donderdag 26 februari 2009

Brievenbussen

Vandaag heb ik iets nieuws geleerd. Ik heb me vanmiddag drie uur lang bezig gehouden met het ronddragen van flyers en ben tot de ontdekking gekomen dat er aan geen enkel huis in Scherpenheuvel twee dezelfde brievenbussen hangen. Je houdt het niet voor mogelijk wat een variatie er bestaat.
Om te beginnen zijn er de gleuven in de deur. Je zou denken dat daarin weinig afwisseling kan bestaan, maar het gaat van kleine spleetjes waar je nauwelijks een opgevouwen brief naar binnen krijgt tot grote gaten met weerbarstige kleppen.
Het ergste zijn de gleuven waar een tochtborstel voor hangt. Je krijgt er geen flyer in, tenzij je eerst met je hand de haren van die borstel opzij duwt. Telkens had ik heel even het gevoel dat er aan de andere kant misschien een geduldige hond op wacht stond die graag zijn tanden in mijn vingertoppen zou zetten.
En waar die gleuven staan, is ook niet bij elke deur gelijk. Soms staan ze zelfs zo laag dat je je afvraagt of de regen niet langs daar naar binnen stroomt. Of misschien hebben die mensen wel een acrobatische kat die de brievenbus als kattenpoortje gebruikt.

Dan zijn er de alleenstaande brievenbussen. Daarin kan je vier grote groepen onderscheiden: de zelfgemaakte exemplaren, de gestroomlijnde designbrievenbussen, de praktische standaardbussen en de brievenbussen die uit een natuurlijke rotsformatie gehouwen zijn.
Je gelooft nooit uit welke materialen sommige mensen een brievenbus knutselen of timmeren. Je kan het zo gek niet bedenken of het staat op de stoep. Een oude verfpot aan een stok genageld bijvoorbeeld met een gleuf in het deksel.
Regelmatig kan je de bus niet vinden en moet je echt zoeken. Het kan toch niet zijn dat er huizen bestaan zonder brievenbus. En toch heb ik bij drie van de vijfhonderdvijftig huizen waar ik vandaag geweest ben nergens een plaats gevonden om mijn flyer in te steken. Zelfs onder de voordeur kreeg ik het ding niet naar binnen.
Soms is het ook echt zoeken waar de gleuf is of hoe je ze moet openmaken. Je zou denken dat het zichzelf min of meer uitwijst, maar zo simpel maken de mensen het je niet. Zo kwam ik een gestroomlijnd, science-fictionachtig ding tegen waar ik kop noch staart kon aan krijgen. Met de nodige dosis doorzettingsvermogen heb ik dan uiteindelijk de opening gevonden.
Dan zijn er ook de gevaarlijke brievenbussen. Scherpe randen, roestige kleppen, zware deksels waar je vingers tussen gekneld geraken. Je hebt bij die klooiedingen beide handen en alle aandacht nodig om je brieven of andere rotzooi er zonder ongelukken in te duwen. En je kan maar beter zorgen dat je onlangs nog bent gevaccineerd tegen Tetanus.

Maar het was niet helemaal een marteling wat ik gedaan heb vanmiddag. Want af en toe heb je ook een sensuele, bijna erotische ervaring met een brievenbus. Het papiertje glijdt van je hand in de gleuf in een eenvoudige, zalige en ongehinderde beweging. Het is een audio-visueel genot dat zijn gelijke niet kent.
Ik durf te wedden dat het daarom is dat postbodes hun werk blijven doen. Omdat ze weten dat ergens op hun ronde zich een brievenbus bevindt die niet tegenspartelt wanneer ze hun post met een zachte maar krachtige stoot naar binnen steken.
_

maandag 23 februari 2009

Mukamana (1)

-
Twee weken geleden kreeg ik een huiswerkopdracht. Ik volg namelijk een opleiding bij de Universitaire Werkgroep Literatuur en Media in Leuven. De opdracht luidde zo:
Zoek iemand die iets interessants gedaan heeft en neem van die persoon een interview af. Het mag geen bekende Vlaming zijn, maar wel een gewoon persoon. Iemand die veel gereisd heeft bijvoorbeeld of een goede daad heeft verricht. Stel haar of hem een zestal vragen, schrijf het uit tot maxium één A4-tje en geef het af op 26 februari.

Eerst dacht ik aan René, de tachtigjarige man die ik op Gedichtendag in de bibliotheek heb leren kennen en met wie ik, na een overwacht openhartig gesprek, een vriendschap heb aangeknoopt. Zijn goede daad is zonder twijfel de toewijding waarmee hij elke dag zijn demente vrouw Irène bezoekt in woon- en zorgcentrum St.-Augustinus in Diest en hoe hij zelfs nu nog liefdesgedichten voor haar schrijft.
Daarna wilde ik een kunstenaar interviewen of een schrijver, maar geen van beide hadden ver of lang genoeg gereisd. In een onbezonnen moment overwoog ik zelfs een lokale schepen over het een of ander op de rooster te leggen, maar welke goede daad zou ik hem daarna nog kunnen toeschrijven?
De persoon die ik uiteindelijk geïnterviewd heb, is veruit de meest interessante man in mijn onmiddellijke omgeving. Hij heeft meer dan één goede daad verricht in zijn leven en is daar nog steeds mee bezig. Niemand weet daar iets over, hij hangt het zeker niet aan de grote klok. En dat is precies wat hem zo speciaal maakt. Veel gereisd heeft hij ook. En die microbe heeft hij aan zijn kinderen en kleinkinderen doorgegeven.
Tijdens het interview, dat niet lang geduurd heeft omdat ik maar zes vragen mocht stellen, heeft hij een verhaal verteld dat ik nog nooit gehoord had. Een verhaal dat me nooit meer zal loslaten en dat ik hier moet opschrijven. Niet alleen omdat het zo onwaarschijnlijk mooi is, maar ook omdat de man die het mij vertelde mijn eigen vader is.

In 1995 werkte hij als projectleider voor Caritas International in Goma, Congo. Samen met andere hulporganisaties probeerde Caritas met de weinige middelen die hen ter beschikking werden gesteld de vele vluchtelingen uit Rwanda onderdak te geven in vluchtelingenkampen.
De mensen kwamen daar bij de honderdduizenden toe, uitgehongerd, ziek, gewond, naakt soms, totaal ontredderd en op de vlucht. Mijn vader heeft meegewerkt om de kampen te organiseren, tenten recht te zetten, voedselhulp te brengen, water aan te voeren, eten te dragen naar de mensen die niet meer fysiek in staat waren het zelf te komen halen bij de verdeelpunten, dode lichamen op te halen, massagraven te vullen, weeskinderen te troosten, eindeloze rivieren van tranen te drogen.
En dat alles deed hij met de moed der wanhoop, want hoeveel hulp men ook biedt aan die mensen, zegt mijn vader, het is nooit genoeg. De miserie en de ellende is eindeloos.
Na enige tijd had hij er genoeg van dat er zoveel kleine kinderen ronddoolden in de kampen. Kinderen die hun familie kwijt waren en waar niemand nog voor kon of wilde zorgen. Samen met het Rode Kruis en Unicef heeft hij toen een weeshuis opgericht.
Nu moet je je daar niet te veel bij voorstellen. Oude, leegstaande barakken heeft hij opgekuist en wat opgeknapt en dat werd dan het weeshuis van de kampen. Er was een zuster die, samen met enkele lokale helpers, de kinderen verzorgde.
Op een dag kreeg mijn vader bezoek van twee Franse militairen die deel uitmaakten van de buldozerploeg die de massagraven opende en dichtmaakte. Het was belangrijk dat de doden snel begraven werden om het uitbreken van ziektes als cholera te voorkomen.
De lijken werden van overal aangevoerd op allerlei manieren en de lichamen waren in doeken of rieten matten gerold. De soldaten legden de lichamen dan in de graven. Honderden lijken opeengestapeld. Stel je dat eens voor.
De soldaat die die dag achter het stuur van de buldozer zat wilde net een berg zand op de lijken duwen toen hij beentjes zag bewegen tussen de doeken.
Hij zette onmiddellijk de buldozer stil, sprong uit de kabine en daalde af in het graf. Hij baande zich een weg over en tussen de opeengestapelde lichamen en daar vond hij, in de armen van een dode vrouw, een klein meisje.
Ze moest een jaar of twee geweest zijn. Het was een mirakel dat ze net op dat moment bewogen had, anders zou de soldaat haar niet eens hebben opgemerkt. Hij zou haar levend hebben begraven.

Mijn vader nam het kleine meisje in ontvangst en de zuster van het weeshuis noemde haar Mukamana, wat ‘dochter van God’ betekent.
Mukamana was zwaar ondervoed en kon niet op haar benen staan. Ze kon ook nauwelijks praten. Dankzij de zorgen van de medewerkers van het weeshuis, zag mijn vader dat ze na een tijdje sterker werd, maar lopen kon ze nog steeds niet. Hij haalde er een dokter van Artsen zonder Grenzen bij en na verder onderzoek bleek Mukamana een levensbedreigende hersentumor te hebben.
Stel je die speling van het lot eens voor. Dit kleine meisje werd van een gruwelijke dood gered om te moeten sterven aan een medische aandoening waarvoor er in het midden van dit door God verlaten vluchtelingenkamp geen enkele hoop op genezing bestond.
Mijn vader kon zich daarbij echter niet neerleggen en hij besloot alles in het werk te stellen om haar te redden. In zijn zoektocht naar een oplossing leerde hij Michael Bierlmeier kennen, een Duitse verpleger die ook in Goma werkte. Bierlmeier wilde proberen om Mukamana naar Duitsland te halen voor een operatie en samen slaagden ze er in om voor haar een paspoort te bekomen.
Maar de Congolese overheid weigerde haar toestemming om het land te verlaten. Er kwam namelijk veel protest uit verschillende hoeken over het feit dat er pakken geld zouden worden uitgegeven voor het redden van slechts één kind, terwijl er toch ook nog zoveel anderen stierven.
Bierlmeier weigerde om de hoop op te geven. Dankzij zijn vriendschap met de toenmalige Duitse minister van buitenlandse zaken, Klaus Kinkel, slaagde hij er uiteindelijk in de Congolese regering onder genoeg druk te zetten om de ondertussen bijna volledig verlamde Mukamana uit Goma te laten vertrekken.
Ze werd geheel gratis en met succes geopereerd in het universitair ziekenhuis van Keulen en Michael Bierlmeier en zijn vrouw hebben haar geadopteerd.
De Bierlmeiers hebben ook Kinder Brauchen Frieden opgericht, een niet-gouvernementele organisatie die zich om het lot bekommert van kinderen wereldwijd die het slachtoffer zijn van oorlog.

Mukamana Bierlmeier is vandaag een gezond, vrolijk en gelukkig meisje van zestien jaar. Haar leven heeft ze te danken aan mijn vader, die geloofde in het mirakel van de naastenliefde. Hij vond een dokter die hem kon vertellen waarom ze niet kon lopen, hij nam de beslissing haar niet aan haar miserabele lot over te laten en hij vond de man die voor de rest van haar leven haar papa wilde zijn.

Mijn vader had ook niets kunnen doen. Uiteindelijk zou Mukamana maar één van de honderduizende slachtoffers zijn geweest van de burgeroorlog in Rwanda.
Maar niets doen ligt niet in mijn vaders aard. Gelukkig maar.

www.kinder-brauchen-frienden.de
_

dinsdag 17 februari 2009

Waakzaamheid

Mijn oudste dochter belde gisteren vlak na schooltijd met een erg verwarde boodschap. Er was iets engs gebeurd op school.
‘Wil je mij alsjeblieft komen halen?’ smeekte ze, terwijl de afspraak was dat ze met de bus naar huis zou komen.
Heel even dacht ik dat ze me met een smoes probeerde naar Diest te lokken. Het regende en het zou niet de eerste keer zijn dat ze liever niet te voet naar de bushalte wilde. Maar ik hoorde toch aan haar stem dat er echt iets aan de hand was.
‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg ik en was niet op het antwoord voorbereid.
‘Er is een meisje ontvoerd uit onze school. Een man heeft haar over zijn schouder gegooid en is heel snel met haar naar buiten gelopen.’
In minder dan tien minuten stond ik aan de schoolpoort.

Het meisje in kwestie is intussen terecht. De ontvoering gebeurde in de eerste graad, bij de aanvang van de tweede speeltijd. De man, die achteraf haar eigen vader bleek te zijn, stond in de gang te wachten en greep zijn dochter zodra ze uit de klas naar buiten kwam, gooide haar gillend en stampend over zijn schouder en duwde andere kinderen opzij om te ontsnappen.
Leerkrachten die ook de gang op waren gekomen, renden uit alle macht achter de man aan, maar slaagden er niet in om hem in te halen. Hij sprintte voor hun ogen langs een van de poorten naar buiten, waar een handlanger hem met een auto stond op te wachten.
Uit goede bron heb ik vernomen dat het meisje de pion is in de echtscheiding van haar ouders. Met deze misdaad wilde de vader de impasse breken omtrend het hoederecht van zijn dochter.
Over de pijnlijke emoties in een echtscheiding wil ik me niet uitspreken. Ik zou er nochtans, uit eigen ervaring, genoeg over kunnen vertellen.

Waar ik het wel even wil over hebben is het debat dat ongetwijfeld zal loskomen in Diest en omstreken over hoe we onze kinderen moeten beschermen terwijl ze niet onder onze eigen hoede zijn. Wij overhandigen onze kinderen elke dag aan mensen die over hun onschuld en veiligheid moeten waken, bovenop de andere taken die hen zijn toebedeeld. We verwachten dat zij alles naar behoren doen.
Maar doen ze dat ook? Is het personeel van onze scholen en crèches en jeugdbewegingen en speelpleinen en sportverenigingen wel waakzaam genoeg?
Naar mijn mening is het antwoord op die vraag nee en ik weet ook waarom.
Het gebrek aan waakzaamheid heeft niets te maken met het gebrek aan professionele ernst van de aanwezige werknemers, maar wel met een gebrek aan voldoende personeel.
Méér personeel in onze scholen, crèches etc. betekent een beter menselijk controlesysteem van ogen en oren. Er moeten geen premies worden uitgereikt voor high-tech security systemen. Ik wil mijn kinderen namelijk niet opsluiten in liefdevolle gevangenissen. De overheid moet investeren in meer personeel.
In de school van mijn dochter, een degelijke en hoogaangeschreven onderwijsinstelling, hebben de leerkrachten, de directie en het ondersteunend personeel het zo druk met de grote klassen, de volle lessenroosters, de drukke agenda, dat tijdens de lessen de gangen en speelplaatsen er verlaten bijliggen.
Niemand heeft tijd of aandacht om te zien wie er in- en uitloopt. Een mens kan ten slotte maar met zoveel dingen tegelijk bezig zijn.
_

woensdag 11 februari 2009

Gratis boek voor elke zevenjarige

In alle kranten stond het te lezen vandaag: gratis boek voor elke zevenjarige! Gisteren had ik het ook al op het journaal gezien. Het ministerie van cultuur, Bert Anciaux, en de Stichting Lezen kondigden trots aan dat er vanaf 11 februari voor elk van de 63.000 zevenjarige in Vlaanderen het prachtige voorleesboek ‘Voor nu en nog heel lang’ gratis en voor niks klaar ligt in de openbare bibliotheek. Een half miljoen euro heeft de minister daarvoor opgehoest.

