zondag 15 maart 2009

Dagboek van een oorlog (5)

_
Zaterdag 15 maart 2003

Vanochtend kreeg ik een email van mijn zus waarin ze schrijft dat het maandag, dinsdag of woensdag gaat gebeuren. En dat terwijl ik gisteren nog even gegrepen werd door de illusie dat het er nooit van komt. Ik weet natuurlijk ook dat die oorlog er gewoon wél komt, maar ik vind dat men nooit de hoop mag opgeven dat de pure goedheid of de rede dan toch de bovenhand haalt.

Afgelopen donderdag had ik een vergadering bij een nieuwe klant. Jane Taylor is een Engelse fotografe die al veertien jaar in Jordanië woont. Net zo lang als ik. Zij wil de vrije tijd, die de (nakende) oorlog haar geeft, gebruiken om eindelijk een website te maken. Ze kan nu toch niet rondtrekken.
Haar werk is zeer gevariëerd en boeiend. Zo heeft ze bijvoorbeeld in Irak een aantal fotoreportages gemaakt. Fantastische beelden. Terwijl we samen haar archieven doorzochten om te zien welke foto’s in aanmerking komen voor de website, maakte ik de bedenking dat we met deze momentopnames over enkele weken misschien een venster naar het verleden hebben. Een soort van fotografische teletijdmachine. De mensen en gebouwen bestaan dan misschien niet meer. Het lachende jongetje met zijn vuile gezichtje zal het mogelijk met zijn leven bekocht hebben. De prijs van de oorlog tegen de terreur zal voor hem veel te hoog zijn geweest.

Ik had besloten om dit weekend niet aan het conflict te denken. Na mijn bezoek aan Jane had ik er even genoeg van. Gisteren ben ik met twee vrienden een ritje gaan maken. Aan het begin van de namiddag zei ik dat we een zee van bloemen moesten vinden op de top van een hoge heuvel. Alleen daar zouden we tijdelijk kunnen ontsnappen aan de realiteit die ons allemaal te wachten staat.
Gemakkelijker gezegd dan gedaan. Begin hier in Jordanië maar eens naar een zee van bloemen te zoeken. Gelukkig is er deze winter veel regen en sneeuw geweest en is het landschap groener dan ik het ooit al gezien heb. Wat kan het hier toch pijnlijk mooi zijn.
We haddden de hoop al bijna opgegeven, toen we na twee uur op een heel smal weggetje terecht kwamen langs een lage, scheefgezakte muur. Achter die muur bevond zich een grote boomgaard vol met oude, statige olijfbomen.
Vlak bij de weg, onder één van de bomen, stond een ezel te grazen. En naast de ezel stond een oud vrouwtje, verrimpeld en versleten van een leven lang werken in de hete zon, hout te hakken.
Tot onze verbazing was de grond van de hele boomgaard bedekt met paarse en roze bloemen. Ik geloof niet dat ik in mijn hele leven al zoveel bloemen bij mekaar heb gezien. Onvoorstelbaar.
Ahlan wa sahlan,’ zei het vrouwtje toen we vroegen of we in haar boomgaard mochten rondwandelen, wat welkom betekent.
We hebben een uur lang in volledige stilte op de grond gezeten in deze zee van bloemen. Vanop het hoogste punt van de boomgaard hadden we een adembenemend zicht op de Dode Zee, de Jordaanvallei en in de verte Jerusalem. Wat leek het daar vredig, op de heuvels aan de overkant. Een echt bijbels tafereel.
’s Avonds, toen ik weer thuis was en op BBC World naar het nieuws keek, zag ik beelden van hoe er die namiddag op diezelfde heuvels dood en vernieling gezaaid was door zwaar gewapende Israëlische soldaten.
De wondermooie stilte van mijn bloemenzee is nu enkel nog een herinnering. Komt er dan nooit een einde aan de pijn in deze regio?

www.janetaylorphotos.com


Lees ook: Dagboek van een oorlog (6)
_

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen