woensdag 22 april 2009

De sterren van de hemel - een vertelseltje

_
‘Godverdoeme, zijde zot? Daar klim ik niet op.’
Louis stond met zijn zatte kloten onderaan de stellingen rond de basiliek van Scherpenheuvel en zijn beste maat Jaak lachtte hem uit.
‘Ge zijt ne zeveraar, Louis. Aan den toog grote praat, maar als ’t er op aan komt, durfde niks.’

Jaak had gelijk natuurlijk. Louis had hoogtevrees, maar dat wist niemand. Zijn legerdienst bij de para’s gedaan en voor elke sprong water en bloed gezweet. En maar weesgegroetjes bidden voor ons liefvrouwke.
Toch was dat nog gemakkelijk in vergelijking met de stommiteit die hij nu wilde begaan. Wanneer je in de deur van een C130 staat, heb je nauwelijks besef van hoogte. Bovendien sta je in het oorverdovende gebrul van de motoren en het zuigende geraas van de wind. Het enige wat je moet doen is één stap voorwaards zetten.
Op een stoel kruipen in de keuken om een nieuwe gloeilamp in te draaien is veel moeilijker. Zeker als ons Irma staat instructies te geven, dacht Louis. Twee linkerhanden hebde, Lewie Vranke. Altijd gehad. Hij hoorde het haar zo zeggen.

De eerste meters waren de moeilijkste. Bij Steve aan de toog van den 2BE leek het daarnet allemaal nog zo simpel.
‘Voor elke ster die ge van de koepel van de basiliek gaat pikken, Louis, trakteer ik je de hele meimaand elke dag een pint,’ had Jaak gezegd. ‘Maar ’t moeten wel de nieuwe zijn, he. Geen ouwe brol. Daar doe ik het niet voor.’
Een meter of tien van de grond knikten Louis’ knieën zo hard dat hij zich uit alle macht moest vastklampen aan de stellingen. Zijn kneukels werden er spierwit van. Hij duizelde en dat kwam door meer dan alleen maar de drank. Louis deed zijn ogen dicht en haalde een paar keer diep adem. De koude nachtlucht sneed door zijn keel. Zijn bonzende hart kwam wat tot bedaren en hij slaagde erin zijn spieren te ontspannen en verder te klimmen.
‘Als ge met uw klikken en klakken naar beneden dondert, laat ik je hier liggen,’ riep Jaak omhoog. ‘Dan kan de pastoor morgen een mis voor je doen.’
Ons vader moest me bezig zien, dacht Louis, hij sloeg me dood. Maar zijn vader, de koster, lag al jaren op het kerkhof in de Molenstraat. Leverkanker.
Naarmate hij hoger klom, groeide langzaam Louis’ zelfvertrouwen. De nachtelijke stilte en de duisternis brachten hem tot rust en het leek wel alsof hij voor de eerste keer in jaren weer een doel had.
Heel zijn leven had hij in Scherpenheuvel gewoond, elke zondag had hij slaag gekregen en had zijn vader hem dik tegen zijn goesting naar de mis gesleurd terwijl hij veel liever op de kruisweg of aan het kasteel achter de meulen ging spelen met zijn kameraden. En later, toen hij met Irma getrouwd was, had hij het spek weer aan zijn been. Hij geraakte van die kerk niet af.
Als ik er niet vanaf geraak, dacht hij kordaat, dan geraak ik er wel op. En straks ook op ons Irma. Dat ze haar uitvluchten voor iets anders gebruikt.

De laatste meters vloog hij bijna naar boven. Alsof hij vleugels had gelijk de engelen. In mei trakteert Jaak aan zijn beste maat Louis elke dag acht pinten. Acht. Dat kan tellen!


(Enige gelijkenis met bestaande mensen is puur toeval. Bel zeker niet naar de politie of de pastoor als je meent hierin de echte daders te herkennen.)
_

1 opmerking:

  1. Ik ben hier hardop aant lache!!!Ik kan er ook nen echte naam opplakken,maar dat ga ik hier en nu NIET doen.Alhoewel...

    BeantwoordenVerwijderen