zondag 3 november 2013

Heilige huisjes

'Heilige huisjes' van de hedendaagse Nederlandse
schilder Herbert Immer Willems
We hebben er een aantal in Scherpenheuvel. Heilige huisjes waartegen niet mag geschopt worden. Doe je dat toch, dan riskeer je publieke vierendeling of een andere tuchtmaatregel. Ik bedoel dat natuurlijk niet letterlijk. Al bij al valt het met de lijfstraffen in mijn dorp nog behoorlijk mee. Ik spreek uit ervaring. Ik heb al heel veel stoute dingen gezegd en gedaan, en toch mocht ik onlangs – Hilterfilmpje en andere kolder ten spijt – op de shortlist staan voor de Cultuurprijs 2014, in mijn hoedanigheid als auteur van De Madonna’s van Scherpenheuvel. Dank aan iedereen die mij kandidaat stelde en eveneens dank aan eenieder die voor mij stemde. Toch prijs ik mijzelf gelukkig dat ik niet op de eerste plaats geëindigd ben. Die eer kwam namelijk toe aan Bert ‘the Voice’ Voordeckers. Niet omdat hij finalist was in een liedjeswedstrijd, maar omdat hij van zingen houdt en het nog heel goed kan ook. Hij belichaamt Scherpenheuvel op zijn geheel unieke manier, en draagt dat gevoel uit naar de wereld. Daar krijgt hij volgend jaar, bij de prijsuitreiking, van zijn dorpsgenoten eindelijk de erkenning voor die hij verdient en daar ben ik blij om.

Er zijn een aantal waarden die Scherpenheuvel maken tot wat het doorheen de geschiedenis altijd geweest is. Centraal in dat verhaal staat uiteraard Maria. Zonder Haar zou noch het bedevaartsoord, noch het dorp er ooit gekomen zijn. Zij is de magneet die de mensen naar hier lokt. Ook de schitterende basiliek, waarin het genadebeeld van ons Liefvrouwke zo elegant gehuisvest is, speelt een grote rol. Niet alleen de geschiedenis van het gebouw, maar ook de fysieke vorm die het in de ruimte inneemt, hebben een tastbare betekenis in de levens van mensen. Je komt er niet alleen binnen, je mag er ook thuiskomen… als je dat wil.

En dan zijn er de kerkelijke tradities, de ijkpunten tijdens het jaar waarop bedevaarders en parochianen hun klok gelijk zetten. De twee belangrijkste momenten zijn zonder twijfel de opening van het bedevaartseizoen op 1 mei en de afsluiting op de eerste zondag van november, wanneer de Kaarskensprocessie uitgaat. Op die dag wordt het genadebeeld door de parochiepriester eigenhandig door de straten gedragen. Een zeldzaam moment waarop Maria de begrenzing van Haar heiligdom verlaat. Wie mee wil stappen, mag dat. Maar de interesse is niet meer wat ze ooit geweest is. Weten de mensen nog wel waarom die processie (vandaag al voor de 385e keer) uitgaat? Misschien is de meer correcte vraag wel: is dat nog belangrijk? Het aantal mensen dat nog om de religieuze betekenis van deze processie naar Scherpenheuvel komen is bij wijze van spreken op één hand te tellen. De rest loopt erbij om andere redenen.

En die andere redenen hebben alles te maken met de folklore van Scherpenheuvel, alles wat buiten de deuren van de basiliek gebeurt, maar ook bijdraagt tot de aantrekkingskracht. De wafels, de kaarsen, de jaarmarkt, de molentjes, de kraampjes. Zij lokken tegenwoordig meer dagtoeristen dan de basiliek zelf. Toeristen die zelfs in de 21e eeuw met veel plezier op daytrip komen, de moderne versie van de bedevaart, met de autobus, de wagen, de fiets en sporadisch ook nog te voet. De folklore is gegroeid samen met het bedevaartsoord. Snuggere commerçanten verkochten al zelfgemaakte paternosters en Mariabeeldjes toen er op de scherpe heuvel alleen nog maar een eikenboom stond.

Maar alles is eindig. Alles is gedoemd tot uitsterven. Ook folklore. Wanneer je de vleugels van een vogeltje afsnijdt, dan mag het nog zo enthousiast tsjilpen en met verlangen in het hart naar de blauwe lucht staren, vliegen zal het nooit meer doen.  Zo vergaat het ook de folklore van Scherpenheuvel. De horeca wordt door het stadsbestuur met strakke reglementen, taxen en beperkingen aan banden gelegd, wat ervoor zorgt dat de restaurants en tavernes een voor een de deuren sluiten. Het gebrek aan een ondubbelzinnig en kordaat parkeerbeleid zorgt voor wrevel en ongemak bij winkeliers, inwoners en bezoekers. Bij het toekennen van plaatsen op de jaarmarkten krijgen de handelaars van buitenaf voorrang op de eigen handelaars. En misschien nog wel het ergst van al: een doelbewust uitdoofbeleid bezegelt stilaan het tragische lot van het meest zichtbare volksgebruik in Scherpenheuvel: de kraampjes.

Heilige huisjes zijn er om tegen te schoppen. Ook in Scherpenheuvel. Afleren zal ik het nooit.

-----


Een reactie is welkom, mits goede manieren.



  

vrijdag 20 september 2013

Erotiek aan de basiliek

Er doet een verhaal de ronde over een zwervende straatartiest en krachtpatser die aan de kost komt met voorstellingen waarin hij aan zijn verbaasde publiek toont hoe hij met zijn borstspieren een ketting kan breken die strak rond zijn borstkas zit. Hij is een woesteling en een echte klootzak, die iedereen uitscheldt en zonder reden het leven zuur maakt. Toch slaagde hij erin een moeder te overtuigen om haar dochtertje aan hem te verkopen. Het kind toert samen met hem rond en wandelt langs het publiek met de pet waarin mensen na de voorstelling hun centje deponeren. Het is een schattig en naïef meisje, met een onbegrijpelijke onderdanigheid en trouw aan de bruut die haar constant afblaft, haar psychisch misbruikt en haar nauwelijks te eten geeft.
 
Het klinkt als een modern drama. Weer een man die een kind mishandelt. Weer een moeder die omwille van de armoede of de loempigheid haar eigen kind voor de leeuwen gooit. Maar nee, dit is de plot van de roadmovie La Strada uit 1953 van Federico Fellini, de prent die paus Franciscus gisteren noemde als zijn lievelingsfilm. La Strada is volgens sommige filmcritici Fellini’s grootste meesterwerk, maar sta mij toch toe verrast te zijn dat Franciscus niet The Song of Bernadette bovenaan zijn favorietenlijstje heeft staan. Probeert hij daarmee een bonuspunt te scoren? Wie weet was hij wel eerlijk tijdens het interview. Of misschien was het gewoon de nieuwste publiciteitsstunt van een paus die zich toch o zo graag als vergevingsgezind toont, want iedereen die iets van film kent, weet dat Fellini de katholieke kerk maar al te graag als huichelachtig afschilderde.
 
Franciscus deed deze bekentenis tijdens een uitgebreid interview in het Italiaanse religieuze tijdschrift La Civiltà Cattolica, waar heel wat ophef over ontstond. De manier waarop sommige nieuwsmedia over het interview berichtten, deed uitschijnen dat Franciscus revolutionaire nieuwe uitspraken had gedaan over homoseksualiteit en abortus. (Heel even beeldde ik mij in hoe verdoken Scherpenheuvelse homo’s met opluchting uit de kast zouden springen. Spring maar, zou ik zeggen, want wie heeft daar nu de toestemming of goedkeuring van de paus voor nodig.) Maar niets is minder waar. Toch onderscheidt hij zich van zijn voorganger door te zeggen dat hij elk mens als een individu wil bekijken, omdat een biechtstoel geen martelkamer is. Als iemand bereid is zich aan God over te geven, dan is het aan de betrokken priester om de oprechtheid van die persoon te evalueren, en niet een oordeel te vellen over zijn seksuele geaardheid of daden uit het verleden.  
 
Nu ja, dat zijn mooie woorden, maar de praktijk is in de meeste gevallen anders. Deze paus is niet aan zijn gat gedoopt, zeggen ze in Scherpenheuvel, en het PR-apparaat dat hij heeft ingehuurd speelt volledig in op zijn zachtaardige imago. Wat doet het toch deugd om naar hem te kijken en te denken: ‘Het gaat eindelijk de goede kant op met de katholieke kerk!’ Ik betrap mijzelf op die overpeinzing telkens ik naar een foto van hem kijk. Misschien is dit zo’n geval waarvan je kan zeggen: het is ’t gedacht dat telt.

Bron foto: Noordhollands Dagblad
Welke diepere betekenis heeft de hedendaagse kerk nog in het leven van Jan- of Jeanne-met-de-pet? Ik weet wat ze voor mij betekent, maar wie ligt daar vandaag de dag nog van wakker? In ieder geval niet de jongeman die binnenkort in de schaduw van de Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel een heuse schandaleuze seksshop opent. Ik heb uit goede bron vernomen dat de erotiek namelijk definitief haar intrede doet in het bedevaartsoord. Het is een kwestie van dagen of weken vooraleer u behalve een paternoster of een heiligenbeeldje ook een dildo zal kunnen kopen wanneer u op bedevaart komt. Vraag is alleen of u die ook zal kunnen laten wijden door de onderpastoor van dienst, om u tijdens het gebruik van mogelijk malheur te vrijwaren. Of zou dat toch een stap te ver zijn voor de moderne katholieke kerk?   


-------
Een reactie is welkom, mits goede manieren.

donderdag 11 juli 2013

55 Fiction

Een tijdje geleden organiseerde Ruth Joos tijdens haar programma op Radio 1 de schrijfwedstrijd 55 Fiction. Bedoeling was een kortverhaal te schrijven van maximum 55 woorden, titel niet inbegrepen.

Dit was mijn inzending.

---  

Zomer

Opgewekt leunt Amy over het lage tuinhek.
'Ik word vandaag zoveel jaar,' zegt ze en steekt vier vuile vingertjes in de lucht.
Haar vader verschijnt op het verwaarloosde terras, bierflesje in de hand.
'Val de buurvrouw niet lastig!' roept hij nijdig.
Amy fluistert: 'Toen mama een engel werd, heeft ze van papa een duivel gemaakt.'
   

 
 
    



zaterdag 1 juni 2013

Erkentelijkheid

Gisterenavond werd mijn boek De Madonna's van Scherpenheuvel voorgesteld tijdens een mooie, artistiek gevulde avond in De Heerlyckheid in Scherpenheuvel. Er was veel volk, er werd voorgelezen, gezongen, gesproken, gelachen en zelfs door heel wat mensen een traantje gelaten.

Ik kreeg de kans om alle mensen te bedanken die hebben meegeholpen bij het tot stand komen van deze avond en mijn eerste boek. Want de tekst van een boek schrijf je in je eentje, maar voor de geboorte heb je hulp nodig! Ik publiceer hier de speech zoals ik hem had voorbereid. Dat hij hier of daar anders klinkt dan de versie van gisterenavond, schrijf ik gemakkelijkheidshalve toe aan de emotie en verwarring van het ogenblik.
 
Acteurs
·       Marleen Thuys, in het echte leven leerkracht van het 6e leerjaar en juf van mijn 2 jongste kinderen, die de hele voorstelling gedragen heeft met haar mooie stem.
·       Emma Wyndaele, enthousiaste vrijwilliger van het laatste uur, die met haar ravissante verschijning gestalte gaf aan Lowiske.
·       Mijn zus An Mertens, die een levensechte Isabelle neerzette, zoals ze hier in Scherpenheuvel nog nooit vertoond werd. Ook dank ik haar voor de eindredactie van het boek. Nog eens mijn excuses voor de 400 overbodige komma’s die je met veel geduld uit de tekst hebt gevist.
   
Zangers
Gust Deflem en Jef Beutels, allebei bestuursleden van Erfgoed Scherpenheuvel, die er met hun warme stemmen en al even warme songkeuze een onvergetelijke avond van gemaakt hebben!
  
Kaarkatten
Jullie hebben het misschien al gemerkt, maar er lopen hier 2 schichtige figuren rond, die jullie met listige ogen in de gaten houden. Zij zijn de Kaarskatten. Sinds mensenheugenis werd de invalsweg naar de kerk min of meer bezet door een schare vrouwen die kaarsen en andere religieuze prullaria en diensten probeerden te slijten aan de pelgrims. Gehuld in zwarte kapmantels klampten ze de bezoekers aan en vielen hen lastig. Zo verwierven ze de bijnaam Kaarskatten, als waren ze krolse kattinnen die de bedevaarders in het voorbijgaan besprongen. Ik ben niet zeker dat Julia Jacobs en Greta Wittevrouw bereid zijn zo ver te gaan in hun vertolking van de inmiddels uitgestorven Scherpenheuvelse Kaarskatten, maar ze zullen jullie zeker met veel plezier een kaarsje geven dat jullie mee naar huis mogen nemen.
  
Uitgeverij
·       Veerle Wauters van Uitgeverij wave, een jonge ondernemer, die duidelijk een neus heeft voor wat goed is! Ik ben haar heel dankbaar voor haar geloof in het boek, voor haar lef om een onberekend risico te nemen en voor haar inzet, zowel persoonlijk als financieel, want neem het van me aan, een boek uitgeven en lanceren doe je niet met kwartjes en halve franken.
·       Ook dank aan Jos Wauters van Graphic-Concept voor de fijne samenwerking en het engelengeduld tijdens het werk aan de layout van de tekst en de cover. We hebben een paar ‘kwade’ momenten gehad, maar toch is het allemaal goed gekomen.  
 
Fotografen
Ook een woordje van dank voor Guy Scholiers en Herman Beddegenoodts van fotoclub Objectief. Herman heeft eens met zijn ogen gerold toen ik hem uitlegde dat er voor de cover een foto moest gemaakt worden van een meute Mariabeeldjes. Hij en Guy hadden er niet het flauwste idee van wat de uiteindelijke bedoeling was van die zotte opstelling, maar ze hebben zonder aarzelen mijn aanwijzingen gevolgd. Ze hebben ook een heel aantal van de illustraties die in het boek staan bewerkt. Vooral dan Herman. Ik wil ook de mensen bedanken die prenten, schilderijen of voorwerpen ter beschikking hebben gesteld. Niet alles heeft de uiteindelijke selectie gehaald, maar wie weet vinden die foto’s en illustraties ooit nog hun weg naar andere publicaties.
 
Organisatie van de avond
·       Monique De Dobbeleer van vzw De Vlaspit, voor het gebruik van dit prachtig gebouw. We zullen ons best doen om de boel niet teveel af te breken.
·       Marianne en Lieve Van den Berghe van de Festivalshop voor de kostuums, die zij ter beschikking hebben gesteld omdat zij, net als ik, houden van Scherpenheuvel, maar vooral omdat zij al van het allereerste uur fan waren van de Madonna’s.
·        Mijn oudste kinderen en mijn nichtje, die jullie tijdens de receptie met de glimlach van achter de toog van drank zullen voorzien. En mijn jongste kinderen die (ook al weten ze het nog niet) vanavond mogen helpen met glazen afruimen.
·        Zonder Erfgoed Scherpenheuvel en de steun van Francis Tielens en Juul Claes, die allebei onvoorwaardelijk in het boek geloofd hebben, zou deze prachtige avond niet de aankleding gekregen hebben die hij nu heeft. Zij vonden dat de Madonna’s een memorabele geboorte verdienden. En dankzij deze mooie voorstelling hebben ze die ook gekregen.
 
Erfgoed Scherpenheuvel is trouwens voor meer verantwoordelijk dan alleen de organisatie van deze boekvoorstelling. Twee jaar geleden wandelde ik nietsvermoedend de Pelgrim binnen en werd onderschept door een enthousiaste Juul Claes die op zoek was naar acteurs voor enkele historische taferelen die zouden worden opgevoerd tijdens Open Monumentendag. Voor ik het wist, was ik vrijwilliger om Isabella te spelen. De repetities en opvoeringen van de taferelen waren geweldig plezant. Ze waren ook het beginpunt van enkele onverwachte vriendschappen.
Maar wat al even onverwacht was, was het gevoel dat ik overhield aan de evocaties. De scenario’s, hoe knap geschreven ze ook waren (en mijn excuses aan de auteur indien die hier aanwezig is) strookten niet helemaal met de werkelijkheid. Ik speelde Isabella, in satijnen gewaad en met een molensteenkraag, en mijn sympathieke buurman Frans Mattheus speelde een al even rijkelijk uitgedoste Albrecht, die na de bouw van de kerk de plannen van het 7-puntige stratenplan goedkeurde. Maar historisch is dat onmogelijk, vermits Albrecht de voltooide kerk nooit heeft gezien en Isabella de inhuldiging bijwoonde als weduwe en non.
 
De misvatting bleef op mijn maag liggen, en toen ik tijdens mijn opleiding Literatuur en Media een onderwerp voor mijn eindwerk moest vinden, groeide uit mijn ongemak de idee om iets te schrijven over hoe de geschiedenis hier dan wel gelopen was. Geen naslagwerk of kunstboek, geen pamflet voor of tegen het katholiek geloof, maar een kroniek van het dorp op de scherpe heuvel, gezien door de ogen van enkele vrouwen die er door de eeuwen heen leefden, liefhadden en stierven.
  
Ook al spelen 6 vrouwen de hoofdrol in het boek, toch waren tijdens het schrijven 3 mannen onontbeerlijk. In de eerste plaats was - en is er gelukkig nog steeds - mijn geliefde Patrick, die tijdens de eerste zes maanden van onze relatie vooral naar mij heeft moeten kijken terwijl ik urenlang aan mijn pc gekluisterd zat. Hij wist dus meteen welk vlees hij in de kuip had. Patrick was steeds mijn eerste lezer en zonder zijn steun en begrip was dit boek nooit afgeraakt.
Onmisbaar was ook Michaël Hanne, de toegewijde archivaris van de Basiliek, met wie ik een diepgewortelde liefde voor de geschiedenis van dit dorp en deze kerk gemeen heb. Hij stond dag en nacht klaar om op mijn emails, sms’en en vragen te antwoorden. En neem dat gerust letterlijk.
De meest onwaarschijnlijke vriendschap die tijdens het schrijven van dit boek ontstaan is, is met de man die zijn hele leven ten dienste stelt van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Pastoor Luc Van Hilst heeft tijdens onze gesprekken met passie gepraat over het verleden van zijn parochiekerk en zijn bedevaartsoord. Hij kon het met zoveel detail en inspiratie vertellen, dat het leek alsof de tijdreizen echt waren. Hij toverde als het ware Joost Boeckaert, de eerste pastoor van Scherpenheuvel, weer tot leven. Maar een aantal van de dingen die hij zei, brachten me ook danig in de war. Die onvoorwaardelijke devotie en liefde voor Onze-Lieve-Vrouw, die hij uitwasemt langs elke porie van zijn lichaam, die kon ik zelf niet op dezelfde manier voelen of proeven. Ik begreep er steeds minder van. En ook al schreef ik het boek als een kroniek over een dorp, toch werd het onderhuids een zoektocht naar Maria.
 
Want tijdens het schrijven en het imaginaire reizen door de tijd werd er mij stilaan iets duidelijk. Maria liet mij niet onverschillig. Ik merkte dat mijn mening over Haar onophoudelijk veranderde, en ik nam dat als het beste bewijs dat Zij mij diep raakt. Voor iemand die je onverschillig laat, heb je al gauw een mening klaar. Dan heb je genoeg aan een algemeen oordeel. Maar een algemeen oordeel heb ik niet gevonden toen ik aan het einde van het boek kwam, en daar ben ik Luc Van Hilst dankbaar voor. Ook voor het feit dat hij hier vanavond iets wil zeggen. Ik heb hem gevraagd om mild te zijn. Mild voor het boek, niet noodzakelijk voor mij. Hij heeft beloofd zijn best te doen.
 
Maar voor ik hem aan het woord laat, wil ik nog één iemand bedanken. Ik denk dat ze het zelf nog niet weet, maar ik heb het boek opgedragen aan mijn moeder, omdat zij de eerste madonna was in mijn leven. Zij heeft mij de liefde voor dit dorp niet met de paplepel, maar met de moedermelk meegegeven. Zij heeft mij een thuishaven gegeven en een mooier geschenk kan een mens zich niet wensen.



  

woensdag 10 april 2013

De Madonna's van Scherpenheuvel - voorverkoop


Titel boek:
De Madonna’s van Scherpenheuvel
Gesprekken tussen waan en werkelijkheid 
Auteur:
 
Clara Mertens
Uitgeverij:
wave
Publicatie:
juni 2013

De Madonna’s van Scherpenheuvel is een historische geromantiseerde schets van het grootste bedevaartsoord van België, aan de hand van zes interviews met vrouwen die doorheen de eeuwen dit Brabants dorp kneedden tot wat het is vandaag. Meer dan vier eeuwen geschiedenis in zes gesprekken, telkens voorafgegaan door een wedersamenstelling van de tijdsgeest. Sommige vrouwen hebben echt bestaan, andere zijn fictief, maar ze hebben allemaal één ding gemeen: ze dragen op hun eigen manier bij tot de geschiedenis.

De Madonna’s van Scherpenheuvel geeft aan inwoners van Scherpenheuvel een nieuwe blik op hun thuishaven en aan toeristen een leerrijk en verrassend souvenir. Het boek is een product van lokale bodem: Clara Mertens is geboren en getogen in het dorp, en Uitgeverij wave is gehuisvest in het centrum.

Tot 15 mei 2013 kan je dit boek bestellen aan de lanceringsprijs van €12 ipv €15. Via de webshop (www.wave-books.eu) of via overschrijving. U krijgt het boek toegestuurd of kan het afhalen bij de uitgeverij van zodra het gepubliceerd is.

Rekeninginformatie
IBAN: BE22 1232 3004 6347 – BIC: OBKBBE99
Begunstigde: Uitgeverij wave - Koophandelstraat 7 - 3270 Scherpenheuvel
Vermeld je naam, een telefoonnummer (of emailadres) en de juiste bestelcode

Bestelling zelf afhalen bij Uitgeverij wave - €12/boek - Code: Madonnas BZA
 
Bestelling met verzending (incl. €3 portkosten) - €15/boek - Code: Madonnas BMV


Surf ook naar www.demadonnasvanscherpenheuvel.be.

-----  

donderdag 14 februari 2013

Over vagina's en Valentijn

Het is Valentijnsdag vandaag. De dag van de verliefden, de dag waarop de liefde hoogtij viert. Het is dan ook niet toevallig dat deze dag werd gekozen als VDay. V voor Vrouwen, V voor Vagina en V voor Vanaf vandaag stopt het geweld tegen vrouwen en meisjes.
 
Toen Amerikaanse toneelschrijver en activiste Eve Ensler in 1996 The Vagina Monologues schreef, een verzameling monologen die vanuit een vrouwelijk standpunt thema’s als menstruatie, liefde, seks, orgasme, masturbatie, geboorte, vrouwelijke genitale verminking en verkrachting in de kijker zette, wilde ze deze onderwerpen vooral meer bespreekbaar maken. Haar bedoeling was de wereld de woorden aan te reiken om erover te praten. Ze loodste het woord vagina, en al zijn kleurrijke synoniemen, eindelijk binnen in ons dagelijks taalgebruik. Wat ze niet verwacht had, was dat haar monologen een hele beweging op gang zouden trekken. Die beweging streeft ernaar wereldwijd alle vormen van fysiek en seksueel geweld tegen vrouwen onder de aandacht te brengen en houden.
  
Verkrachting door de ogen van Japans
grootmeester Utagawa Kuniyoshi (19e eeuw)
Eén vrouw op drie krijgt in haar leven namelijk te maken met fysiek of seksueel geweld. Ja, je leest het goed: 1 vrouw op 3. Wanneer je de volgende keer bij de bakker staat, over straat loopt, op de bus zit, in de cinema naar het scherm zit te staren, kijk dan ook eens om je heen en tel de vrouwen die je tegenkomt. Eén, twee, drie. Eén, twee, drie. Eén, twee, drie.
 
Verkrachting vormt een groot onderdeel van dat geweld. Niet alleen de tragische gangbangs waarover we in de nationale en internationale pers lezen, maar ook het stille, anonieme misbruik achter gesloten deuren. Verkrachting is een wapen. Een oorlogswapen. Een massavernietigingswapen dat door legers en leiders wordt ingezet om oorlogen te beslechten. Een massavernietigingswapen dat door echtgenoten en partners en zogezegde vrienden wordt gebruikt om de baas te zijn. Een massavernietigingswapen dat angst en paniek zaait. Een massavernietigingswapen dat alles kapot maakt. Alles vanbinnen. Vanbinnen in de buik, vanbinnen in het hoofd, vanbinnen in het hart.
 
Verkrachting gebeurt via sluwe listen verpakt als affectie, via valse beloften, via intimidatie of simpelweg via brutaliteit. Het is dagelijkse kost voor 1 miljard grote en kleine vrouwen op onze planeet. En het moet GEDAAN zijn.
                                 
Tijdens mijn opleiding Literatuur en Media schreef ik enkele jaren geleden een flitsverhaal dat aansluit bij dit thema. Vandaag lijkt me de juiste dag om het te publiceren.
 
Ik wens jullie allemaal een aangename (Valentijns)dag. Pak eens iemand stevig vast, maar doe het alleen als die persoon dat zelf ook een goed idee vindt.
 
-----   
 
De spiegel  --  een schrijfoefening
 
Hoe lang nog zwijgen? Nog voor even? Voor altijd?
Het huilde niet toen ze het vasthield. Het heeft nooit gehuild.
  
De donkere striemen op haar buik zullen nooit meer weggaan. Alleen minder rood worden, heeft ze gelezen, zodat ze niet meer opvallen. Het is geen zicht zoals ze er nu bijloopt. Jammer dat haar borsten alweer voor de helft gekrompen zijn. Die vond ze anders wel mooi. Johan had haar die avond uitgelachen met haar kleine borsten, maar in de maanden die volgden gluurde hij er stiekem naar wanneer ze haar rode truitje met de diepe v-hals droeg.
 
Dat ze teveel gedronken had, was voor hem geen probleem, zei hij. Hij zag dat wel vaker bij meisjes die het niet gewoon waren om te drinken. Hij zou haar met de auto naar huis brengen, zei hij, maar hij leidde haar mee naar een lokaal aan de achterkant van het gebouw. De fuif was nog volop aan de gang. De muziek klonk alsof ze onder water zat. Ze voelde zich een beetje misselijk. Duizelig en misselijk.
Ze had nog nooit een stijve piemel in het echt gezien.
‘Pak hem maar eens vast,’ zei Johan. Hij duwde hem in haar hand. Hij was warm en hard en zacht tegelijk. Omdat Johan zo dichtbij kwam, viel ze achteruit op de oude sofa. Toen stond hij voor haar, met zijn broek op zijn knieën.
‘Geef er eens een kusje op.’
Ze giechelde een beetje onnozel. Johan duwde zijn piemel tegen haar lippen. Haar mond ging open.
‘Niet doen,’ mompelde ze nog, maar hij hoorde haar niet. Ze voelde het zure braaksel in haar keel naar boven komen.
 
Hoe lang nog zwijgen? Nog voor even of voor altijd?
Het lag daar. Levenloos.
Toen de inspecteur haar gisteren in de ogen keek tijdens de ondervraging, had ze heel even het gevoel dat hij los door haar heen keek.
‘Er zijn maar enkele mensen die toegang hebben tot de kelder van dit flatgebouw, juffrouw, en u bent er een van.’
 
Haar donkere haar is voller geworden. Het glanst zo mooi. En kijk eens hoe prachtig het zwiert wanneer ze ronddraait. Net zoals in een L’Orealreclame. L’Oreal, want ik ben het waard.
Negen maanden geleden zag het er helemaal anders uit. Vlak voor de fuif had ze het met javel gewassen. Slimmeke. Helemaal kapot was het. Uitgedroogd. Toen ze de deur uitging, had ze haar muts tot over haar oren getrokken. Haar vriendinnen kwamen niet bij van het lachen.
‘Mijn pa maakt me af,’ snikte ze. Een maand eerder had hij haar een pak rammel gegeven, omdat ze haar lip zelf had gepierced met een oude oorbel, terwijl hij piercings ten stelligste verboden had. Ze had er niets van gevoeld, vertelde ze achteraf, toen ze de scherpe punt van de oorbel door haar lip duwde. Alsof ze in trance was. Haar vaders klappen hadden wel pijn gedaan.
 
Haar braaksel was een mengeling van bier, vodka en pannenkoeken. Ze zal nooit de uitdrukking van afgrijzen op Johans gezicht vergeten. Hij kon nog net op tijd achteruit springen, verloor zijn evenwicht en viel op zijn blote kont. Terwijl hij overeind krabbelde, noemde haar een vuile hoer en een vet varken. Even hoopte ze nog dat hij aanstalte maakte om zijn broek op te trekken, maar ze wist al dat ze zich niet zou kunnen verzetten.
 
Pijn heeft ze niet gevoeld toen ze het kind eruit duwde. Alsof ze in trance was. Het huilde niet. Het heeft nooit gehuild. Het heeft nooit geleefd… denkt ze.
  
Hoe lang nog zwijgen?
 
 
 
-----
Een reactie is welkom, mits goede manieren.
 
 

vrijdag 25 januari 2013

Reizen met Steinbeck - een schrijfoefening


In mei 2012 verscheen er een boek van de Nederlandse journalist en auteur Geert Mak waarvan ik het bestaan niet afwist. Toen ik enkele dagen geleden in een of andere wachtzaal door de Knack bladerde, kwam ik een advertentie tegen. Het boek heet Reizen zonder John, Op Zoek naar Amerika, en is een moderne reconstructie van het reisverhaal dat John Steinbeck 50 jaar geleden schreef, Travels with Charley: In Search of America, over zijn roadtrip doorheen Amerika begin jaren zestig. Beide boeken zijn een persiflage van de Amerkaanse consumptiemaatschappij in volle bloei. Toen en nu. Ik sta te popelen om de kroniek van Mak te lezen.
                                                                                       
Het toeval wil dat ik het boek van Steinbeck vorig jaar voor de eerste keer las tijdens onze gezinsvakantie op Sardinië. Daar, tijdens een luie namiddag op het strand, kwam ik op het idee om een reisverhaal te schrijven, gebaseerd op dat boek. ’s Anderendaags, toen mijn reisgenoten de hele dag op avontuur waren, bleef ik thuis om mijn gedachten op papier te zetten. Het resultaat van die oefening lees je hier.

----- 

Cardedu, 27 juli 2012

Dit is niet onze plaats van afspraak. Ik weet niet hoe ik mij voor deze uitschuiver moet verontschuldigen. John Steinbeck zit naast me en staart naar het heldere water van het zwembad. Ik schaam me. Niet veel, maar toch genoeg om hem niet recht aan te kijken. Vanuit mijn ooghoeken sla ik hem gade. Hij roert afwezig in het kopje oploskoffie dat ik enkele ogenblikken geleden voor hem neergezette.
‘Meneer Steinbeck, het spijt me…’, probeer ik, maar kom niet veel verder. Zijn blauwe ogen bewegen niet. Zijn blozende wangen zijn het enige teken van emotie. Of is het de warmte die hem parten speelt?
Hij is imposant. Een ietwat opmerkelijke kwaliteit voor iemand die intussen al bijna vierenveertig jaar dood is. Nochtans is de dood een ongemak waarvan hij vandaag weinig last schijnt te hebben. Zijn brede schouders en gespierde rug drukken zwaar tegen de rugleuning van de witte plastic stoel waarin hij zit. Zijn lange benen steken voor hem uit, de enkels gekruist. Hij streelt zijn baard, heft vervolgens zijn bauwe marinepet op, wrijft zijn peper- en zoutkleurige haar naar achter en zet de pet weer op. Er staan zweetdruppels op zijn voorhoofd.
Charley, de grote zwartblauwe poedel die Steinbeck vergezelt op zijn reis, trekt zich niets aan van het misverstand tussen zijn baasje en mij. Hij jaagt op de libellen die over het wateroppervlak dartelen, en die af en toe het lot tarten door op zijn rug of kop te landen. Ondanks zijn gevorderde leeftijd huppelt Charley rond als een jong veulen en trekt zich niets aan van hoe belachelijk hij er wel uitziet.

‘Eigenlijk spijt het me helemaal niet,’ probeer ik het over een heel andere boeg te gooien, en spreek daarbij meer de waarheid dan voordien. ‘U bent het die zich heeft opgedrongen. Ik ben met mijn gezin op vakantie op de oostkust van Sardinië, en u kwam als verstekeling mee in onze auto.’
Vlak voor mijn vertrek, tien dagen geleden, stopte mijn moeder Reizen met Charley, een roadtrip door Amerika in mijn handen.
‘Gemakkelijke, ontspannende lectuur,’ zei ze, en ik nam het boek in ontvangst uit beleefdheid en omwille van de auteur. Eigenlijk lees ik nooit een vertaald boek wanneer het oorspronkelijk in het Engels of Frans geschreven is. Maar toen mijn andere leesvoer op was, greep ik toch naar deze vertaling. Travels with Charley in Search of America werd voor het eerst gepubliceerd in 1962, het jaar dat Steinbeck de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. Het evenaart volgens hen die het kunnen weten niet zijn grootste werken als Of Mice and Men, Grapes of Wrath en East of Eden, maar voor mij is het een pareltje.

Intussen is Charley naast me komen zitten. Zijn tong hangt wel twintig centimeter uit zijn bek. Hij hijgt aandoenlijk. Ik sta recht, wandel naar de keuken van het gelijkvloersappartement en keer terug met een grote kom water. Charley drinkt zonder stoppen gemakkelijk twee liter water.
‘Waarom drinkt hij niet uit het zwembad?’ vraag ik gemeend. Voor het eerst kijk ik Steinbeck in de ogen.
‘Omdat hij een beleefde, goed opgevoede Franse poedel is natuurlijk. Goede manieren zijn alles voor Charley.’ Voor het eerst verschijnt er een glimlach op het gezicht van de schrijver. ‘Maar hij mag jou, zie ik, en dat stemt mij mild. Hij is nochtans meewarig tegenover vreemden.’
‘Misschien ben ik geen vreemde,’ opper ik. ‘Ik reis intussen al enkele dagen met u mee door Amerika.’
‘Terwijl ik dacht dat wij met jou meereisden naar Sardinië,’ lacht Steinbeck, en steekt een sigaret op. Een slechte gewoonte die zijn dood wordt in 1968.
‘Dat is zo,’ beaam ik, ‘ook al reis ik in aangenaam en talrijk menselijk gezelschap, terwijl u zich enkel met Charley moet tevreden stellen.’
Bij het horen van zijn naam kijkt de hond me recht in het gezicht en hapt ter bevestiging van zijn intelligentie naar een wesp die voorbij zoemt.
‘Ik heb trouwens iets bijzonders geleerd uit uw reisverslag’, doe ik een poging om mijn slechte koffie en manke gastvrijheid goed te maken. Had ik toch maar een glaasje whisky om hem aan te bieden.
Het geluid van de flapperende parasol boven ons hoofd en de wind in de bladeren van de hoge palmbomen rond het zwembad klinken oorverdovend in de stilte. De rode bloemen tegenover ons, net als de rode rotsen en bergen in de verte, houden hun adem in tot de heetste uren van de dag gepasseerd zijn en de Sarden uit hun siësta ontwaken.
‘Reizen is altijd een beetje hetzelfde, of het nu in Sardinië is of in Amerika.’ Nu de woorden uit mijn mond zijn, klinken ze niet half zo slim als ik had gehoopt. Maar ik kan ze niet terugnemen en ben nu wel verplicht ze te verklaren.
Steinbeck zegt eerst niets. Hij kijkt me aan met pretoogjes en maakt het zich gemakkelijk.
‘Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben,’ geeft hij gul toe, ‘want eens besmet met de drang om onderweg of elders te zijn, raak je nooit meer van de microbe verlost.’
Ik haal opgelucht adem. Misschien heeft mijn afleidingsmaneuver gewerkt.
Elders zijn is een vreugde voor mijn reisgenoten en mij. Tijdelijk elders zijn, wel te verstaan, en bij elkaar. Bij elkaar vooral, maar elders. Van zodra het maar niet thuis is. Niet thuis, maar elders. Liefst waar de zon schijnt. Reizen bestaat voor ons dus hoofdzakelijk uit twee elementen: bij elkaar zijn en elders.
‘Maar wat heeft dat met de overeenkomsten tussen Sardinië en Amerika te maken?’ vraagt hij. Hij geeft me geen kans om te ontsnappen. Ik zoek krampachtig naar woorden.
‘Misschien zijn het niet zozeer de plaatsen die op elkaar lijken, als wel de mensen,’ probeer ik voorzichtig. De Sarden zullen het mij niet in dank afnemen. ‘Zolang we maar van de snelwegen wegblijven.'
Doorheen zijn boek had Steinbeck zich geërgerd aan het isolement van de snelweg, geklemd tussen trucks en auto's. Je hebt aan die snelheid, en onder druk van zoveel gevaar voor eigen leven, niet de tijd om links of rechts te kijken, laat staan te weten waar je nu eigenlijk precies bent.
Hier is het niet anders. Wanneer je van het dorpje Cardedu, waar wij vlakbij logeren, langs de nieuwe SS 125-snelweg naar de havenstad Olbia rijdt, raas je gewoon aan Sardinië voorbij. Enkel langs de oude weg kom je de dorpen en de mensen tegen.

Ik wil Steinbeck over Gairo Vecchio vertellen, een spookdorpje dat op de flank ligt van de Monte Trunconi, boven de linkeroever van de Rio Pardu, op een hoogte van ongeveer 520 meter boven de zeespiegel. In 1951 werd dit dorp, dat tegen de berg aangedrukt ligt als een bruine moedervlek op een getaand gezicht, voor een groot stuk vernield door aardverschuivingen. Ook al zijn er in documenten uit de 12e eeuw al sporen terug te vinden van Gairo, toch twijfelden de inwoners niet om hun dorp te verlaten en twee kilometer hogerop een nieuw dorp te stichten: Gairo Sant’Elena. Het duurde enkele jaren voor alle inwoners verhuisd waren, maar uiteindelijk werd er voor iedereen een nieuw huis gebouwd en slaagde men erin de overblijfselen van het oude dorp te bewaren als archeologische site. De beslissing om het hele dorp te verhuizen – toen zo’n 600 gezinnen – getuigt van de koppigheid van de Sarden.
Zou die te vergelijken zijn met de koppigheid van de boeren in het diepe Zuiden van Amerika?
Ik kijk naar mijn gesprekspartner en merk dat hij ingedommeld is in zijn stoel. Charley ligt aan zijn voeten in de schaduw. Enkel het tipje van zijn staart beweegt af en toe. Het gesprek, als het er al een was, is afgelopen.

In het laatste hoofdstuk van zijn boek stelt Steinbeck dat mensen geen reizen maken, maar reizen mensen. Een reis verandert ons. Soms veel, soms weinig, maar zonder mutatie komen we niet weg. Hij heeft gelijk.  

Ik leun achterover en lach luidop. Een reis begint lang voor het vertrek, en houdt niet altijd op. Je keert naar huis terug, maar het duurt soms maanden of jaren voor je daar weer aankomt. Ook dit keer zal het zo zijn. Gairo Vecchio, het strand van Cardedu, de trektocht doorheen het natuurpark Genergentu, ons fotomoment bij de gedenksteen (die voortaan nog meer gedenkt dan wat hij voordien al deed), de maaltijden, de muggen, de hoge golven, de zwoele nachten, de smaak van het zoute water op mijn lippen. Hoe lang zal het duren voor ik die achterlaat?
Zonder geluid te maken, sta ik recht en wandel terug naar het appartement. Daar grijp ik een groot keukenmes en snijd een watermeloen open. Mijn reisgenoten kunnen elk moment terug zijn. Ze zullen honger hebben.


----- 


----- 

Een reactie is welkom, mits goede manieren.



   

vrijdag 18 januari 2013

't Is goed in 't eigen hert te kijken


Het internet en de wereld staan in rep en roer. Lance Armstrong heeft zichzelf vrijwillig van zijn troon gestort, daarbij een gul handje geholpen door Oprah Winfrey, die vandaag dankzij de wielerkoning-in-ongenade haar kijkcijfers, samen met haar beursnotering, de hoogte zag inschieten. Het scenario was perfect geschreven en uitgevoerd. Tijdens de uitreiking van de Academy Awards mogen zij van mij allebei gerust een Oscar krijgen voor beste mannelijke en vrouwelijk hoofdrol in de categorie Fictie met de grote F.
 
Vanaf vandaag trekt de mallemolen, die de wielersport is, zich terug op gang. Dan is het, na een geveinsde donderpreek van de Belgische wielerbond aan het adres van Johan Bruyneel, weer business as usual. In juli hangen we met z’n allen weer aan de buis gekluisterd, in de denkbeeldige veronderstelling dat de helden der aarde nu eindelijk clean rijden. Want wie zou nog durven! Op de Champs-Elysées zal ten langen leste, en voor het eerst in de geschiedenis, een eerlijke renner op het podium staan.

De echte motieven van een ongeneeslijke megalomaan als Armstrong zullen we nooit kennen. Terwijl hij honderdduizenden mensen inspireerde in hun strijd tegen kanker, joeg hij hormonen en doperende middelen door zijn aderen in zijn drang naar aandacht en erkenning. Die momenten van glorie, de smaak van de roem, het geld, het applaus, de bewondering van fans en de afgunst van collega’s, daar deed hij alles voor. Maar het verhaal was een leugen. Een leugentje om bestwil. Een fabeltje dat zo geloofwaardig werd, dat Armstrong het zelf geloofde.

Zijn we daar niet allemaal een beetje schuldig aan? Hebben we niet allemaal al eens een leugentje verteld om onszelf in een gunstiger daglicht te stellen? Ik wel. Ik durf dat zonder al te veel blozen toegeven. Toen mijn overgrootvader mij vroeg waarom ik de schuif opentrok waar hij de kwartjes in bewaarde, loog ik dat er een muntje uit zijn broekzak was gevallen en ik het wilde wegleggen. Hij gaf me een schouderklopje en feliciteerde me om mijn eerlijkheid. Ik glunderde van trots, rende de straat op en trakteerde mezelf op een ijsje met het kwartje dat ik uit de schuif had gejat. Toegegeven, ik was nauwelijks zeven jaar, maar de bewondering die ik oogstte met mijn leugentje, kan ik mij nog levendig voor de geest halen. Ik was apentrots. Zijn bewondering was onterecht, maar dat wist mijn overgrootvader niet.
Ik had mijn deceptie natuurlijk niet gepland. De diefstal zelf was een ingeving van het ogenblik. Toen ik de ijskar door de straat hoorde rijden, en ik vaststelde dat ik vergeten was geld te vragen aan mijn oma toen ze naar de bakker vertrok, besloot ik tegen beter weten in op eigen initiatief te handelen. Ik rende het huis van mijn overgrootvader binnen, die naast mijn oma woonde, sprintte naar de bewuste schuif en trok ze zonder nadenken open. Ik had een kwartje nodig en wel pronto.  De leugen die volgde toen ik op heterdaad betrapt werd, was de inspiratie van het ogenblik. Ooo wat voelde ik me slim! De arme man trapte er moeiteloos in.

Daar zat ik dan met mijn trofee op de stoep voor het huis. Ik likte voorzichtig het ijs van de randen, voor het kon smelten en langs het horentje naar beneden druppen. De buikpijn die later volgde, moet een vorm van poëtische rechtvaardigheid geweest zijn. Ik durfde aan niemand vertellen wat ik gedaan had. Toen mijn overgrootvader een half jaar later stierf, was het met de gedachte dat ik een eerlijk meisje was.
Ik leerde die zomerdag in 1973 nochtans een belangrijke les. Dat de roem die je behaalt met een leugen niet lang zijn zoete smaak behoudt. Gelukkig gaf het gestolen ijsje mij verschrikkelijke buikpijn. Ik zou misschien, zonder het zelf te weten, de Lance Armstrong onder de kwartjesdieven geworden zijn.

Heeft de bekentenis van Armstrong dan helemaal geen enkele betekenis? Voor de mensen die in hem geloofd hebben en die dankzij zijn verhaal de kracht gevonden hebben om te vechten tegen hun ziekte misschien wel. Dat hoop ik althans. Ik hoop dat zij nu begrijpen dat die kracht niet van Armstrong kwam, maar vanuit hun eigen hart.
Armstrong zal voortaan altijd een leugenaar zijn. Ik las vandaag commentaren op het internet van mensen die nu zelfs de ernst van zijn kanker in twijfel trekken. Deed hij het niet allemaal erger lijken dan het was? Om zijn comeback kracht bij te zetten en nog meer geld te verdienen?
Alsof kanker een romantische film is, die je kan regisseren naar willekeur.
 
 
 
-----
Een reactie is welkom, mits goed manieren.