van de wereld af te lezen zijn op haar gezicht. Centraal op het doek, en zonder twijfel als meest indrukwekkende personage in dit tafereel, zit de vroedvrouw op een stoel. Haar bezorgde en tegelijk opgeluchte blik staat op oneindig. Zij was het die Onze-Lieve-Vrouw in de wereld bracht, die Haar voor het eerst aanraakte, en die Haar nu met haar tedere handen ondersteunt terwijl ze Haar in een doek wikkelt. Hier, in het midden van het schilderij van Theodoor Van Loon, zit Trees Polaster in al haar glorie. Diepe groeven op haar voorhoofd, haar weelderige boezem strak in een bruin topje geregen, met haar lange, oranje rok dit keer zedig over haar knieën en benen, en haar sjaal over haar hoofd gedrapeerd. Ze is ouder geworden, maar ik herken haar moeiteloos.

Voortaan zal Trees van Frakke Vogeleir haar handen grondig wassen vóór elke bevalling. Daar twijfel ik niet aan. De Heilige Maagd Maria zal in Scherpenheuvel en verre omstreken uitbundig geprezen worden om haar bescherming en zegening van moeders en hun pasgeboren kinderen, die ter wereld komen met de hulp van de plaatselijke vroedvrouw.

Wanneer ik terug op straat sta, kijk ik voor de laatste keer naar mijn stad in haar barokke gedaante. In de grotere steden van de Oostenrijkse Nederlanden is de transformatie al te merken, maar hier heeft de tijd nog even stil gestaan. De volgende keer wanneer ik op bezoek kom, zal er veel veranderd zijn. De kerk krijgt binnenkort een ferme slag van de molen, maar helemaal gewonnen zal ze zich niet geven. Op geen enkel moment.






Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (12)

* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

vrijdag 17 februari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (10)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Trees – 15 augustus 1765

Deel 2

Fien is twaalf. Ze loopt naast me en stelt zonder enige schroom de meest gekke vragen. Ze lijkt wel een klein kind en een volwassen vrouw tegelijk. Haar gebrek aan verwondering over mijn antwoorden verbaast mij. Het enige dat ze niet begrijpt, is waarom ik zo ver van huis op reis wil gaan.
‘Ik ben helemaal niet ver van huis,’ zeg ik naar waarheid. ‘Ik woon in Scherpenheuvel.’
‘Da kan nooit waar zijn,’ antwoordt ze krachtig. ‘Ik ben met ons moe al zo goed als in elk huis geweest, en ik ken alle boeren van de streek, en u heb ik hier nog nooit ieverans gezien. Gij zijt een vreemde.’
‘Hoe komt het dan,’ stel ik haar de vraag in dialect, ‘dat ik kan klappen gelijk gij? Waar zou ik da geleerd hebben, behalve hier?’
‘Da wilt niks zeggen. Voor mij zijt ge een vreemde. Maar dat maakt niks uit, zenne. Ge moogt zijn wie da ge wilt. Ik zal u naar ons moe brengen.’
We schieten allebei in de lach.

Vandaag is Scherpenheuvel in feeststemming. Het is Maria Terhemelopneming. Voor de boeren is het Halfoogst, en beide gelegenheden worden uitbundig gevierd. We wandelen langs de grachten, aan de buitenrand van de stad. De palissaden, die de achtertuinen van de huizen binnen de stadsmuren verbergen, zijn versierd met bloemen. In de aanloop naar deze feestdag hebben meisjes en vrouwen, na hun dagelijks werk op het veld, uitgebreid de tijd genomen om grote boeketten wilde bloemen te plukken. Duizendblad, kamille, madeliefjes, korenbloemen, vingerhoedskruid, zelfs distels en dovenetels hebben ze mooi samengebonden tot bundeltjes. Ik zal straks, in en rond de kerk, nog prachtige voorbeelden zien van hun creativiteit. Tijdens de Mariaprocessie die later vandaag uitgaat, zullen al deze bloemen gezegend worden. De gezegende boeketten worden daarna aan de gevels, vensters en deuren van de huizen gehangen, om het kwaad buiten te houden. Nu lijkt het wel alsof de hele stad in een explosie van kleuren is uitgebarsten.
De geur van de bloemen dringt helaas niet tot mij door. De gracht, die bij deze warme temperaturen een eigen gistend leven lijkt te leiden, krioelt van de vliegen, het ongedierte en de viezigheid. Ik zie af en toe een rat wegspringen. Ook een kattenkadaver en een hoop andere vuiligheid, die ik niet van naderbij wil bekijken, drijven rond in het stinkende water. Fien lijkt er geen last van te hebben, terwijl mijn maag meermaals keert alvorens we de Leuvense poort bereiken.

‘Vieren jullie dan geen Halfoogst?’ vraag ik, omdat het beeld van de molenaar mij plots weer te binnen schiet. Gezien de hoeveelheid bloem op zijn kleren moet hij toch aan het werk geweest zijn.
‘Onze va weet van geen ophouden. Als er wind staat, zegt hij altijd, wil Onze Lievenheer dat ik werk. Hij heeft daar al veel ambras over gehad met meneer pastoor. Die komt ’s zondags regelmatig ruzie maken omdat vader zijn molen niet stillegt. Maar dan jaagt onze va hem gewoon van ’t geleeg af. Pastoor of gene pastoor.’

Leopold Day, huidige proost van het Oratorium, heeft het, naast het hoeden van de schapen die van heinde en verre naar zijn bedevaartsoord komen, ook tot zijn taak gemaakt om de inwoners van Scherpenheuvel op het rechte pad te houden. Geen simpele opdracht, wanneer ge bedenkt dat de herbergiers al even graag bier schenken aan de plaatselijke bevolking als aan de pelgrims. Liever zelfs, omdat zij terugkerende klanten zijn.
Als een bezetene staat Day in de week en op zondagnamiddag voor de deur van etablissementen als Den Engel, Den Ram en Den Rooden Leeuw te preken en zaniken dat iedereen in de hel zal belanden omdat de duivel ermee gemoeid is.
‘Als ge niet meteen stopt met al die lichtzinnige allures en uw zonden komt opbiechten in de kerk, dan kan ik niet lang meer instaan voor uw zielenheil!’
Binnengaan in de herbergen doet hij gelukkig nooit. De klanten weten daarom dat ze relatief veilig zijn, zolang de deur maar toe blijft. Als ge maar ver genoeg uit de buurt van de vensters zit, maakt ge kans ongezien te blijven. De herbergiers hebben dat bijzonder goed begrepen. Hoe vuiler ze de ramen laten worden, hoe veiliger stellen ze hun lokale klandizie. Zeg nu zelf, ge zoudt toch geen vod meer vastpakken.
Maar het binnen- en buitengaan. Nu daar ligt de gevarenzone. Als ge malchance hebt, staat Day vlak voor de deur wanneer ge in halfdronken toestand naar buiten sukkelt, fel met de ogen knipperend en licht kokhalzend van het verschieten.
‘Ik heb u wel gezien, Tist Vercammen!’ roept de pastoor dan, als het toevallig Tist is die in zijn armen loopt. ‘En ik zal het tegen uw moeder gaan vertellen. Dat menske besterft het van schaamte, te weten dat haar teerbeminde zoon met zijn handen aan de vrouwen zit, en zijn geld verkwanselt aan het gerstenat.‘
Tist laat dan een week zijn gezicht niet meer zien, in de hoop dat zijn zonde, na die ene stevige pandoering van zijn moeder en een verplicht bezoek aan de biechtstoel, weer snel vergeten en vergeven is. Maar lang duurt het niet eer hij weer aan de toog van Den Engel zit, waar de Rosse hem bier serveert alsof hij groot is, en de dochter des huizes met haar kont en ogen draait tot Tist er tureluurs van wordt.

Maar Leopold Day is lang niet de schrik van alle Scherpenheuvelaars. Vrome mensen hebben van hem niets te vrezen. En het zal niet lang meer duren vooraleer hij ook het respect van de anderen wint, wanneer over acht jaar, in 1673 een vijftigtal Franse soldaten het in hun hoofd halen de sauvegarde van Isabella aan hun laars te lappen. Ze vallen de stad binnen en eisen kost en inwoon in de herbergen. Pelgrim noch inwoner blijft gespaard van hun boertige en ongemanierde vrijpostigheden. De baas van De Zwaan zal als enige zijn mond opentrekken, omdat hij een woordje Frans kent, maar het wordt een gesprek dat hem de rest van zijn leven bijblijft. Net zoals zijn rechteroog, waar hij niet meer uit ziet, en zijn rechterarm, die niet fatsoenlijk terug aaneen groeit na de breuken.
Day zal met vuur ten strijde trekken tegen de Franse invasie van zijn stad. Niet alleen om de middenstand te redden, maar ook om de snelle achteruitgang van het aantal bedevaarders tegen te gaan. Hij slaagt uiteindelijk in zijn opzet, en wanneer de soldaten de stad verlaten, een spoor van vuiligheid en vernieling achterlatend, wordt hij op handen gedragen als een held.

De Veldstraat heet in mijn tijd Cobergerstraat, naar de architect. De man verdiende toch enige erkenning, gezien hij anders door de inwoners dreigde vergeten te worden. Maar in 1765 is de Veldstraat nog haar eigen zelve: een steegje van aangestampte aarde aan de noordoostkant van de stad, dat wanneer het hard regent in een modderrivier verandert. In vogelvlucht is het een afstand van 100 meter van de molen tot hier, maar omwille van de vestingmuur is de wandelafstand groter.
De straat is aan beide kanten volgebouwd met huizen en schuren met hooizolders. Het zijn die schuren en dat hooi die ervoor zorgen dat de Veldstraat in de volksmond de rattenhoek wordt genoemd. Grote ladders staan her en der tegen de gevels geleund, en er hangt een geur die het midden houdt tussen akker, koeienmest en versgebakken brood. Gelukkig is hier van de stank van de vesten niets meer te merken.
We stoppen voor een huis. Er staan een aantal vrouwen en kinderen buiten, en de voordeur staat wagenwijd open.
‘Ons moe is hier bij Nette van Marie van Jakke Stalmans,’ zegt Fien, alsof ik daarmee helemaal op de hoogte ben over wie het gaat. ‘Ik ben deze morgen om zeven uur al eens hier geweest, en het kind komt gat eerst.’
Het duurt een seconde of twee voor ik begrijp wat Fien zegt. Een stuitligging. Mijn God, als de bevalling al zoveel uren aan de gang is, dan hou ik mijn hart vast voor zowel moeder als kind. Wanneer we de gang betreden, hoor is het gekrijs. Ik verstijf. Opnieuw weerklinkt er een luide kreet die door merg en been gaat, gevolgd door gejammer van de omstaanders. Fien ziet mijn aarzeling en grijpt me stevig bij de hand.
‘Kom,’ zegt ze, en sleurt me mee.
‘Nee, Fien,’ protesteer ik. Ik trek mijn hand los en ga met mijn rug tegen de muur staan. Ik heb er geen enkele behoefte aan om de vrouw te zien die waarschijnlijk op het punt staat te sterven in het kraambed. Ik kan de reflex niet onderdrukken om te voelen of mijn gsm in mijn zak zit. Kon ik maar een ziekenwagen bellen.
‘Ik kom straks terug,’ kreun ik, en vlucht het huis uit. Ik heb maar één bestemming in gedachte.

Fien brengt haar moeder een uur later naar de bank bij de kerk, waar ik zit te bekomen. Een wandeling door de besloten hof, een kort bezoek aan het graf van Nieke, dat er verwaarloosd en scheefgezakt bijligt, en een blik op het veranderde en toch zo vertrouwde interieur van de kerk hebben mij weer tot mijn positieven gebracht. Ik heb een kaars gebrand voor Nette en haar baby.
Trees is een lijvige vrouw met bolle wangen en vlezige handen. Ze staat nat in ’t zweet, en er hangt bloed op haar bloes en rok. Ze heeft groene, milde ogen en vurig ros haar, dat ze in twee lange vlechten heeft samengebonden. Het contrast is verrassend. Voor mij staat een kerngezonde, barokke schoonheid.
‘Ge moet gene schrik hebben,’ zegt ze nadat ze haar keel heeft geschraapt. ‘Ze leven alle twee nog.’
Ik zucht van opluchting.
‘Maar ’t heeft echt ni veel gescheeld. Als Nette deze avond geen koorts heeft, en morgen iets door haar keel kan wringen, dan zal ’t ergste kwaad achter de rug zijn. Ik denk dat ik nog nooit zoveel moeite heb gehad. Die kleine heeft zijn moeder half opengescheurd om eruit te geraken, de sukkeleir.’
Trees trekt haar rok op tot aan haar knieën en placeert zich wijdbeens naast mij op de bank.
‘Gaan wij dat hier doen, meiske?’ vraagt ze, nadat ze even op adem is gekomen, ‘of zit gij ermee in om mee naar ’t molenhuis te komen, waar er warm soep boven het vuur hangt. Ik zie ze vliegen na zoveel uren labeur. Het werk op zich is niet zo erg, maar al die tetterwijven die daar altijd komen rond staan. Daar wordt een mens algauw zo moe van als iets.’
Zonder op mijn antwoord te wachten, stuurt ze Fien vooruit.
‘Zegt tegen ons Karlien dat ik bezoek meebreng. En zorgt gij dat de kinderen buiten blijven, want anders kan ik met dat meiske hier gene fatsoenlijke klap doen. Hebt ge ’t tegoei begrepen?’
Fien zet het op een lopen.

Trees en ik vatten de wandeling aan, terug naar de molen. Het is meteen duidelijk dat iedereen de vroedvrouw kent. Alle mensen zeggen vriendelijk goeiendag. Ze vertrouwen haar meer dan de lokale dokter, die ook in dienst is van de stad en in het huis naast de pastorie mag wonen, gratis en voor niks. Maar iedereen weet dat hij een charlatan is. Bij Trees zijn ze in goede handen. En dan bedoel ik niet alleen de zwangere vrouwen. Haar medisch advies wordt door jong en oud geapprecieerd. Het feit dat onder haar zorgen minder moeders en kinderen sterven, heeft haar niet alleen in Scherpenheuvel, maar ook in de dorpen en steden in de omtrek een gezegende reputatie opgeleverd. Het gebeurt daarom regelmatig dat er bevallingen zijn in het molenhuis, dat als provisoire kraamkliniek dienst doet, telkens een boer uit Schoonderbuken of Messelbroeck, of zelfs een heer uit Diest, zijn vrouw per kar of ezel naar Scherpenheuvel voert, om zeker te zijn dat hij haar en zijn kleine ’s anderendaags levend terug mee naar huis kan nemen.
‘Het zal wel de tussenkomst zijn van ons Liefvrouwke,’ zeggen de mensen, ‘dat Trees kinderen en vrouwen in leven kan houden.’
Maar in werkelijkheid houdt Trees van Frakke Vogeleir er een bizar ritueel op na, dat ze angstvallig verzwijgt voor iedereen, omdat het haar geheim is. De enige aan wie ze het zal doorvertellen is Fien, omdat dat kind in haar voetsporen wil treden.
Trees passeert op weg naar een bevalling altijd langs de waterput, waar ze de garde elke maand een fooi geeft om voor haar een emmer water klaar te houden. In dat heldere, ijskoude water van de put spoelt ze haar handen af en wast ze haar gezicht. Daarna neemt ze een paar stevige slokken en dan weet ze dat ze klaar is. Hoe dat mirakel van het water precies in zijn werk gaat, begrijpt Trees zelf ook niet, maar dat het marcheert, dat weet ze wel. Niet altijd, maar toch zeven op de tien keer.




Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (11)


* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

zondag 12 februari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (9)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Trees - 15 augustus 1765

Deel 1

De wieken van de molen draaien traag en onverstoorbaar. Ik sta uit het zicht van de spelende kinderen, met mijn rug in de meidoornhaag gedrukt. De doornen prikken in mijn vel, maar ik vind geen andere schuilplaats. De kinderen spelen verstoppertje en de kleinste jongen is aan de beurt om te tellen en zoeken. Hij is hoop en al een jaar of vijf, en heeft ros haar dat glanst in het zonlicht.
‘Onze Jef kan ni tellen,’ hoor ik een van de meisjes protesteren. ‘Hoe kan ‘m dan meedoen?’
‘Gij kunt zelf nog ni tegoei tellen, Fien,’ moppert een ander meisje, die nauwelijks ouder is dan Jef, dezelfde rosse bos haar heeft, maar een grotere mond.
Fien stapt kordaat naar kleine Jef toe, grijpt hem bij de kraag van zijn bruine hemd en trekt hem zonder genade in de richting van de molen. Ze draait hem om en duwt hem naar beneden, tot hij niet anders kan dan gaan zitten op de onderste trede van de houten trap.
‘Blijft gij hier maar zitten, snotneus, tot ge groot genoeg zijt om mee te spelen.’
Jef begint luidop te bleiren, terwijl Fien terugloopt naar de andere kinderen. Ze houdt haar handen voor haar gesloten ogen. De vijf anderen stuiven uiteen. Gelukkig niet in mijn richting. Fien telt zo luid ze kan.
‘Eén, twee, drie, vier, vijf, zeven, acht, negen, tien! Wie niet rap weg is, heb ik gezien!’
Daarna verdwijnt ook zij uit het zicht.
Jef stopt halverwege een snik plots met huilen. Hij heeft mij opgemerkt en staart me aan, als een verschrikte haas in de koplampen van een auto. De laatste dikke tranen rollen over zijn vuile wangetjes, en wanneer hij zijn arm opheft om de snottebel af te vegen die aan het topje van zijn neus bengelt, bedenkt hij zich halverwege, waardoor de druppel op zijn knie valt en langs zijn korte beentje verder naar beneden loopt. Als de bliksem springt hij recht, rent vliegensvlug de hoge trap op naar de molen, en verdwijnt in het donkere deurgat.

Het doet deugd om terug op reis te zijn. Honderd achtendertig jaar geleden woonde ik de inhuldiging van de Onze-Lieve-Vrouwenkerk bij. Ik heb ernaar uitgekeken om Scherpenheuvel in haar nieuwe gedaante te aanschouwen.
Het is een warme zomermiddag. Vijftien augustus. Overal viert men vandaag Halfoogst en Maria-Terhemelopneming. Het is een graad of achtentwintig, schat ik. Ik bevind mij ten noordoosten van de stad, buiten de vesten. Hier staat nu al de houten standerdmolen die later de naam zal geven aan de buurt waar ik woon: Achter de meule. Mijn huis zal in 2005 gebouwd worden op amper 250 meter van de plek waar ik nu sta. Wanneer ik in oostelijke richting kijk, zie ik velden en bossen. In mijn tijd is de molen al bijna een eeuw afgebroken, maar hier lijkt hij nog nieuw.
Ik kom vandaag praten met de vrouw van de molenaar. Trees Polaster is vierendertig jaar, en vroedvrouw in dienst van de stad. Ze krijgt elk jaar 15 gulden loon uit de stadskas en moet daarop geen belastingen betalen. Op tien jaar tijd baarde ze twaalf kinderen, waarvan er acht nog in leven zijn. Het waren haar jongste bengels die ge hier hebt zien verstoppertje spelen toen ik arriveerde. Ge zoudt denken dat er een paar tweelingen tussen haar kroost zitten, maar dan zijt ge mis. Trees en haar molenaar, Franciscus Veugelen, zijn er in 1755 en 1758 in geslaagd om zowel in het begin als op het einde van het jaar een kind te krijgen. Het is dan ook op die manier dat ze haar bijnaam, Trees van Frakke Vogeleir, heeft verworven.

Zowel in Scherpenheuvel als in de Zuidelijke Nederlanden is er veel veranderd sinds mijn laatste bezoek. Na afloop van het Twaalfjarig Bestand ontstond er algemene economische kommer en kwel. Er was werkloosheid, hongersnood, en op vele plaatsen gingen wanhoop en wandaad hand in hand. Ook de scherpe heuvel ontsnapte niet aan de gevolgen van de ellende. Naast rijke pelgrims, die als een magneet werkten op dieven en oplichters, kwamen steeds meer arme stakkers en hulpbehoevenden naar het bedevaartsoord, in de hoop hier, naast godsvruchtige verlichting ook een aalmoes, een warme maaltijd of een droog bed te kunnen vinden.
Het was in die tijd dat er in Brabant plots een hevige opstoot losbrak van de pest. Zelfs Scherpenheuvel bleef niet gespaard. Er vielen op korte tijd vele tientallen slachtoffers. Tijdens de zomer van 1629, twee jaar na de inhuldiging van de kerk, werd er aan de voeten van ons Liefvrouwke collectief gebeden voor verlossing. Terwijl elders de zwarte dood genadeloos zijn gang bleef gaan, kwam de sterfte hier al na een paar maanden tot stilstand. Uit dankbaarheid voor zoveel barmhartigheid, die door kerk en goegemeente werd toegeschreven aan de tussenkomst van Onze-Lieve-Vrouw, werd er dat jaar in november, aan het einde van het bedevaartseizoen, voor de eerste keer een Kaarskensprocessie gehouden. Duizenden mensen overspoelden de heuvel, staken trosjes kaarsen aan, en stonden langs de kant van de weg. Pastoor Boeckaert droeg persoonlijk het genadebeeld, dat voor de gelegenheid uit haar nis naar beneden werd gehaald, door de straten van de stad. Het was een natte, ijskoude zondagnamiddag. De mensen stonden in de modder en de gure wind te bibberen van godsvrees en opluchting omdat hen het noodlot gespaard was gebleven.

De overrompeling en algemene sfeer van wanorde, die ontstond ten gevolge van de invasie van behoeftigen, armen, woekeraars en afzetters, leidde tot een snelle teloorgang van de stedelijke discipline in Scherpenheuvel. Zelfs de herbergiers begonnen stilaan de bouwvoorschriften en reglementen aan hun laars te lappen, in de hoop toch zoveel mogelijk geld te verdienen op de kap van de gegoede bedevaarders, die toch ook bleven toestromen.
Na de dood van landvoogdes Isabella in 1633, greep pastoor Boeckaert de kans om zich tot koning Filips IV te wenden, en de ordonnanties, die de Infante enkele jaren eerder had laten uitvaardigen betreffende de bouwregels van de bedevaartplaats, te laten bekrachtigen. Het schepencollege en de burgemeester van Scherpenheuvel werden door die bekrachtiging gedwongen om zeer streng te waken over het zevenpuntige stadsplan, en elke overtreder te straffen of te onteigenen. Dit zinde de burgemeester niet, en op die manier ontstonden er voor het eerst spanningen tussen de kerkelijk en wereldlijke overheden.
Waar het stadsbestuur en de handelaars wel blij mee waren, was de sauvegarde die Isabella had bekomen ten voordele van haar geliefde Scherpenheuvel. Daarin stond dat geen enkel garnizoen ooit mocht gekazerneerd worden binnen de vesten van de stad. Soldaten mochten proviand noch onderdak eisen van de inwoners of herbergiers. Een kleine genade, die de inwoners gedurende vele decennia de ellende zal besparen die de omliggende steden en dorpen zieltogend moesten ondergaan.

Elders in de Nederlanden waren er ook grote veranderingen op til. De macht van Spanje in Europa taande, en zowel Frankrijk als Oostenrijk stonden klaar om de heerschappij over te nemen. De Franse koning, Lodewijk XIII, sloot een verbond met de Verenigde Provinciën in het noorden, maar Ferdinand van Spanje, broer van Filips IV en, sinds de dood van zijn tante Isabella, landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, hield resoluut voet bij stuk en koos ervoor de Franse koning niet te volgen in zijn erkenning van de protestantse staat. Ferdinand weigerde bovendien de Zuidelijke Nederlanden uit te roepen tot onafhankelijke bufferstaat tussen noord en zuid.
Maar de Franse erkenning van de noordelijke republiek was de aanzet tot een Europese omwenteling die al snel niet meer te stuiten bleek. Uiteindelijk zwichtte Filips IV onder de onaflatende druk en tekende op 30 januari 1648 de Vrede van Munster, waarin hij de Verenigde Provinciën uiteindelijk toch erkende als autonome staat. Willem van Oranje haalde op die dag postuum de overwinning op zijn aartsvijand Filips II. De Vrede van Munster luidde het einde in van de Tachtigjarige Oorlog.
Er mocht dan wel een einde zijn aan de strijd tussen katholieken en protestanten, er brak helaas een periode aan van zwaar economisch en zedelijk verval. De nieuwe Franse koning, Lodewijk XIV, was bovendien op het oorlogspad. Een veroveraar met grootheidswaanzin, ge kunt u al voorstellen wat zo iemand kan aanrichten onder de gewone mensen.
Toen na de dood van Filips IV zijn zwakzinnige zoon Karel II de Spaanse troon besteeg, bleek het al snel zo goed als onmogelijk om blijvend het hoofd te bieden aan de veroverzucht van de Franse koning. Karel II bleef kinderloos, en dit gaf, na zijn dood in 1700 aanleiding tot de Spaanse Successieoorlog. Met Karel II was namelijk de bloedlijn van de Spaanse Habsburgers uitgestorven. Dit gooide de Spaanse troon te grabbel voor iedereen die er meende aanspraak op te maken. Nochtans had Karel in zijn testament de kleinzoon van de Franse koning aangeduid als zijn opvolger. Maar de bekrachtiging van dat testament liet op zich wachten tot 1713, toen in de Vrede van Utrecht een reeks verdragen werden afgesloten die een aantal eigendomskwesties voor eens en altijd beslechtten. Voor de Zuidelijke Nederlanden bleven de gevolgen niet uit. Zij stonden voortaan onder de heerschappij van de Oostenrijkse Habsburgers.

Tijdens de Successieoorlog was er, ondanks alle geweldplegingen, weinig veranderd in Scherpenheuvel. De stad bleef, dankzij de sauvegarde van Isabella, gespaard van brutaliteiten. Joost Boeckaert die tot 1642 proost was van het Oratorium en pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, en daarna aangesteld werd tot bisschop van Ieper, was er vlak voor zijn dood nog in geslaagd Filips IV te dwingen tot het uitbetalen van een aantal beloofde grote bedragen, die werden aangewend tot het verfraaien van de kerk en haar omgeving. In de zijkapellen hingen intussen al de schilderijen van meester Theodoor Van Loon, die op zes grote doeken het leven van Maria vertellen. Ook boven het hoogaltaar was zijn meesterwerk De Terhemelopneming van Maria al opgehangen. Boven het hoogaltaar waren ook de stenen boom en twee beelden geplaatst die er vandaag nog staan. Maar nu was er eindelijk geld om een aantal hoognodige verbeteringen en aanvullingen uit te voeren. De Oratorioanen richtten in 1656, een jaar na de ontvangst van de eerste schijf van 40.351 gulden, een Latijns college op voor humaniorastudenten. Het gebouw werd door de eeuwen heen doorlopend als school gebruikt, en doet in mijn tijd dienst als onthaalcentrum voor pelgrims en bezoekers allerhande. De lindebomen, die in de Hortus Conclusus rond de kerk waren geplant in de jaren na de inhuldiging, hadden intussen hun beste tijd gehad. Na anderhalve eeuw werden ze omgehakt en vervangen door dennenbomen. In de volksmond werd het park al snel den dennenboom genoemd, een naam die zijn oorsprong vond in 1668, en tot de dag van vandaag nog steeds in gebruik is. Tien jaar later werd eindelijk de kloostergang voltooid die een rechtstreekse verbinding vormde tussen de kerk en het Oratorium.
Intussen hadden de Oratorianen ook een waterput laten graven aan de zuidkant van de besloten hof. De put was 62 meter diep, gemetst in baksteen en toegankelijk voor de inwoners van de stad. Ze moesten soms urenlang aanschuiven om hun voorraad water in te doen, en sommigen zagen zich genoodzaakt meerdere keren per dag terug te komen. Vooral de herbergiers.
Naast de vrees voor een uitbraak van de pest was brandgevaar een van de grootste bekommernissen van het stadsbestuur. Omdat de meeste huizen nog steeds waren opgetrokken uit leem of hout, en afgedekt met een strooien dak, was dat gevaar uiteraard zeer reëel. Veel heeft dat niet nodig, zo’n dak, dat kunt ge u toch wel inbeelden. Een kleine genster of vonk, en alles gaat genadeloos in vlammen op. En niet alleen de lemen huizen vormden een gevaar voor de stad. Het Gulden Vlies, eigendom van de Oratorianen, was helemaal opgetrokken in bakstenen en afgedekt met een leien dak. Toch brandde ook dat in de zomer van 1651 helemaal af.
Het stadsbestuur vaardigde een ordonnantie uit die stelde dat elke inwoner een ladder en twee emmers water moest klaarzetten. Deze regel niet volgen kon zware boetes opleveren. Ook werd twee maal per jaar de schouw gecontroleerd door het stadspersoneel, om er voor te zorgen dat ze proper was en geen brand kon veroorzaken door oververhitting of aangekoekte roet.

Na de Vrede van Utrecht nam keizer Karel VI van Oostenrijk bezit van de Zuidelijke Nederlanden. Het zaadje van een onafhankelijke staat, dat door Lodewijk XIV was geplant, begon stilaan te ontkiemen in de gedachten van mensen. Er volgde een lange periode van economische voorspoed en eindelijk brak de tijd aan van herstel en opbloei.
Bij de aanvang van de Oostenrijkse periode, in het begin van de 18e eeuw, telde Scherpenheuvel een duizendtal inwoners. Maar jaarlijks kreeg de stad tienduizenden pelgrims over zich heen. Er was een wildgroei van kramen en opdringerige handelaars. Van een serene sfeer rond de kerk en in de straten was al lang geen sprake meer. De Oratorianen zaten met de handen in het haar. Hoe moesten ze de kalmte herstellen? Met de moed der wanhoop richtten zij zich tot het Hof van Brabant en later tot de regering die een vonnis bekrachtigde dat zei dat er op de weg voor de kerk nooit of te nimmer nog handel mocht worden gedreven. Vrouwen en kinderen die de weg versperden voor de verkoop van kaarsen, koeken, tabak en andere goederen, werden voortaan met aandrang geëscorteerd tot buiten de begrenzing van de besloten hof.
Naarmate het aantal bezoekers toenam, bleef ook de handelskoorts stijgen. Algauw maakten de Oratorianen zich zorgen over de slechte staat van de straten. Ook het stadsbestuur deelde deze bezorgdheid en diende een verzoekschrift in bij de overheid om de gewone belastingen aan te wenden om herstellingswerken uit te voeren. Het verzoek werd geweigerd, maar uiteindelijk konden ze toch bekomen dat er weggeld mocht worden gevraagd. Er werden barrières opgericht aan de Leuvense, Diestse en Zichemse poort. De proost van het Oratorium beheerde de inkomsten, samen met de administrator van de stad. Op die manier konden beide autoriteiten de herstellingswerken overzien. Maar ge kunt het wel raden, zeker? Het duurde niet lang voor er ambras van kwam, en twintig jaar na het oprichten van de barrières, werden de tolbomen alweer afgebroken. Met als gevolg dat er vijfendertig jaar lang niet meer aan de wegen van Scherpenheuvel werd gewerkt. Intussen was men begonnen met de ontbossing van het Hageland, en de karren die de duizenden boomstammen vervoerden, passeerden allemaal door Scherpenheuvel. De schade aan de wegen was aanzienlijk.

Na de dood van keizer Karel VI kwam zijn dochter Maria-Theresia aan de macht. Zij was een verbeten heerser, en veel minder mild dan haar vader. Haar relatie met Frankrijk liet enorm te wensen over, en het duurde niet lang of ze had de Franse koning tegen zich in het harnas gejaagd. In juni 1744 vielen Franse soldaten het graafschap Vlaanderen aan, en dit zorgde voor het eerst in meer dan dertig jaar voor een gewapend conflict dat vier jaar duurde.
Scherpenheuvel viel opnieuw buiten de gevechtzone, dankzij de sauvegarde van Isabella. De stad moest de troepen niet voorzien van bevoorrading of huisvesting, maar kreeg wel een zware taxatie opgelegd op haar bezittingen. De proost van het Oratorium deed er alles aan om onder die belasting uit te komen, gezien de schat aan eigendommen die de kerk intussen rijk was, en hij stuurde een verzoekschrift aan de bezetters. Zijn verzoek bleef echter zonder gehoor.
Tijdens de Franse bezetting van het graafschap Vlaanderen, werd de Scherpenheuvelse burgemeester voor 43 dagen opgesloten in de gevangenis in Leuven, en pas na betaling van een hoge som losgeld vrijgelaten. Tijdens de zomer van 1747 hield een legerkorps van duizend Franse soldaten lelijk huis tussen Scherpenheuvel en Zichem. Vier dagen lang plunderden zij de velden, en roofden het land van alle zomervruchten, haver en gerst.
Trees zal mij daar vandaag in geuren en kleuren over vertellen. Zij was die zomer zestien jaar geworden, en had met haar beste vriendin, Martha Veugelen, afgesproken om halverwege de holle weg naar Zichem, in de kant, rijpe braambessen gaan te plukken. Trees vond Martha maar een onnozel wicht, maar omdat ze een oogje had op haar grote broer Frakke, nam ze haar af en toe mee op sleeptouw. De twee meisjes waren ter nauwer nood aan de hitsige soldaten ontsnapt. Trees had tijdens het lopen de stinkende adem van een van hen in haar nek gevoeld. Gelukkig had hij zoveel brandewijn gedronken dat hij haar niet kon inhalen. Ook Martha was ontsnapt. Trees zou nooit meer met een gerust hart die weg van Scherpenheuvel naar Zichem opwandelen, zelfs niet toen ze al een volwassen vrouw was met een grote dosis gezond verstand.

Wanneer alle kinderen terug bij de molen zijn, en iedereen uitgelaten staat te hijgen en te lachen, besluit ik om mijn aanwezigheid kenbaar te maken. Net op het moment dat ik enkele stappen voorwaarts neem, verschijnt in de deuropening van de molen een grote, potige man, met een glimmend gezicht en schuppen van handen, waarmee hij zijn kleren afklopt. Heel even verdwijnt hij in een witte wolk van bloem.
‘Awel?’ roept hij me toe met een diepe, vrolijke stem, ‘Gaat ge daar blijven staan, of gaat ge ne klap doen met ons Trees?’
Ik moet mijn hand boven mijn ogen houden vanwege het felle licht.
‘Is ze hier?’ roep ik terug zo luid ik kan. De kinderen beginnen opnieuw te lachen. Ze komen in een cirkel rond me staan.
‘Ons moe is ni hier, zenne,’ zegt Fien, die wijdbeens voor me staat, met beide handen in haar zij. Ik zie dat ze goed gevoed is. Hier staat geen enkel schraal of ziekelijk kind bij. Het gaat de familie Veugelen duidelijk voor de wind.
‘Ze is in de Veldstraat een kind ter wereld helpen. Als ge wilt breng ik u tot ginder.’
De Veldstraat zou ik waarschijnlijk zelf wel kunnen vinden, maar ik wil niet de kans mislopen om met de dochter van Trees Polaster een wandeling te maken.
‘Laat maar zien,’ beveel ik haar, en ze gaat me voor. Wanneer haar broers en zusjes willen volgen, hoor ik hun vader hen terugroepen. Fien giechelt en kijkt om. Ik versnel mijn pas om naast haar te lopen.





Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (10)


* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

De illustratie in deze tekst is afkomstig van de website van de Koninklijke Bibliotheek van België. Het is een detail uit de Ferrariskaart 'Diest' van 1777. Een link naar alle Ferrariskaarten van België vindt u hier.

woensdag 1 februari 2012

De Madonna's van Scherpenheuvel (8)*

-- Gesprekken tussen waan en werkelijkheid --

Isabella - 6 juni 1627

Deel 3 - Het interview

Na de inzegening van het hoogaltaar, en het uitspreken van het slotgebed, ontstaat er opeens commotie onder de leden van de hofhouding van Isabella. Ik ga op de tippen van mijn tenen staan en zie hoe Ambrogio Spinola, die omwille van zijn kleurrijke kledij duidelijk zichtbaar is in de grijze en bruine massa, een pakket overhandigt aan de Infante. Het is gehuld in een dieprood satijnen doek.
Isabella neemt het pak zonder aarzelen in ontvangst. Omdat ik de verhalen ken, weet ik meteen wat erin zit. De dwerg, die tot het laatste ogenblik van de viering op haar knieën is blijven zitten, springt verrassend kwiek recht en ondersteunt het pak met beide handen. Nu kan de Infante het satijnen doek openvouwen. Van zodra de inhoud zichtbaar wordt, gaat er een oooooh door de menigte. Iedereen fluistert uitbundig en stoot mekaar aan. Van waar ik sta, kan ik pastoor Boeckaert enkel in profiel zien. Ook hij heeft zijn ogen strak op de Infante gericht. Er verschijnt nu zelfs een voorzichtige glimlach op zijn lippen.
De juwelen schitteren in het licht van de Godslamp en de kaarsen. Ringen bezet met diamanten en robijnen, decoratieve kettingen vol wilde parels en rozetten van almandiet, enkele indrukwekkende hangers in de vorm van een kruis, broches, haarpinnen en een grote tiara, die ik herken van een van haar staatsieportretten. Isabella heeft jaren geleden, naast de geloftes van zuiverheid en gehoorzaamheid, ook een gelofte van armoede afgelegd. Het is dan ook de claris, en niet de aartshertogin, die met vaste hand de kostbare sierraden op de grond voor het altaar gooit, met een deugddoende opluchting die zelfs van meters ver zichtbaar is. Voor het eerst toont haar gelaat een teken van emotie. Ze zet drie stappen achteruit en kijkt op naar ons Liefvrouwke. Een enkele traan rolt over haar wang.

Ik doe er meer dan een half uur over om de kerk te verlaten. Niet alleen omwille van de menigte, maar ook omdat ik nog een laatste keer mijn ogen de kost wil geven. Mijn volgende bezoek is pas gepland over 138 jaar, in de zomer van 1765, dus ik prent alles nog eens goed in mijn geheugen. De zijkapellen stralen van eenvoud. Witte muren, kleurloos glas in de ramen, geen lambrisering, weinig licht, eenvoudige biechtstoelen en simpele altaren, die pas morgen zullen worden ingewijd. In elk van deze altaren, net zoals in het hoogaltaar, werden relikwieën ingemetseld. Morgen zal aartsbisschop Boonen ze zalven en zegenen.
Wanneer ik terug in het portaalgebouw sta, draai ik mij voor de laatste keer om. Het genadebeeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel kijkt neer over de kerk, die nu niet langer enkel uit stenen en glas bestaat, maar een haardstede is geworden voor al wie zoekt naar troost en genade. Bemiddelt de Heilige Moeder, voor wie dit beeld symbool staat, echt met God? Zijn de mirakelen en genezingen die hier gebeuren wel authentieke wonderen? Of zijn zij enkel de manifestaties van de diepe hoop op beterschap waar de zieken hier om smeken aan haar voeten? Ik kijk om mij heen. Hier zie ik enkel mensen die geen vragen stellen rond de authenticiteit van de mirakelen. Maar ik kan mij niet voorstellen dat iedereen ze zomaar klakkeloos voor waarheid aanneemt. Zelfs hier moeten er sceptici zijn. Het zal nog zeker vijftig jaar duren vooraleer de Ethica van Spinosa gepubliceerd wordt. De Nederlandse filosoof en rationalist zal de eerste zijn die openlijk wonderen ter discussie stelt. Een niet ongevaarlijke zienswijze, gezien de gemoederen van zijn tijd. Hier in Scherpenheuvel, het bolwerk van de contrareformatie, haalt voorlopig niemand het zich in het hoofd om de echtheid van wat hier gebeurt ter discussie te stellen. Zou ik het aandurven de Infante hierover naar haar mening te polsen?

Wanneer ik de kerk verlaat, spreekt een van de Oratorianen mij plots aan. Ik schrik even, en schaam me omdat hij het gemerkt heeft. Hij glimlacht. Hij kan niet veel ouder zijn dan twintig jaar.
‘Ge wordt over een half uur in de Oratorie verwacht,’ zegt hij nauwelijks hoorbaar. Ik herken meteen zijn tongval. Zichem misschien. Averbode ten verste.
‘Werkte gij hier al lang?’ kan ik niet anders dan vragen in mijn Scherpenheuvels dialect.
Hij antwoordt niet en wandelt in de richting van het kerkhuisje, waar religieuze voorwerpen en gedenktekens worden verkocht. Hij kijkt niet om.
Ik haal mijn schouders op en laat de middagzon op mijn gezicht schijnen. Zonder de hoge bomen in de besloten hof hangt hier een enorm gevoel van ruimte. Ik kan de taveernes en etablissementen nu goed zien van waar ik sta. Ik herken er een heel aantal. Zelfs sommige van de namen zijn in mijn tijd nog dezelfde. De sfeer herken ik ook. Ze houdt het midden tussen ingetogen kermisvreugde en een uitbundig treurspel. De kreupelen hinkelen wat sneller, wanneer ze de kerk verlaten, en de zieken hebben een fonkeling in hun ogen die er twee uur geleden niet was.
Mijn oog valt op een man in de menigte. Hij springt uit de toon omdat hij groot is en donker van huid. Zijn haar is al bijna helemaal grijs, maar ik kan goed zien dat het ooit gitzwart was. Hij kijkt recht naar mij. Voor ik kan wegkijken, stapt hij naar met toe en hij doet teken dat ik hem moet volgen.
‘Kom,’ zegt hij, en instinctief wandel ik achter hem aan. Hier, tussen al deze mensen, en zo dicht bij ons Liefvrouwke, kan mij toch niets overkomen. Ik zie dat hij op blote voeten loopt.
Hij wijst de weg naar het kerkhof en leidt me naar een eenvoudig graf, niet veel meer dan een kruis. Er ligt een boeketje verse veldbloemen op. Ik vermoed dat hij het was die het daar legde.
Ik begin spontaan te wenen wanneer ik het opschrift lees: Leonie Exelmans 1570-1602. Tweeëndertig jaar is Nieke geworden. Ik kijk naar de man van wie ik nu weet dat hij haar zoon is. Hoe weet hij wie ik ben? De laatste keer dat ik hem zag, was hij een baby die voldaan aan de borst van zijn moeder lag te slapen.
Hij ziet de vraag in mijn ogen.
‘Buikloop,’ zegt hij, en daarmee somt hij in een woord het lijden op dat Nieke aan haar einde hielp.
‘En gij?’ vraag ik hem. ‘Zijt gij op de Loobosch opgegroeid?’
Ik zie de pijn op zijn gezicht. Hij knijpt in zijn pet, die hij met ruige handen vasthoudt.
‘Nee. ’t Is te zeggen, niet helemaal. Tot mijn tiende jaar ben ik bij de Begijnen in Diest geweest, tot ik het daar niet meer kost uithouden. Toen ben ik weggelopen. Het heeft zekers vijf jaar geduurd eer ik naar de Loobosch durfde gaan. Tegen dan kost ik wel hard werken en toen mocht ik van boer Tuur blijven. Moeder is een half jaar daarna gestorven.’
Ik heb nog duizend vragen, maar stel er slechts één.
‘Hoe heet gij?’
‘Jan,’ zegt hij zonder me aan te kijken.
Ik steek mijn hand uit.
‘Wel, Jan, het was een eer u te ontmoeten en aan het graf van uw moeder te staan.’
Ik wil eraan toevoegen dat ik voor hem zal bidden, maar kan de woorden niet over mijn lippen krijgen. Ik weet niet eens of ik het ook echt zou doen.

Ik bereik de buitenpoort van het Oratorium na enig klauterwerk. De heuvel afdalen aan de achterkant van de kerk was niet gemakkelijk. De lange gang tussen de kerk en het klooster is nog niet gebouwd, dus behelp ik mij met de provisoire weg die naar achter loopt. Ook het Oratorium zelf is nog niet af, maar daar zal ik tijdens dit bezoek weinig last van hebben. Ik ben mij er zeer goed van bewust dat dit de eerste en enige keer is dat ik dit gebouw zal betreden. Al mijn zintuigen staan op scherp.
De vertrekken van de Infante bevinden zich aan de overkant van een grote binnenplaats. De enige manier om daar te geraken is via het ambulatorium, de kloostergang die de hele binnenplaats omsluit. Wanneer we daar aankomen, ontstaat er enige verwarring over de juiste locatie van de audiëntie. De portier, die mij heeft binnen gelaten, vraagt mij om even te wachten. Ik blijf licht onthutst achter. Stel je voor dat het hele interview niet kan doorgaan. Ik zou er het hart van in zijn.
De zonnestralen dansen op de binnenplaats, en de bloemen geven de hele omgeving een zoete en exotische geur. Hier is niets te merken van de drukte en chaos buiten de muren, en ik kan mij voorstellen dat een mens hier helemaal tot rust kan komen.
Plots voel ik dat ik niet alleen ben. Ik kijk om. Er komt iemand aan de linkerkant van de kloostergang in mijn richting gemarcheerd. Voor ik de kans krijg om mijn gedachten bijeen te rapen, staat hij voor mij. Joost Boeckaert kijkt mij aan met half dichtgeknepen ogen. Hij maakt geen aanstalten om mij de hand te drukken, dus ik durf ook de mijne niet uit te steken. Wat hij wel doet is mij inschatten in één enkele oogopslag. Een kundigheid die hij gemeen heeft met zijn opvolger en confrater, 385 jaar in de toekomst. Ik herinner mij dat ik ooit ergens las dat de lijfspreuk van Boeckaert Sperans timeo is, Hoopvol vrees ik, maar voor mij staat een man uit één stuk, niet iemand die met enige vrees door het leven gaat.
‘Een tijdreiziger,’ zegt hij argwanend. ‘Ik geloof er niks van.’
Ik zwijg.
‘Staat mijn kerk er nog in uwen tijd?’
Nu haal ik opgelucht adem. Op die vraag wil ik met plezier antwoorden.
‘Ze staat er niet alleen, uw bedevaartsoord is nog steeds het grootste van het land en verre omstreken. Aan u, meneer pastoor, om ook dat niet te geloven. Nochtans heb ik iets meegebracht voor u. Van uw opvolger. Hij heeft u een brief geschreven.’
Ik open de flap van mijn schoudertas en grabbel erin rond. Het is bijna een klein mirakel dat ik de kans krijg om deze brief te overhandigen. Ik kijk nu al uit naar de reactie van de auteur wanneer ik het hem vertel.
Boeckaert staart met grote ogen naar het witte printerpapier dat ik hem overhandig. Ik heb de brief voor mijn vertrek afgedrukt van de website van de parochie. In mijn tijd heeft de pastoor van Scherpenheuvel een blog. Zo zie je maar dat de tijden niet stilstaan.
De arrogantie die ik enkele ogenblikken geleden nog voelde en zag, is nu helemaal verdwenen. Boeckaert leest de brief tot het einde. Het duurt even voor hij opkijkt van het blad.
‘Zeg hem,’ prevelt hij, met zichtbare emotie, ‘dat ik voor hem en al zijn parochianen zal bidden.’ **


En dan, zonder veel waarschuwing, is het plotsklaps zover. Het gaat allemaal zo snel, dat ik nauwelijks de tijd krijg om nog nerveus te zijn. Enkele ogenblikken voor ik de kapittelzaal betreed, krijg ik te horen dat de audiëntie niet in het Frans zal verlopen, de taal waarin ik mijn vragen heb voorbereid, maar in het Vlaams. Daarmee voel ik mij enigszins uit het lood geslagen, en begin ik met onzekerheid en trillende handen aan het interview. Ik had er geen idee van dat ze mijn taal kan spreken.

Opeens sta ik oog in oog met Isabella, de aartshertogin, de Infante, de weduwe, maar vooral de claris in al haar bescheiden echtheid. Ze staat naast een houten tafel. Aan beide kanten van de tafel staat een stoel. Er is niets aan het toeval overgelaten. Hier zal de audiëntie plaatsvinden. Zonder al te veel ceremonie, in alle eenvoud.
Het eerste wat ze doet, na de begroeting, is me geruststellen. Ze heeft een vaste stem, waarin ik tegelijk iets breekbaars hoor. Ze spreekt, hoe kan het ook anders, met een zware Spaanse tongval. Van bij het eerste woord moet ik denken aan het radio-interview van Lutgard Simoens met koningin Fabiola uit de jaren 80. De frappante gelijkenissen tussen de twee vorstinnen zullen mij gedurende het gehele gesprek verbazen.
Ik begin met enkele formaliteiten, waarvan de eerste wat raar aanvoelt, aangezien ik oog in oog zit met een non.

Mijn oprechte deelneming bij het overlijden van uw echtgenoot, hoogheid. Hij is intussen al enkele jaren heengegaan, maar dat maakt het verlies niet minder groot. Ook wil ik u feliciteren met de bouw en inhuldiging van deze kerk. Een indrukwekkende prestatie.

Dankjewel voor de condoleances. Ik apprecieer je medeleven. En wat de kerk betreft, dit is niet mijn prestatie alleen. Zonder eerwaarde heer Boeckaert, de aartsbisschoppen Hovius en Boonen, en de financiële steun van de Staten-Generaal was ze er nooit gekomen. Ook het volk heeft bijgedragen, al was het misschien niet altijd vrijwillig. Ik ben mij daar van bewust.

Bent u tevreden met het resultaat? Is de kerk geworden zoals u ze zich had voorgesteld?

Natuurlijk is ze nog veel mooier dan ik had verwacht. Wij hebben zeker geen vergissing begaan in de keuze van de architect. Maar haar schoonheid is niet de meest belangrijke eigenschap van deze kerk. Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel zal het verdwaalde volk weer naar de Heer leiden. Bovendien krijgen de kunsten in een gebouw als dit de kans om in een godsdienstige sfeer te bloeien. Ik weet dat de schilderijen van meester Van Loon er nog niet hangen, maar ik heb er al een aantal gezien. Het zijn meesterwerken. Ook de beelden van de profeten, evangelisten en engelen zijn echte kunstwerken. Heb je ernaar gekeken? Hebben ze jou in vervoering gebracht?

Ik heb ze inderdaad gezien, en ik heb mij laten vertellen, hoogheid, dat er tussen u en pastoor Boeckaert onenigheid was over de beelden in de centrale rotonde. Klopt dat?

Wie heeft dat verteld?

Het staat zo in de geschiedenisboeken. Misschien kan u dat bevestigen.

Het is waar. De aartshertog en ik hebben tijdens ons huwelijk maar één moment gekend waarop wij het niet met elkaar eens waren. In plaats van de beelden van de profeten had ik liever Madonnabeelden gezien. Voorstellingen van de Heilige Moeder zoals ze op andere plaatsen vereerd wordt. Maar de aartshertog zag het anders. Pastoor Boeckaert had hem overtuigd dat de nissen beter gevuld werden door de profeten die de komst van de Heilige Maagd hadden voorspeld.
(Moeilijke stilte)
Ik heb hem gelijk gegeven en het idee van mijn Madonna’s opgegeven.

Toen u en aartshertog Albrecht getrouwd zijn, zijn jullie te paard over de Alpen naar Brussel gekomen. Waarom koos u ervoor om de reis op die manier af te leggen?

Laat mij u eerst even corrigeren. Ik reed in de Alpen niet op een paard, maar op een muilezel. Een paard zou die bergpaden nooit kunnen bewandelen. Wij hebben tijdens die reis de Spaanse Weg gevolgd. De enige route tussen Valencia en Brussel die volledig over Spaanse en neutrale grond loopt. Misschien geloof je dat niet, maar ik heb enorm van die tocht genoten, hoe moeilijk ze soms ook was. Ze heeft ook vier maanden geduurd. We zijn van Valencia per boot tot in Genua gevaren. Van daar reisden we te paard naar Milaan, en zijn daarna over de bergen en door de valleien tot in Thionville gereden. En van daar naar Brussel.

Waarom wilde u dan niet gedragen worden? Zou dat niet veel comfortabeler zijn geweest?

Comfortabeler? Wat had ik daar aan? Ik was voor het eerst in mijn leven eindelijk buiten Spanje. Wat zou ik van de bergpas gezien hebben, had ik in een draagstoel gezeten? Dan had ik niets over de planten en dieren geleerd, en geen enkel contact gehad met de mensen die met ons meereisden. Dat waren er alles bij mekaar zeker wel achthonderd.

De Blijde Intrede in Brussel, hoe heeft u die ervaren?

(Isabella gaat zichtbaar terug in haar herinnering. Er verschijnt voor het eerst een glimlach op haar lippen.)
Dat was schitterend. De mensen waren blij om ons te ontvangen. Niet alleen in Brussel. Wij hebben alle grote steden bezocht tijdens dat eerste jaar. Tot de problemen begonnen met de protestantse ketters. De veldslag in Nieuwpoort was de eerste grote beproeving van de aartshertog tijdens ons huwelijk. Hij raakte ook gewond. Gelukkig was de verwonding niet al te erg, maar ik was toch verschrikkelijk geschrokken.

[[Albrecht stond niet bekend als een groot veldheer, en hij kon niet zo goed overweg met een zwaard. Hij was klein van gestalte, en dat kwam hem tijdens een gevecht niet goed uit. Dit insinueren tijdens dit gesprek zou ongetwijfeld een vergissing zijn.]]

U kan zelf ook goed overweg met wapens, geloof ik. Toch zeker met een kruisboog. U werd zelfs ooit tot koningin van de Hoofdgilde van de kruisboogschutters uitgeroepen, een van de meest prestigieuze gilden in Brussel.

(Lacht luid)
Of ik dat nu nog kan, weet ik niet, maar toen ik jong was, kon ik inderdaad goed overweg met een kruisboog. Ik begeef mij graag onder het volk. De aartshertog had het daar moeilijker mee, maar voor mij waren dat soort evenementen de beste manier om met de gewone mensen in contact te komen. Daarom heb ik ook Vlaams geleerd. Al was het toen nog niet zo goed verstaanbaar.

[[De jaarlijkse schietwedstrijd waar Isabella de hoofdvogel afschoot van de torenspits van de Zavelkerk vond plaats op 15 mei 1615. Zij was toen al bijna 49 jaar. Haar behendigheid met een kruisboog was iets waar ze continu aan werkte, gezien haar passie voor de jacht. Ik vraag mij af of ze de jacht dan niet mist, nu ze kloosterzuster geworden is, maar ik vraag het haar niet.]]

Het hof bevindt zich op de Koudenberg, maar u heeft ook nog twee andere residenties. Waar woont u het liefst?

Maar, lief kind toch, ik ben intussen claris geworden. Wat heeft het nog voor zin om over die kastelen te praten. Ik had liefst al vijf jaar in het klooster van de ongeschoeide clarissen in Madrid gewoond, maar de koning van Spanje heeft mij dat verboden. Nu ik geen soevereine vorst van de Nederlanden meer ben, heeft hij mij geboden landvoogdes te blijven.
(Ze twijfelt, en na enige tijd gaat ze toch verder.)
De aartshertog hield vooral van ons zomerverblijf in Mariemont. Maar voor mij was het jachtslot in Tervuren de plaats waar ik mij het meest gelukkig voelde.

[[Ik heb de schilderijen en etsen gezien waarop het kasteel van Tervuren staat afgebeeld. Het was daar inderdaad schitterend. Helaas staat daar in mijn tijd weinig of niets meer van recht. Enkel nog de St.-Hubertuskapel en de stallen, die als kazerne worden gebruikt. Alle andere gebouwen van het slot werden in 1782 tot op de grond afgebroken op bevel van keizer Jozef II. Ik bespaar de Infante dit nieuws. Ik weet dat zij jarenlange renovaties heeft laten uitvoeren in haar favoriete kasteel, net zoals in Mariemont. Ook in het paleis op de Koudenberg waren er ingrijpende renovatiewerken, en ook van die gebouwen blijft nauwelijks nog een steen over. Het paleis werd in 1731 verwoest door een brand. Nu bevindt zich in die wijk het Koninklijk Paleis van de Belgische vorsten, de kerk van St.-Jacob-op-de-Koudenberg en het standbeeld van Godfried van Bouillon. Enkel het domein van Mariemont, in de provincie Henegouwen, heeft de eeuwen overleefd. Maar ook dat nieuws breng ik haar niet.]]

Uw eerste bezoek aan Scherpenheuvel, kan u daarover iets vertellen?

(Er komt een verre blik in haar ogen. Voor lange tijd blijft het stil.)
Natuurlijk kende ik de kracht van deze plaats al voor ik hier zelf geweest was. De aartshertog had mij er met liefde over verteld. Maar ik zal die eerste keer nooit vergeten. Het was op vele vlakken mijn geboorte. Wij hadden de nacht doorgebracht in Diest, en zijn te voet naar de scherpe heuvel op bedevaart gekomen. Geen gemakkelijke tocht in november, maar gelukkig was ik wel een en ander gewoon. Ik had vele dagen en weken met mijn man aan het front doorgebracht. Mijn hofdames hadden het veel moeilijker dan ik. Ze kregen ook bloedende voeten, en zouden zich ongetwijfeld een paar serieuze vloeken hebben laten ontvallen, had ik dat niet ten strengste verboden aan het hof. Maar voor mij was die pijn nodig om mij dichter bij Onze Lieve Heer te brengen, en op die manier dichter bij de Heilige Moeder. Met elke stap die ik nam, voelde ik de aantrekkingskracht van deze heilige plaats sterker worden. Van bij de eerste blik die ik op het beeldje liet vallen, wist ik dat ik hier de zegening en kracht zou ontvangen die ik nodig had.

[[Ik vermoed dat we op een keerpunt gekomen zijn in het gesprek. Ik meen te weten waarop de Infante met haar laatste zin alludeert, en het is niet haar strijd tegen de reformatie. Maar hoe moet ik naar haar grootste verdriet vragen, haar grootste pijn? Bovendien ging twee minuten geleden achteraan in de kapittelzaal een deur open. Het einde van de audiëntie nadert, terwijl ik het gevoel heb dat we niet eens tot het begin van een gesprek zijn gekomen. Ik stel mijn vraag op zo’n manier dat zij er twee kanten mee uit kan. Zo mag ze zelf beslissen wat ze me vertelt, en wat ze verborgen houdt.]]

En heeft u die zegening gekregen, hoogheid?

[[Er valt een lange, gespannen stilte. Ik wend mijn blik geen enkele seconde af van het gelaat van Isabella. Haar grijs-blauwe ogen hebben hun luster verloren, en er staan donkere kringen onder. Er is geen spoor meer van het leven vol pracht en praal. Diepe groeven op haar nog steeds gevulde wangen zijn getuige van haar onderhuidse smart. Niet alleen omwille van de teloorgang van haar heerschappij over de Nederlanden, maar vooral omwille van het menselijke verlies in haar leven. Zoveel van haar geliefden heeft zij zien sterven. 1621 was op vele vlakken haar persoonlijke annus horribilis. Haar broer, Filips III, koning van Spanje, stierf onverwacht op 43-jarige leeftijd. Later in het jaar, terwijl haar man op sterven lag, liep het Twaalfjarig Bestand af, en werd de strijd tussen katholieken en protestanten in al zijn hevigheid hervat. Albrecht blies zijn laatste adem uit in haar armen. Drie dagen later had zij al haar honden, exotische papegaaien en apen, die haar nochtans altijd zeer dierbaar waren geweest, onverbiddelijk weggejaagd. De eerste weken na zijn dood bracht ze door in een kamer die helemaal zwart geverfd was. Het duurde zeven maanden voor de voorbereidingen voor zijn begrafenis helemaal rond waren. Al die tijd stond zijn lichaam gebalsemd en verzegeld in een loden kist te wachten op de officiële uitvaart. Isabella zat uren te bidden naast de kist. Ook nu weer denk ik aan koningin Fabiola.

Ik zie hoe de hofdame behoedzaam dichterbij komt. Isabella wordt uit haar diepe gedachten gewekt door het geschuifel achter haar. Zonder om te kijken, en met een korte beweging van haar opgestoken hand, maakt de Infante haar duidelijk dat ze moet afdruipen. Het gesprek is nog niet afgelopen, en dit keer is zij degene die mij een vraag stelt.]]

Heb jij kinderen?

[[Voor het eerst richt ik mijn blik niet op haar gezicht wanneer ik spreek. Ik kijk naar mijn eigen trillende handen, die voor mij op tafel liggen. Ze zijn vuil. Ik schuif mijn notitieboekje langzaam aan de kant.]]

Ja, hoogheid. Ik heb vier kinderen. Twee jongens en twee meisjes.

[[Nu kijk ik toch op, en zie tot mijn verbazing een glimlach op haar lippen.]]

Dan ben jij ongetwijfeld een gelukkige vrouw. Hoe heet jij, lief kind? Ik schaam mij dat ik niet eens naar je naam gevraagd heb.

[[Nu is het mijn beurt om te glimlachen.]]

Ik heet Clara.

[[Isabella buigt over de houten tafel heen en legt haar handen op de mijne. Dit is eindelijk het keerpunt in het gesprek.]]

Dan zijn we zusters, lieve Clara. De voorzienigheid heeft jou naar hier geleid.
Na mijn derde miskraam zijn we begonnen met wekelijkse bedevaarten naar de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Laken. Ik begreep niet waarom mijn lichaam niet in staat was een vrucht in leven te houden. Wat was God met mij van plan? Waarom kon ik niet wat andere vrouwen wel konden? Was ik te oud om nog kinderen te baren?
Dit werd mij gesel. Het kruis dat ik moest dragen. Ik bad om geduld en begrip, maar elke maand werd het verlangen naar een kind groter.
Daarna zijn we begonnen aan de bedevaarten naar deze uitverkoren heuvel.

Daar heeft u toch veel kracht uit geput.

Ik heb van bij die eerste dag al mijn hoop gesteld op Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Als er één Middelares was die mijn zaak kon bepleiten, dan was Zij het. Ik leefde in vroomheid, vocht tegen de protestanten, zorgde voor mijn volk, bouwde Haar de mooiste kerk die ik Haar kon schenken…

[[Nu is het mijn beurt om haar samengevouwen handen in de mijne te nemen. De tranen rollen over haar gezicht.]]

Toch is het drie keer bijna gelukt. De eerste keer zal ik nooit vergeten, want toen was het kind bijkans volmaakt. Iedereen gruwelde bij de gedachte dat ik het in mijn armen wilde houden, maar voor mij was dat de meest natuurlijke zaak in de wereld. Ik heb haar drie dagen bij mij gehouden. Toen heeft Albrecht mij gesmeekt om het dode kind los te laten. Ik begreep niet waarom dat nodig was. Voor mij was alles drie dagen lang zoals het moest zijn. Haar kleine, perfecte lichaam was bij mij, en haar geest was bij Onze Lieve Heer. Toen ik haar uit handen gaf, stonden mijn borsten gespannen van de melk. Ze waren na twee dagen roodgloeiend en ik had hoge koorts.
(Huilend gejammer)
Maar er was geen kind om mij te verlossen van de pijn die ik voelde. Mijn armen waren leeg, en mijn schoot is heel mijn leven lang een graf gebleven.

Ik durf het u nauwelijks vragen, hoogheid, maar vroeg u zich niet af waarom Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel u niet kon helpen? Waarom bemiddelde Zij niet voor een mirakel? Stelde dat uw geloof niet op de proef?

(Fluistert)
Ja, ik heb gewankeld.
(Dan plots kordaat)
Maar toen ik vijftig jaar was, heb ik mij neergelegd bij de wil van Onze Lieve Heer. Hij had een ander plan voor mij. De aartshertog en ik hebben alle gewesten trouw doen zweren aan mijn broer Filips, die sinds de dood van mijn vader koning van Spanje was. Daarmee was de mogelijke crisis rond onze opvolging bezworen.

[[De hofdame benadert nu toch de tafel en legt haar hand op de schouder van Isabella. Ze fluistert haar enkele woorden in het oor. De Infante staat traag recht. Ik volg haar voorbeeld. Terwijl ik mijn spullen opberg in mijn schoudertas, en aanstalten maak om afscheid te nemen, komt zij plots naar mij toe. Ze neemt mijn gezicht in beide handen en kijkt mij recht in de ogen.]]

Koester je kinderen, Clara. Ze zijn de toekomst.

---

Wanneer de poort van het Oratorium achter mij dichtvalt, moet ik moeite doen om mijn emoties onder controle te houden. Ik beklim de heuvel, en ga terug binnen in de kerk, die nog steeds gevuld is met pelgrims. In het midden van de centrale rotonde ga ik uiteindelijk door de knieën. Ik kan mij niet ontdoen van het beeld van de wanhopige moeder, die drie dagen lang haar dode kind in haar armen draagt.
Vol onbegrip kijk ik op naar het genadebeeld. Wat heeft deze plaats te betekenen? Is deze kerk niet gewoon de symbolische wanhoopskreet van een onvervuld en bloedend moederhart? De smeekbede aan het adres van een God die niet antwoordt en niet bestaat?
Ik blijf op de vloer van de kerk zitten tot de kou in mijn ledematen en mijn hart kruipt. Het schemert buiten wanneer de koster mij vraagt te vertrekken. Ik strompel, samen met de laatste pelgrims, de kerk uit.
Wanneer ik buiten sta, neem ik mij voor om met mijn kinderen het graf van Isabella te bezoeken, in de kathedraal van St.-Michiel en St.-Goedele in Brussel. Wat een akelige gedachte, wanneer ik weet dat het nog zes jaar zal duren eer ze sterft.





Lees ook: De Madonna's van Scherpenheuvel (9)


* De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische fictie. Sommige feiten zijn geschiedkundig correct, andere zijn ontsprongen aan de levendige fantasie van de auteur.

** Link naar de brief van E.H. Luc Van Hilst aan zijn confrater Joost Boeckaert.