donderdag 26 maart 2009

Dagboek van een oorlog (10)

_
Woensdag 26 maart 2003

Vandaag heb ik foto’s gezien van mijn zee van bloemen. Een van de twee vrienden met wie ik tien dagen geleden op die mooie heuvel heb gezeten, ging eergisteren terug en maakte drie prachtige foto’s. Hij wou de herinnering vastleggen vooraleer de bloemen in de boomgaard verdwijnen. Het resultaat is adembenemend.

Gisteren is het in de loop van de namiddag weer beginnen sneeuwen. In de tijdsspanne van een uur waren alle wegen dichtgesneeuwd. En dat op het einde van maart. Ik heb het hier nog nooit meegemaakt.
Toen ik vanochtend de rolluiken optrok, zag ik de straat niet eens. De hele stad was bedekt met een melkwitte, dichte mist. De schoolbus kwam pas om negen uur opdagen, twee uur later dan normaal, en ik had een beklemmend gevoel toen mijn oudste kinderen opstapten. Alsof ik hen nooit meer zou terugzien. Ze zijn intussen weer veilig thuis.

Vanmiddag ging ik op bezoek in The Humane Center for Animal Welfare, de enige fatsoenlijke dierenwelzijnsorganisatie in Jordanië. Daar was ik getuige van het einde van een leven. Het leven van een achtien jaar oude, zwarte muilezel die door jarenlange ondervoeding en hard werken totaal op was. Hij kon niet eens meer op zijn poten staan.
Zijn eigenaar, een straatarme boer wiens economische overleving afhangt van dit dier, stond openlijk te huilen. Het was ijskoud, het sneeuwde, de ezel lag onder het afdak op een deken, zijn hoofd op een baal stro. Het was een surreële scène. Een situatie waarvan je je afvraagt of je er wel echt op staat te kijken.
Voor mijn ogen stortte de wereld in van een straatarme man. Hij zag zijn leven wegvloeien, samen met dat van zijn ezel. Hoe zal hij nu zijn velden ploegen? Hoe moet hij zijn oogst naar de markt brengen? Wat gaan zijn kinderen eten? Hoe moet het nu verder?
Terwijl ik naar hem keek, durfde ik amper de gedachtensprong te maken naar de slachtoffers in Irak, die ook liggen te sterven, voor wie ook tranen van onmacht en verdriet worden uitgestort.

Ik wil dit nog even kwijt over deze kloteoorlog. Ik ben verlamd door de gedachte dat zoveel mensen in de wereld denken dat wanneer je tégen de oorlog bent, je ook vóór Saddam zou zijn. Ik snap het niet.
Iedereen is het er over eens dat de bevolking van Irak het slachtoffer is geweest van de jarenlange tirannie van een magalomaan wiens machtslust geen grenzen kent. Hij heeft zijn volk geregeerd en geterorriseerd. Daar zijn we het allemaal over eens. Maar dat betekent niet dat om hen te helpen het nodig is om hen nog een beetje dieper in de wanhoop en de ellende te drukken.
Vandaag kreeg ik koude rillingen bij het zien van de beelden van de juichende mensen in de straten van Umm Qasr. Dagenlang had de wereld commentaar op de afwezigheid van de opgeluchte inwoners. Waarom liep niemand de geallieerde troepen tegemoet om hen te bedanken? Al die tijd was ik blij, fier zelfs, dat de mensen van Umm Qasr zich kloek en trots hielden. En nu… nu waren de beelden er plots toch.
Ik droom van de tijd toen er nog geen televisie was, toen je nog niet kon zien wat er gaande was, dat er niets anders op zat dan het einde van de oorlog af te wachten en te hopen dat jouw kant gewonnen had.
Misschien ben ik wel een lafaard.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen