dinsdag 12 april 2011

Bang van de boze wolf?

Het stond in de krant: op 13 april wordt België schaamteloos gepenetreerd door de nieuwste Hollywoodrage, het erotische, gewelddadige sprookje. Eerste film in de reeks is Red Riding Hood, een versie van het verhaal waar de wolf een moordlustige man blijkt te zijn, met de nadruk op lust. Roodkapje, onschuldig wicht, loopt met open ogen in de verleidelijke val van de sluwe wolf. De rest kennen we.

Conservatief Amerika steigert. Europa heeft gelukkig (voorlopig nog) minder die neiging, maar het artikel over de komst van deze film stond toch zo maar even bovenaan De Standaard Online, om maar één krant te noemen. Regisseur Catherine Hardwick, van o.a. de Twilightfilms, weet precies wat ze doet. Ze mikt met deze uitdagende versie van de aloude vertelsels op het brede publiek van tienermeisjes, dat uitgekeken is op vampiers en zich benadeeld voelt tussen al dat stoere geweld van de actiefilms voor jongens.

Onze eigenste Louis Paul Boon zaliger was Hardwick natuurlijk een vijftal decennia voor. Maar dat zal haar waarschijnlijk worst wezen. Eind jaren vijftig publiceerde Boon namelijk Grimmige sprookjes voor verdorven kinderen, waarin hij een aantal sprookjes letterlijk geweld aandeed. Of naar eigen zeggen terugbracht naar hun oorspronkelijke staat.
Het bewijs dat zijn versie van Roodkapje haar effect niet mist op tienermeisjes van de 21ste eeuw werd mij onlangs geleverd door het Vlaamse katholieke onderwijs. Mijn dochter van vijftien kwam thuis van school, smeet haar boekentas in een hoek, verbande haar kleine zus en broer uit de keuken, en overviel mij met de woorden: ‘Zet je schrap, mama, want ik ga iets voorlezen!’
Ik greep het aanrecht beet, hield mijn hart vast, en luisterde in spanning.

‘Zekere morgen zei de moeder van Roodkapje: ‘Grootmoeder is zo eenzaam en ziek. Draag haar deze twee oude pannenkoeken en de fles bier die vader niet heeft gewild. Maar sta u niet weer eeuwenlang te spiegelen in de vijver in het bos.’
Roodkapje was nog heel jong, pas onlangs waren borstjes aan haar lichaam beginnen groeien. Ze was er opgetogen over, en vond het zonde ze in het donker van haar bloesje te moeten opsluiten. Zij voerde er lange gesprekken mee, alsof het haar vriendjes waren.
Ze schikte haar rode halsdoek met witte bolletjes over het hoofd, en strikte die vast onder de kin. Maar haar bloesje liet ze open, opdat haar borstjes met haar konden meewandelen.’


Aan het einde van die zin gekomen, haalde niet alleen mijn dochter, maar ook ik voor het eerst weer adem. Zij van opwinding, en ik van verbijstering. Ergens tussen 1982, toen ik zelf in het vierde middelbaar zat, en 2011 was Louis Paul Boon de Humaniora Voorzienigheid in Diest binnen geslopen. Voor het eerst in negenentwintig jaar was er een moedige leerkracht Nederlands die besloten had dat de kindertjes in haar klas verdorven genoeg waren om de grimmige sprookjes van Boon te lezen.

Ik kan dat alleen maar toejuichen, want uiteindelijk is Boon niet alleen de auteur van De Kapellekensbaan, maar een veelzijdig schrijver en kunstenaar die in leven moet worden gehouden. Toch vraag ik mij af in hoeverre de directie van de school dit specifieke onderdeel van het curriculum goedkeurt. Nochtans vind ik dat dit sprookje in het post-Dutroux tijdperk op het menu van elke school moet worden gezet. Jonge meisjes met ontluikende borstjes moeten gewaarschuwd worden voor de wolven van deze wereld. Wolven die van alle tijden zijn, en zich in alle hoeken en kanten van het bos kunnen schuilhouden. Zelfs op de meest vertrouwde plaatsen.

De Hollywoodversie van Roodkapje zal meisjes de verkeerde boodschap geven. Flirten met het gevaar is niet spannend of verleidelijk. Dat is gewoon dom.




-------
Een reactie is welkom, mits goede manieren.

woensdag 6 april 2011

Drie Walebeesten

Afgelopen zondag zou er een debat plaatsvinden tussen Tom Naegels en Joris Tulkens. Maar ook al zaten beide auteurs zij aan zij op het podium van het Begijnhoftheater in Diest, van debatteren was er helaas geen sprake. Daar zorgde Radio 2-coryfee Leen Paredis voor, die de vragen stelde. Bedoeling was de twee heren in elkaars richting te duwen, maar helaas stond ze eerder als een muur tussen hen in, het gezicht vooral naar de jongere auteur gekeerd. Jammer voor het publiek. Wanneer je twee denkers bijeen brengt, hoop je toch op een scherpe gedachtenwisseling, in plaats van twee monologen.

Naegels en Tulkens hebben elk hun eigen stijl en interesses, maar ze hebben ook een uitgesproken raakvlak: de multiculturele samenleving. Volgens de ene schrijver is zij springlevend, volgens de andere op sterven na dood. Naegels benadert en aanvaardt de complexe wereld waarin hij leeft, genaamd Berchem, vanuit de biologische reflexen die hem, en alle mensen in deze wereld, sturen. 'Je kan niet vermijden,' zegt hij in meer woorden dan op dit scherm passen, 'dat er argwaan is tussen individuen. Zo zitten we nu eenmaal in elkaar. We kunnen enkel van elkaar aanvaarden dat we anders zijn, en met die verschillen leren leven.' Lees er zijn blogs maar op na.

Tulkens zegt dat het beter moet. 'We moeten inzien dat multicultureel samenleven niet de oplossing is, want dan steunen we op passief in plaats van actief pluralisme. Dat brengt geen aarde meer aan de dijk. We moeten elkaar al doende leren begrijpen, ook al vergt dat een inspanning.' Om zijn argument te ondersteunen las hij een brief voor van de 15de-eeuwse humanist Nicolas Cleynaerts, wiens woorden vandaag bijna moderner klinken dan zes eeuwen geleden: 'In plaats van de boeken die ons schrik aan jagen te verbranden, moeten we ze lezen,’ durft Tulkens te zeggen. Met andere woorden: laat ons kennis nemen van elkaar.

Toen het debat-dat-er-geen-was ten einde was, wandelde ik naar buiten en snuffelde nog even tussen de tweedehandsboeken, die in bakken en op tafeltjes bijeen lagen aan de ingang van de theaterzaal. Mijn oog viel op een oud, vergeeld boekje uit de jaren stillekes. Op de harde kaft stond een angstaanjagende tekening, die me aan de Bokkenrijders deed denken. Vlaamse legenden, was de titel. Ik bladerde door het boek. De kabouters van de Kempen, was de eerste titel die mij opviel. De duivelsschuur van Vilvoorde, en mijn fantasie was meteen geprikkeld. Van een jongen, die goed van aannemen was, vond ik ook interessant. Maar toen ik de titel van hoofdstuk XV zag, kocht ik het boekje meteen: Drie Walen in Vlaanderen.

Met het woord multiculturaliteit nog vers op mijn trommelvlies, las ik de eerste zinnen van de legende. Drie Walen besloten op een dag naar Vlaanderen te gaan. Te voet, want ze waren arm. Ze spraken alleen Frans, maar hoopten onderweg een mondje Vlaams te kunnen leren.
In het eerste het beste Vlaamse dorp waar ze passeerden, was net de school uit. Het duurde niet lang of de drie mannen hadden de hele schooljeugd achter zich. De kinderen begonnen schaamteloos te schelden. ‘Drie Walebeesten, drie Walebeesten!’ riepen ze, en ze jaagden hen het dorp uit.

Hoe het verder afliep met de drie Walebeesten, laat ik aan jullie verbeelding over. Maar eigenlijk hoef ik daar geen tekeningetjes bij te maken.
Er is geen hoop. Of toch? Is de multiculturele samenleven springlevend, of is ze de illusie die we ons voorhouden om ons geweten te sussen? Als we de Walebeesten al van ons erf jagen, hoe gaan we dan ooit de anderen naast onze deur kunnen verdragen, laat staan begrijpen?