woensdag 10 februari 2010

Jenny & co.

_
Het is een zonovergoten dag geweest in Scherpenheuvel. Elders in het land stond, wegens zware sneeuwval, meer dan negenhonderd kilometer file. Wie op zijn werk moest geraken in de sneeuwzones had pech. Mij is die ellende gelukkig gespaard gebleven. Ik woon, en ik overdrijf niet, op achthonderd meter van mijn nieuwe job. Trouwens, op woensdag ben ik vrij. Dan heb ik tijd om mij toe te leggen op mijn andere nieuwe job: schrijven voor Het Nieuwsblad Online.

Maar zelfs zonder pakken sneeuw was het vandaag bar koud rond de basiliek. Ik moest namelijk naar het postkantoor. Ik probeer dat gebouw zoveel mogelijk te vermijden. Het overkomt me dat ik in een opwelling naar Diest rijd om een verzending te doen. Inwoners van Scherpenheuvel weten waarover ik spreek, maar laat mij toch even toelichten waarom het postkantoor in Scherpenheuvel met momenten een kille, onherbergzame plaats is.

Ik stapte binnen en zag, tot mijn opluchting, dat beide loketten open waren.
Links, op haar vaste plaats, zat Jenny. Rond gezicht. Mis-en-plis in de juiste plooi. Strenge bril aan een touwtje. Teveel rode lippenstift. Felgekleurde blouse. Wollen trui, die ze waarschijnlijk ooit nog zelf gebreid heeft. De rest van Jenny zat strategisch verborgen achter haar bureau, en laat mij eerlijk zijn, ik was er niet rouwig om.
Rechts, achter het tweede loket, zat een jonge vrouw die ik niet kende, terwijl ze voor ’t zelfde geld, zoals we hier zeggen, misschien al jaren voor de post werkt.
Aan beide loketten werd iemand bediend. Jenny praatte, op haar gebruikelijke minachtende toon, met een vrouwelijke klant. Haar jonge collega bediende Jacqueline, een vriendin van mijn moeder, een kwieke dame, tweede helft van de zestig.
‘Ik heb één grote bruine envelop nodig,’ legde Jacqueline uit, ‘maar ik zie hier alleen pakjes van tien liggen.’
‘Dat klopt,’ was het karige antwoord.
‘Verkopen jullie ook losse enveloppen?’
‘Nee, mevrouw, we verkopen ze alleen in pakjes van tien.’
Jacqueline drong aan.
‘Zou ik toch niet gewoon één envelop kunnen kopen? Die andere negen kan ik niet gebruiken.’
‘Nee, mevrouw.’ De jonge dame werd meteen een beetje ongeduldig. Ik draaide mij om en keek achter mij, in de veronderstelling dat het postkantoor intussen was volgelopen met een grote schare nieuwe klanten. Behalve ik stond er niemand te wachten.
‘Nee, mevrouw,’ herhaalde ze, ‘je moet er tien tegelijk kopen.’
‘Dat is raar,’ ging Jacqueline onverstoorbaar verder, en keek naar mij. ‘Ik heb hier vroeger nochtans al eens één envelop gekocht, hoor.’ Ik geloofde haar.
Ze keerde zich terug naar de loketbediende.
‘Dus dat kan nu niet meer?’
Een diepe zucht ontsnapte aan de jonge vrouw.
‘Nee, mevrouw, zoals ik al zei moet je een pakje van tien enveloppen kopen. Trouwens, wij hebben hier nooit losse enveloppen verkocht.’ Ik merkte dat ook Jenny intussen meeluisterde.
‘Dat klopt niet,’ drong Jacqueline aan, en ik bewonderde de vastberadenheid waarmee ze dat deed, ‘want ik heb er hier vroeger ooit al eens eentje gekocht.’
Bij deze opmerking verloor de loketbediende haar cool.
‘Dat zal dan vóór de oorlog geweest zijn,’ gooide ze Jacqueline in het gezicht. Dat maakte een abrupt einde aan het gesprek. De vriendin van mijn moeder haalde haar schouders op, glimlachte naar mij en droop af.
Jenny begon te lachen.
‘Voor sommige mensen kan je niks goed doen,’ zei ze. Nu was het mijn beurt om mijn cool te verliezen.
‘Je kan op zijn minst beleefd blijven,’ zei ik boos, en ik keerde mij naar de jonge vrouw achter het rechtse loket. ‘Er was helemaal geen reden om op die manier te reageren.’
Jenny schoot haar meteen ter hulp.
‘We hebben hier echt nooit losse enveloppen verkocht.’
Alsof dat intussen nog niet duidelijk was.

Toen ik weer op straat stond, leek het alsof de temperatuur met tien graden gezakt was. Als er in de zomer nog eens een hittegolf komt, weet ik waar naartoe voor een beetje verkoeling.
_

woensdag 3 februari 2010

Kinderen opvoeden is gevaarlijk

_
Het staat in De Standaard Online vandaag. Kinderen opvoeden is gevaarlijk. Gevaarlijk voor de kinderen, weliswaar, of dat zou het volgens de Amerikaanse auteurs van het boek Fifty Dangerous Things (You Should Let Your Children Do) toch moeten zijn. Laat ze experimenteren, laat ze hun grenzen aftasten. Het is maar door te proberen en te falen dat ze de grotemensenwereld leren inschatten.
Dit is een boek, je had het misschien al begrepen, voor overbeschermende ouders. Wij geven onze kinderen niet meer de gelegenheid om in alle vrijheid gevaarlijke dingen te doen. De Witte van Zichem mocht nog in zijn blootje in de Demer springen. Nu laten ouders dat niet meer toe. Ten onrechte, aldus dit boek.

Een greep uit de vijftig tips. Dit zijn, volgens de onderzoekers, de dingen waartoe we onze kinderen moeten aanmoedigen om betere volwassenen te worden: met stenen gooien, een auto besturen, op straat slapen, een speer smijten, allerlei dingen in de microgolf opblazen, spullen uit het raam van de rijdende auto gooien, een bom in een zak maken, op het dak kruipen, voorwerpen van hoge plaatsen naar beneden laten vallen, een katapult maken, in een vuilbak duiken, dingen in de fik steken met een vergrootglas, je vrienden vergiftigen, met vuur spelen, glas stuk slaan.

Toen ik dat las, kreeg ik plots een ingeving. In België kunnen de Amerikaanse onderzoekers hun boek onder een andere titel op de markt brengen: Fifty Ways to Survive in Brussels (Things You Should Teach Your Children). Het zou een overlevingsgids kunnen zijn, een manier voor ouders om hun kinderen voor te bereiden op de harde werkelijkheid van de straat.
Het zijn namelijk doelgerichte oplossingen en initiatieven waaraan de inwoners van Brussel behoefte hebben, niet het eindeloos, communautair gezwam waarin dit debat weer aan duizelingwekkende snelheid dreigt te hervallen. Het internet loopt nu al over van blogs en opiniestukken boordevol creatieve ideeën. Er is geen politicus, advocaat of politiecommissaris die zijn gedacht nog niet heeft gezegd. Nultolerantie, samenvoeging van de politiezones, snelrecht, drastische reorganisatie, opsluiting, deportatie. Bovendien haast iedereen in Vlaanderen zich om erop te wijzen hoe lang geleden het al is dat zij waarschuwden voor een groeiend probleem in Brussel. ‘Hadden jullie toen maar geluisterd.’
Er zijn mensen die luisteren. Didier Gosuin van het FDF bijvoorbeeld, burgemeester van Oudergem, de meest verfranste gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Gosuin luistert al jaren. In een interview zei hij gisteren dat ook nu weer de Vlaamse politici lijden aan institutionele waanbeelden. Hij waarschuwt dat als de Vlaamse partijen de politie en justitie in Brussel in vraag stellen, de Franstaligen de oververtegenwoordiging van de Vlamingen in het Brussels parlement terug ter discussie zullen brengen.
Communautair gezwam dus, en meteen ook het einde van het debat. Met het mes op de keel, zoals het wel vaker gaat in de politiek.

Ik beken schuld: ik ben een overbeschermende ouder. Ik laat mijn kinderen niet elkaar het mes op de keel zetten, of van het dak springen, of uit het raam van de rijdende auto hangen. Maar laat het nu in een onbewaakt ogenblik zijn dat mijn twee jongste kinderen een springtouw tussen twee keukenstoelen bonden om te leren hoogspringen. Met heel veel bloed en een rit naar de spoedgevallen tot gevolg.
Ze zullen dus toch nog goed terecht komen, mijn kinderen.
_