vrijdag 23 november 2012

Alle bommen en granaten



De eerste raketinslag doet heel Scherpenheuvel op haar grondvesten daveren. De adrenalinestoot die ik krijg, terwijl ik in mijn kookpot sta te roeren, doet pijn in heel mijn lichaam. Ik word er helemaal duizelig van. Heel even sta ik als verlamd met de houten lepel in mijn rechterhand, en dan lijkt het alsof mijn wereld in slow motion opnieuw in beweging komt. Ik zie hoe het deksel van de kookpot uit mijn linkerhand valt. Het raakt eerst de rand van het fornuis, klettert tegen de grond en tolt vervolgens rond op de tegels.

Wat was dat?
 
Dan gebeuren er verschillende dingen tegelijk. De hond, die ook van de eerste schok bekomen is, begint als gek te blaffen. Ik gooi de houten lepel, die ik nog steeds vasthoud, in het aanrecht, ren naar de achterdeur en trek ze open. Het geluid van gillende mensen en loeiende autoalarmen spoelt over me heen. Ik zie een dikke, witte rookwolk opstijgen. De inslag moet ergens op de Noordervest geweest zijn. Of misschien wel in de buurt van de Basiliek. Oh nee!
Zonder nadenken, zonder een jas aan te trekken, zonder te kijken of de hond niet samen met mij door het tuinhek ontsnapt, ren ik de straat op. Ik heb de reflex om te voelen of mijn gsm in mijn zak zit. Als bezetene ren ik de Rozenstraat op, in de richting van het centrum. Ik kruis het pad van een heel aantal paniekerige mensen.
 
Ik hoor de tweede raket nog voor ik ze gezien heb. Ze maakt een akelig, fluitend geluid, maar dit keer ben ik voorbereid op de inslag. Ik duik tegen de muur van het KSJ-plein, en maak mij zo klein mogelijk. Ik hoop dat de ontploffing niet te dichtbij zal zijn.
Het lawaai is oorverdovend. De mensen die in hun eerste paniek de straat waren opgelopen, verdwijnen samen met mij in een enorme grijze stofwolk. Het regent brokstukken. Ik kijk achterom en zie dat de raket het stadsmagazijn tot schroot heeft gereduceerd. Ook het huis van mijn buren op de hoek is voor de helft verdwenen. Enkele ogenblikken geleden liep ik nog op die plek. Ik ben niet zeker of de buren thuis waren of niet. Moet ik terugrennen om te kijken? Om hen te helpen?
Mijn instinkt drijft mij vooruit. De paniek stijgt als braaksel in mijn keel naar boven. Mijn twee jongste kinderen zijn op school. Ik moet hen zo snel mogelijke vinden, met mijn eigen ogen vaststellen dat ze niet gewond zijn, nog leven.
 
Wanneer ik op de hoek van de Rozenstraat met de Molenstraat aankom, zie ik de eerste gewonden die proberen het huis van dokter Pauwels te bereiken. Overal bekende en bebloede gezichten. Iemand klampt me aan en vraagt of ik Mia gezien heb. Ik weet niet over wie ze het heeft. De plek waar vijf minuten geleden nog de rotonde was met de fontein, is nu een gapend en dampend gat in de grond. Het verkeer is volledig tot stilstand gekomen. Auto’s zijn tegen elkaar gebotst. Overal liggen brokstukken, scherven, mensen. Meerdere huizen staan in brand.
Wie moet ik helpen? Wat moet ik doen? Ik ren naar de overkant van de straat, waar een vrouw tegen de gevel van de frituur zit. Ze beweegt nog, maar de man die naast haar ligt, heeft een gapende wonde in zijn achterhoofd. Oh nee, dit zijn vrienden van mijn ouders. Mensen die ik al heel mijn leven ken. Ik kniel naast hen neer.
‘Help mij,’ zegt de vrouw, en ze grijpt mij met zoveel kracht bij de mouw dat ik halvelings op haar val. ‘En maak mijne vent wakker, want hij is gevallen.’
Ze hoest en er komt bloed mee. Wanneer ze met de mouw van haar beige jas haar mond afveegt, staart ze naar de rode vlek die achterblijft.
Ik kijk op en zie overal mensen rennen en roepen. De ene ondersteunt of draagt de andere. Overal is er rook, stof en bloed.
 
Ik kruip recht en zet het opnieuw op een lopen. De derde raket passeert over mijn hoofd en slaat in op nog geen 200 meter van waar ik mij bevind. De impact doet het dorp opnieuw daveren. Dit keer word ik van mijn voeten geblazen en val met mijn schouder tegen een auto. Opnieuw regent het stenen. Ik zie ook andere ouders en grootouders die in paniek, krijsend of huilend, in de richting van de school rennen. Ik veeg mijn bebloede handen af aan mijn jeans. Mijn hart scheurt, want ik weet dat het ergste gebeurd is.
De raket heeft het huis vlak naast de lagere school in de Rozenkranslaan volledig van de kaart geveegd. De sanitaire blok op de voorste speelplaats, de klas van juf Connie en de gevel aan de kant van de refter zijn mee de lucht in gegaan. De hele noordelijke vleugel van de school staat in brand. Ik trek en duw mij een weg doorheen de menigte. Ik probeer de angst in de ogen van de anderen niet te zien, en tegelijk mijn eigen angst in een verre hoek van mijn bewustzijn weg te drukken. Ik kan maar aan één ding denken: Waar zijn mijn kinderen?
 
Eerst sta ik aan de grond genageld, maar dan kruip ik op de omheining, in een poging een overzicht te krijgen van de situatie. De chaos is onbeschrijflijk.
‘Wat moeten we doen, wat moeten we doen?’ hoor ik overal.
‘We kunnen die brand niet blussen, we hebben geen materiaal.’
‘Er liggen mensen onder het puin. We moeten ze helpen!’
Iedereen die kan, begint met blote handen brokstukken op te heffen. Vrouwen klauwen met hun bloedende vingers in het puin, mannen proberen samen grotere stukken beton te verplaatsen.
‘Dit is hopeloos,’ gilt iemand. ‘Liefvrouwke van Scherpenheuvel, nu is het moment om ons bij te staan!’
Van waar ik sta, kan ik niets doen om te helpen. Terwijl ik de ellende overzie, dringt er langzaam iets tot mij door: ik zie nergens kinderen. Mijn hart maakt een voorzichtige vreugdesprong.
Ik begin te roepen: ‘Mensen, luister naar mij, onze kinderen zijn hier niet! Mensen, luister!!!’
Niemand hoort mij.
 
Plots zie ik meester Danny, de directeur, verschijnen en op de omheining klimmen. Het zweet druipt van zijn hele lijf. Hij roept zo luid dat de menigte bijna meteen stil wordt.
‘Jullie kinderen zijn allemaal veilig,’ zegt hij. ‘We hebben ze kunnen evacueren naar de parking van de Mariahal. Er was niemand in de school toen de raket insloeg.’
De lenigheid waarmee ik over de omheining spring, verbaast me niet eens. De pijn in mijn schouder is verdwenen. Ik voel alleen opluchting. Wanneer ik mijn kinderen tegen mij aandruk, en hun tranen van onbegrip en verdriet wegveeg, weet ik dat mijn opluchting van korte duur zal zijn. Het is maar een kwestie van uren of dagen voor de volgende raketten een nog diepere kloof slaan tussen ons en onze aartsvijanden.

---

Dit fictief verhaal is opgedragen aan de mensen van Gaza, voor wie dit soort horror – helaas – werkelijkheid is. In de aanloop naar Internationale Dag tegen Geweld op Vrouwen (op 25 november) denk ik vooral aan de vrouwen in dit conflict, omdat zij hun dode kinderen, mannen en ouders wél met bloedende handen en harten vanonder het puin moeten graven.

 
(Foto's AFP/Getty Images) 
 
 

-----

Een reactie is welkom, mits goede manieren.   

1 opmerking:

  1. Ja, ze schieten er aardig op: ge kunt hun oorlogen al beginnen te nummeren.
    Vrede zullen zij krijgen, ook al moeten ze er voor vechten. Maar vergeet toch ook niet dat je met het V-teken gemakkelijk iemands ogen uit kunt steken.
    Ik ben na de oorlog geboren en wil dat graag zo houden.

    BeantwoordenVerwijderen