vrijdag 20 maart 2009

Dagboek van een oorlog (7)

_
Donderdag 20 maart 2003

De aanvallen zijn begonnen. Toen ik om vijf uur vanochtend opstond om de verwarming aan te zetten, kon ik niet aan de verleiding weerstaan om even naar BBC World te kijken.
Ari Fleischer, de woordvoerder van het Witte Huis, was net klaar met een statement. Terwijl de commentator nog even samenvatte wat Fleischer had verteld, schakelde het beeld al over naar George Bush, die zich opmaakte om zelf het woord te nemen. Een kapster was ijverig in de weer om zijn haar met kam en spuitbus te cementeren. Bush maakte ondertussen een grapje met de mensen van de cameraploeg en het geluid.
Terwijl ik zat te kijken, moest ik plots denken aan neuroloog Oliver Sacks. In zijn boek The Man Who Mistook his Wife for a Hat beschreef hij een incident in een psychiatrisch ziekenhuis waar hij werkte. Op een dag ontstond er grote opschudding in de gemeenschappelijk televisiekamer. Een aantal patiënten keken samen tv en waren in een hysterische lachbui uitgebroken. Toen Sacks en het verplegend personeel bezorgd kwamen toegelopen, bleek dat de patiënten naar een toespraak van toenmalig president Ronald Reagan zaten te kijken. Zonder geluid!
Sacks legde in zijn boek uit dat communicatie bestaat uit veel meer dan alleen maar het gesproken woord. Een overtuigende speech heeft ook met lichaamstaal te maken en als dusdanig ook met lichamelijke geloofwaardigheid. En die geloofwaardigheid was bij Reagan duidelijk ver zoek.
Toen ik president Bush bekeek, moest ik – ondanks de pijnlijke redenen waarom hij op mijn scherm was verschenen – toch een glimlach onderdrukken.

Maar natuurlijk vergaat het lachen ons hier allemaal wanneer we denken aan het feit dat het wachten nu voorbij is. Nochtans is er vanuit het raam van mijn flat nog steeds weinig te merken van enige spanning in Amman. Er zijn minder mensen op de been, dat wel. Zelfs bij de kapper was er bijna niemand. Maar ik neem aan dat weinig mensen van plan zijn om vanavond op stap te gaan. Iedereen wil tv kijken. El Jazira, Jordan Television of CNN.
Vanochtend werd er in de Jordan Times nog met geen woord gesproken over de vroege aanvallen op Baghdad. De krant was waarschijnlijk al ter perse gegaan toen de aanvallen begonnen.
Wat er wel in stond was een artikel over het vluchtelingenkamp in Ruweished, aan de Jordaans-Iraakse grens, opgezet door de Rode Halve Maan. Daar kwamen gisteren zes families toe. Mensen die al twintig jaar in Baghdad wonen, maar nu toch het zekere voor het onzekere nemen.
‘We zullen wel teruggaan wanneer alles achter de rug is,’ zei een van de mannen.

Mijn oudste kinderen hoefden niet naar school vandaag. De Public Security Department (zoals de politie hier heet) raadde onze school aan om de poorten dicht te houden op de eerste dag van de aanvallen. Omwille van de buitenlandse leerlingen en leerkrachten. De politie zal ons adviseren wanneer het weer veilig is om de lessen te hervatten.
Wat een onzin. Op die manier maak je pas een doelwit van de school. Bovendien hebben vierenzestig procent van de leerlingen het land al verlaten. Het is allemaal onnodige paniek.
Ik maak me daar verschrikkelijke druk om, terwijl mijn oudste kinderen het gewoon fijn vonden om onverwacht een dagje vrij te hebben.
De volgende uren en dagen zal heel Jordanië aan de televisie gekluisterd liggen. Hoe is het mogelijk dat we zo’n informatiehonger hebben ontwikkeld? Vroeger werden oorlogen gevoerd, verloren of gewonnen, en enkel de overlevenden konden er nog iets over navertellen.
Nu heeft elke tv-zender zijn eigen man of vrouw in Bagdag en wacht de wereld met ongeduld op elk kruimeltje nieuws dat in onze richting wordt gegooid.

Trouwens... wat zou er van Peter Arnett van CNN geworden zijn? Ken je hem nog? Hij was tijdens de vorige Golfoorlog de laatste reporter die nog vanuit Bagdad mocht verslag geven.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1).
_

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen