woensdag 30 september 2009

Kinderen van het Prattenborgplein (1)

_
Gisteren had ik het eerste gesprek ter voorbereiding van mijn verhalen over het Prattenborgplein in Scherpenheuvel. Het is de bedoeling om een periode uit de geschiedenis van mijn dorp te beschrijven aan de hand van de getuigenissen van de mensen die daar woonden tussen 1945 en 1950, zo ongeveer. Waarom precies die tijdspanne? Mijn moeder woonde daar, met haar ouders en twee zussen, en heeft kleurrijke herinneringen aan haar kindertijd.
Tien dagen geleden, toen ik op een ochtend bij haar op bezoek was, vroeg ik haar om het huis te beschrijven waar zij woonde. Wat volgde was een verhaal van anderhalf uur waaruit ik de conclusie trok dat het hoog tijd is om dat allemaal eens op te schrijven. Om de mensen die nu dood zijn terug tot leven te wekken, al was het maar voor even, en de kinderen, die nu tot de oudere generatie van Scherpenheuvel behoren, opnieuw te laten ravotten en spelen op de kasseien van de straat.

Het Prattenborgplein bestaat al sinds mensenheugenis. Wanneer je op de kaart van Ferraris, de Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden uit 1777, gaat kijken in de Koninklijke Bibliotheek van België, dan zie je de contouren duidelijk afgelijnd onder de Porte de Diest. Huizen waren er toen nog niet, alleen velden, want dat hele gebied lag net buiten de stadsvesten. Maar op de kaart staat wel een constructie getekend, iets dat in mijn verbeelding een beetje op een obelisk lijkt.
Op de kadasterkaart van Popp (Plan parcellaire de la commune de Mont-Aigu, 1842-1879) was het plein intussen dichtbevolkt. Aan de zuidkant staan duidelijk de drieëntwintig huizen die er aan het einde van de tweede wereldoorlog ook nog zouden staan. Zelfs op de kant, zoals een deel van de noordzijde van het plein werd genoemd, waren een aantal arbeidershuisjes gebouwd. Zeven, in die tijd. En iets meer naar het oosten, in de richting van Diest, stonden nog vier huizen. Later zouden er daar nog een hele hoop bijkomen.
Het plein wordt ook vandaag nog gewoon de gemeente genoemd (de gemainte). Waar die naam vandaag komt, weet ik niet, maar je kan hem wel al terugvinden op de kaart van Popp. Ook de namen Prattenberg en Pratten borg, in twee woorden, staan er op. Historici of mensen die beter bevoegd zijn dan ik, kunnen dat waarschijnlijk allemaal in een mooie uitleg gieten.

Hoeveel Oude Markten, Kerkpleinen of Graanmarkten zouden er niet bestaan in Vlaanderen en Nederland? Wel, er is maar één Prattenborgplein in de wereld. Ga maar kijken. Vandaag de dag ligt de gemeente er een beetje levenloos bij. Er zijn bij wijze van spreken enkel nog twee cafés, een bakker en een kruidenierswinkeltje. Het zal er in de volgende jaren niet beter op worden, aangezien de ring rond de kerk door herstructurering binnenkort verkeersluw wordt gemaakt en alles en iedereen via het Prattenborgplein zal worden omgeleid.
Vroeger bruiste de gemeente van het leven. Het krioelde er van de kinderen die op straat en in elkanders huizen speelden. Scherpenheuvel was al eeuwenlang een bedevaartsoord en de lokale bevolking bestond uit commercanten en arbeiders. Zeker op het Prattenborgplein was dat zo. Eind jaren veertig waren misschien wel de helft van de inwoners mijnwerkers. De andere helft had een winkel of café.
Toen de oorlog voorbij was en de Duitse bezetting achter de rug, heerste er een sfeer van opluchting en optimisme. De mensen hadden het niet breed, maar er was solidariteit. Iedereen deelde hetzefde lot en dat bracht de mensen van de gemeente samen. Niemand was beter of slechter dan zijn buurman en als iemand iets nodig had of in de pinarie zat, schoot er wel altijd iemand ter hulp. Het was een buurt van vriendschap en verwandschap zoals er nu nog maar weinigen bestaan. Ik heb heimwee naar die tijd. Misschien omdat ik hem nooit gekend heb.

Er zijn heel veel kinderen van het Prattenborgplein die vandaag nog hun verhaal kunnen doen. Bij deze zijn ze gewaarschuwd: ik rook jullie allemaal uit. Het eerste gesprek heb ik al gehad. Met Marianne Vervoort, mijn moeder, en Julia Jacobs, haar buurvrouw. Twee uur heeft het geduurd en het heeft me doen inzien dat ik waarschijnlijk niet weet waar ik aan begin. Het luisteren en schrijven is geen probleem, maar hoe zal ik dat allemaal in verstaanbare verhalen gieten. Ik heb er alle vertrouwen in dat ik het zal leren. Tout ce qui est difficile devient facile grâce à l'apprentissage.

Telkens ik een stuk geschreven heb, zal ik het hier op mijn weblog zetten. Dan kunnen mijn lezers commentaar geven en suggesties doen. Met welke frequentie ik zal schrijven weet ik nog niet, maar ik ga toch proberen er een zekere regelmaat in te houden. Ik zal beginnen met de beschrijving van de drieëntwintig huizen aan de zuidkant van de gemeente. De vrouwen, mannen en kinderen die daar woonden en wat ze deden. Het kruidenierswinkeltje van Jo Kwak, café In de Congo, de kamion van Musse Hendrick, de textielwinkel van Mein Pai en een bonte bloemlezing van mensen als Tin van de Zwette van Wachtebeke, de Ku de Paris, Karlien, Marieke Nep, Nar en de Balte (om er maar een paar te noemen) zullen de revue passeren. Op die manier hoop ik de kinderen en de verhalen te vinden die bij de huizen passen.
Het betreft geen exacte wetenschap, maar het collectieve geheugen van een dorpsplein. Ik zal hier en daar iets met de mantel der liefde toedekken en alleen datgene overhouden en beschrijven dat echt relevant is voor de reconstructie van een tijd en plaats die al lang niet meer bestaat.

Help mij, Scherpenheuvel.
_

dinsdag 22 september 2009

Aspelare

_
Het was een maandagnamiddag in september toen mijn vader mij kwam halen om naar Aspelare te rijden. We hadden er een halve dag voor uitgetrokken en mijn zus, die ook mee ging, had zelfs verlof genomen. De rit zou twee uur duren, zei hij, maar onderweg bleek al snel dat we een half uur te vroeg op onze afspraak zouden arriveren.
Aspelare ligt in Oost-Vlaanderen, dichter bij Ninove dan bij Zottegem. Ik was er nog nooit geweest. Mijn vader wel en dat was precies de reden waarom we er naartoe gingen. Om herinneringen op te halen, in de hoop daarmee de cirkel van zijn leven wat ronder te maken.
In september 1945, vlak na de oorlog, was mijn vader, Walter, tien jaar oud. Hij was de oudste van vier kinderen en woonde samen met zijn hoogzwangere moeder, broer en zus in bij zijn grootouders.
Zijn moeder was afkomstig van Wondelgem, bij Gent, maar was na haar huwelijk in Berchem komen wonen. Ze wilde terug naar haar geboortedorp en trok, samen met haar kinderen, in bij haar oom en zijn gezin. Al snel bleek dat het huis veel te klein was voor zoveel groot en klein volk. Er moest naar een alternatieve oplossing gezocht worden.
Een tante van mijn vader had een dochtertje dat school liep in het Regina-Caelilyceum in Dilbeek. Via de non die les gaf aan haar dochter had die tante een oproep gedaan bij de ouders van de leerlingen in de hoop een pleeggezin te vinden dat ertoe bereid was een kind tijdelijk op te vangen. Daar kwam onmiddellijk reactie op. De weduwe Van Ongeval uit Aspelare stelde zich kandidaat om de jonge Walter voor minstens een jaar in huis te nemen. Haar man zaliger was pachter geweest en had haar heel wat grond nagelaten. Op die manier slaagde ze er behoorlijk in om haar drie dochters, José, Simone en Henriette (Jet) op te voeden en ze vond dat er nog plaats over was voor een extra ziel. Dat ene jaar bij de familie Van Ongeval is er uiteindelijk twee geworden.

Het was Simone die opendeed. Voorovergebogen en leunend op haar stok stond ze in het deurgat te glunderen. Ze zag er veel ouder uit dan ik had verwacht en straalde een kwetsbaarheid uit waarop ik niet was voorbereid. Dat we te vroeg waren vond ze helemaal niet erg, zei ze, en ze riep over haar schouder de gang in: ‘José, onze Walter is hier!’ Toen ik haar een hand gaf, voelde ik mij meteen schuldig dat ik zo hard geknepen had.
José, met haar tweeëntachtig jaar de oudste van de zusters Van Ongeval, kwam ons tegemoet en begroette ons allemaal hartelijk. Ze leidde ons de woonkamer binnen, waar alles in gereedheid gebracht was voor ons bezoek. Mijn vader was een maand eerder al eens op verkenning gekomen en had meteen een nieuwe afspraak gemaakt om met zijn eigen dochters terug te keren.
In een mum van tijd zaten we met dertien mensen rond de tafel. Geraardbergse mattetaarten, hete koffie en een levendig, driedimensionaal puzzelstuk uit mijn vaders verleden. José en Simone hebben heel hun leven samen in hun ouderlijk huis gewoond en met een beetje genade mogen ze er ook sterven. Jet heeft aan haar huwelijk drie kinderen en zes kleinkinderen overgehouden. Zij was met een deel van hen ook present. Tot ieders verbazing konden we het quasi ogenblikkelijk met elkaar vinden. Alsof onze gedeelde geschiedenis een verwantschap had gekweekt die tijd en ruimte oversteeg.

Simone haalde een zwart-witfoto boven. Ze had er hard naar gezocht. Er stond een blonde, verlegen jongen op. Ik herkende hem meteen van de twee, drie andere oude foto’s die ik vroeger van mijn vader al had gezien. Hij droeg een keurig pakje, een vest en korte broek. Zijn dikke wollen kousen had hij, zoals het toen hoorde, tot onder zijn knieën opgetrokken en ook al kon ik de kleur van zijn schoenen niet zien, had ik het vermoeden dat ze bruin moeten geweest zijn.
‘Die foto is hier vlak naast het huis getrokken,’ zei Simone en het vergde me enige moeite om mijn emoties te verbergen. De tienjarige jongen die mijn vader ooit was, het kind dat ik nooit zal ontmoeten, liep door de gangen van dit huis, speelde in deze tuin en rende door de velden van dit dorp met jonge meisjes die nu oude vrouwen zijn.

Het afscheid ging gepaard met de belofte van een nieuw bezoek. Ilse, de dochter van Jet, zei dat we op Facebook voortaan contact kunnen houden. José en Simone wuifden ons uit aan de voordeur. We reden de straat uit en passeerden het schooltje waar mijn vader ooit de schoolbanken deelde met andere kinderen van deze Oost-Vlaamse gemeente.

Natuurlijk ben ik dankbaar voor deze ontmoeting en voor de warmte waarmee mijn vader, zus en ik ontvangen werden. Maar veel meer nog ben ik dankbaar voor de generositeit waarmee José, Simone, Jet en vooral hun moeder vierenzestig jaar geleden geheel belangenloos een kind hebben opgevangen dat hun vriendschap en liefde nodig had. Ze hebben een stukje van zichzelf gegeven dat mijn vader na al die jaren nog steed in zich draagt. En dat schept een band. Blijkt nu dat ik familie heb in Aspelare.
_

woensdag 9 september 2009

Onthaalmoeder van de strakke lijn

_
Een onthaalmoeder die het nazistische gedachtengoed propageert. Ik dacht dat we in België al veel gezien hadden, maar dit slaat echt nergens op. Voor de ouders van ‘haar’ kindjes is dit bijzonder slecht nieuws. Niet in het minst omdat zij nu best op zoek gaan naar andere opvang. Begin er maar eens aan. Als Hoboken op dat vlak te vergelijken is met Scherpenheuvel-Zichem zijn de kinderen nog niet meteen onder dak. Reden misschien waarom sommige ouders geen andere keuze hadden en deze vrouw uitkozen om op hun kroost te passen.
Tenzij er nog steeds mensen zijn die niet weten wat het betekent wanneer iemand een portret van Hitler in zijn woonkamer hangt. En de levensechte, knalgele vlag van het VMO dan? Misschien zien ze die wel hangen, maar weten ze niet wat de Vlaams Nationalistische Orde precies was, een paramilitaire actiegroep die door middel van rellen, herrieschoppen en zelfs geweldplegingen het extreemrechtste gedachtengoed uitdroeg naar de burgers. Dat er bij tijd en wijlen een militant het leven of een oog verloor was geen punt voor de leiders van het VMO.
Bert Eriksson, van wie in de Hobokense huiskamer ook een portret hangt, was de voorzitter van deze organisatie in de jaren zeventig, tot aan zijn veroordeling in 1981 wegens vorming van een privémilitie. Hij hield er de bizarre drang op na om de lijken op te graven van Vlaams-nationalistische leiders die in het buitenland de dood hadden gevonden om hen hier in Vlaanderen een nieuwe bestemming te geven!
Veel aanhangers van het VMO zijn eind jaren zeventig, begin jaren tachtig overgestapt naar het kersvers opgerichte Vlaams Blok (nu Vlaams Belang), wanneer bleek dat hun leiders banden bleven onderhouden met de Volksunie van Vic Anciaux, dat stilaan een linksere koers begon te varen. (En het is uitgerekend datzelfde Vlaams Belang dat gisterenavond de onthaalmoeder en haar man uit hun partij hebben gegooid.)

Er zijn vandaag mensen in Vlaanderen die zich afvragen wat nu precies het probleem is met deze onthaalmoeder. Wat het gevaar is voor de kinderen waarover zij zich ontfermt. ‘Die kindjes zijn toch veel te klein om daar de nadelige gevolgen van te ondervinden,’ merkte gisteren iemand op. Hier is een vrouw die beweert (en ik citeer letterlijk uit het interview) dat Hitler een intelligente man was die gezorgd heeft voor een aantal oplossingen voor de Duitse burgers, die zich dag na dag meer benepen voelden door de groeiende invloed van de joden in hun land. Precies wat er hier aan het gebeuren is met de Turken en de Marokkanen. ‘Den Islam pakt ons werk en onze leefruimte af,’ zegt ze. Misschien wacht ze wel op een nieuwe Führer om hier orde op zaken te komen stellen. De fascistische reliquiën in haar huis zijn er, zoals de reporter terecht opmerkt, niet ter decoratie, maar duiden op een diepgewortelde nostalgie voor het oude nazisme.
Geen probleem voor kleine kindjes, zegt u? Hitlers visies waren fenomenaal, aldus de onthaalmoeder. Zo creëerde hij de Hitlerjugend, waar kinderen schoon konden worden ingezet om opnieuw te leren luisteren naar hun ouders. Want kinderen worden vandaag de dag niet meer fatsoenlijk opgevoed. Zelfs Kind en Gezin verkondigt nu schijnbaar al de vrije opvoeding. Stel je voor: eten en slapen wanneer ze maar willen. Baby’s durven nogal iets eisen van hun ouders. Nee, laat ons dan maar terugkeren naar de tijd toen jongens nog werden grootgebracht tot hersenloze vechtersbazen en meisjes tot broedmachines van een samenleving die de gewetenloosheid tot schoonheidsideaal had verheven.

Hitler, de fenomenale en intelligente man die door de Hobokense onthaalmoeder wordt opgevoerd als hét symbool van de door haar zo begeerde strakke lijn, zei ooit in een interview: ‘Mijn pedagogiek is hard. De jeugd moet gewelddadig, wreed en onverschrokken zijn. Pijn en moeite moet zij kunnen verdragen. Er mag niets zwaks en teers aan haar zijn. Het zwakke moet weggeslagen worden.’
_