zondag 1 november 2009

Luchtdruk - een schrijfoefening

_
Uren staren we in de lucht, luisterend naar het geluid van de vliegtuigmotoren, wolken onder de vleugels, daarboven ijle lucht, nog hoger gewichtloze duisternis, nevelslierten. De zon lijkt in de diepte onder te gaan, een tunnel vol geruis, stemmen op de achtergrond. We vergeten dat we vliegen, de voeten op de bodem, we leven in het heden. Een vliegtuigje in de diepte, zwevend in dezelfde gewichtloosheid. We zijn open en alert.
Niets is ooit verdwenen. Misschien zijn er mensen of dingen zoek geraakt, maar niets is ooit verdwenen. We moeten een beweeglijkheid ontwikkelen om de dingen aan te raken, dwars door pixels en ether, dwars door de tijd.
Een stad strekt zich onder ons uit, honderdduizenden lichtjes, een glanzend tapijt, daarbinnen een veelvoud aan mogelijkheden, ontmoetingen, weerkaatsingen. We denken ergens tussen al die lichtjes troost te vinden, de juiste keuze.
Twee mannen. De ene niet genoeg, de andere te veel.
Eerst jarenlang de eerste. Hij streelt en kust en speelt Duke Ellington met lange, beweeglijke vingers die over onze toetsen dwarrelen wanneer hij in de buurt is. Hij kijkt met lustige ogen die ook anderen zien. Hij betast ons met lippen die een verhaal vertellen dat in ons groeit en waarin hij zich al gauw niet meer thuis voelt. Zijn onstuimige gedachten doen ons luisteren naar de stemmen in onze onderbuik die genadeloos ‘Baar ons’ fluisteren tot hij schreeuwt: ‘Stop! Laat het weer stil zijn.’

Mensen raken zoek, maar niets is ooit verdwenen. Nieuwe mogelijkheden, ontmoetingen.
De sterke handen van de tweede. We kloppen niet aan. Hij doet open. We zeggen niet: ‘Ik tuimel achterover en verdrink.’ Hij zegt meteen: ‘Stort je maar bij mij naar binnen.’ We voelen niets, maar hopen dat het waar is en geven ons over aan de zwaartekracht.
Donkere wolken aan de horizon, het geluid van de motoren klinkt somber en de stemmen worden stilte. De stilte wacht.
Onze geborgenheid wordt heimwee naar de eerste. Verlangen naar de heldere muziek die niet vaak bleef, maar lachte en beminde.
De tweede streelt en kust en schopt de piano stuk. Geen aanleg voor Rachmaninov, maar Smirnoff houdt hem lelijk en elke dag gezelschap. Wij zijn voor hem het hemelrijk der vrouwen. Onze blauwe ogen huilen en genezen nooit en zijn vuist is elke dag opnieuw de belofte van een hand die liefheeft.

Dan komt het onweer en stort de regen zich door de lucht waarin we vliegen. We steken onze hand uit en voelen niets, maar weten dat het waar is. De eenwording van cel met cel splits zich genadeloos in ons tot een leven dat met de eerste een gedicht leek waaruit wij luidop verzen lazen over de liefde en de eeuwigheid en met de tweede een afgrond is waarin we ons niet willen storten.

De vlucht is onomkeerbaar. We geven de toekomst vrijwillig uit handen en vormen haar kermend om tot zerken die we zogen met lege borsten en onafgebroken koesteren tot aan ons eigen graf.
Nooit is iets verdwenen. Nooit ontwikkelen we de beweeglijkheid om de dingen los te laten, dwars door de tijd. We vergeten dat we leven en zweven daarna gewichtloos door de duisternis.
_

1 opmerking:

  1. Als men alles opschrijft wat men in gedachte beleeft, is men wijsgeer voor met het zelf weet.

    Waar leggen we onze GSM op de tafel. Links of rechts van ons bord?

    BeantwoordenVerwijderen