Blij dat ze waren, mijn zevenjarigen. Ik heb er zo twee in huis. De schoolbel had deze middag nog maar net gerinkeld of ze zaten allebei op de achterbank van de auto te wachten om naar Averbode te rijden om hun nieuwe boek af te halen.
‘Want wij zijn zeven jaar, hé mama, en in de krant staat dat je een boek cadeau krijgt als je zeven jaar bent.’
Met hun uitleenkaart hoog in de lucht gestoken schoven ze aan bij de balie. Wat duurde het lang. Popelend van ongeduld telden ze het aantal mensen dat nog voor hen in de rij stond. Moesten we nu zo nodig op het drukste moment van de week komen?
Oef! Eindelijk was het hun beurt. Ze klommen gelijktijdig tegen de hoge balie omhoog. Ik heb altijd het gevoel dat ze in de bibliotheek niet helemaal blij zijn met de klimpartijen van mijn tweeling, maar dan hadden ze maar een meer kindvriendelijke balie moeten bouwen. Als ze willen dat de bibliotheek toegankelijker is voor kinderen, geef hen dan ook de kans zelf hun boeken uit te lenen zonder halsbrekende toeren te moeten uithalen om het personeel te woord te staan.
‘Wij zijn zeven jaar!’ riepen ze samen uit. ‘Dan krijgen wij een boek.’
‘Klopt,’ zei de vriendelijke dame achter de balie.
Mijn kinderen overhandigden hun bibliotheekkaart om hun identiteit en leeftijd te bewijzen. Na de biep van de scanner, keek de dame hen een voor een aan.
‘Hoe oud zijn jullie?’
‘Zeven jaar.’
‘En wanneer waren jullie jarig?’
‘In december,’ zei mijn dochtertje, ‘dus zijn we morgen precies zeven jaar en twee maanden oud.’ We hadden in de auto het rekensommetje gemaakt.
Stilte. De vriendelijke dame achter de balie wisselde een snelle blik uit met haar collega en keek toen blozend in mijn richting.
‘Het spijt me, mevrouw,’ stamelde ze. ‘De boeken zijn enkel voor kinderen die geboren zijn in 2002.’
Een iets langere, dit keer ook iets pijnlijkere stilte.
‘Dat kan niet,’ zei mijn dochtertje die niet op haar mond gevallen is, ‘want ik heb een nichtje dat in 2002 geboren is en zij is nog maar zes jaar. Het boek is voor kindjes van zeven jaar. Het staat in de krant en ze hebben het op het nieuws gezegd.’
Nog voor de bibliothekaresse een nieuw woord kon uitbrengen, sprong mijn dochtertje met een elegante zwaai van de rand van de balie op de grond, rende naar de ingang van de bibliotheek en wees naar de grote letters op de affiche: ‘Kijk zelf maar!’
En toen, tot onze verbazing, zagen we het. Toen pas zagen we wat daar geschreven stond. Bijna hetzelfde als in de kranten. Echt waar bijna.

‘Word je dit jaar 7? Kan je al lezen? De bib heeft een cadeau voor jou!’

Met twee zwaar teleurgestelde zevenjarigen wandelde ik terug naar de auto. En met lege handen, want ze hadden zelfs geweigerd om hun wekelijkse leesboekjes uit te kiezen. Hun protestactie tegen de bibliotheek.
‘Ik wil hier nooit meer komen,’ slingerde mijn zoontje mij nog naar het hoofd toen ik de auto startte.

Zijn we dan toch van een kale reis thuis gekomen? Ik denk het niet. Misschien is het cadeau dat we vandaag van de minister van cultuur gratis en voor niks gekregen hebben wel de koude douche die ons deed beseffen dat niet altijd alles is wat het lijkt.
_

zaterdag 7 februari 2009

Toenadering

Volgens het Forum der Joodse Organisaties (FJO) is er sprake van een wederopmars van het antisemitisme in Vlaanderen. Dat zei Hans Knoop, oud-journalist en adviseur van het JFO, gisteren in een interview met de Nederlandse krant De Telegraaf.
Als bewijs daarvoor voert hij aan dat er weer overal gesproken wordt over ‘ze’ en dat het adjectief ‘Joods(e)’ opnieuw te pas en te onpas te horen is.
Knoop, die al twintig jaar in België woont, meent hieruit te mogen besluiten dat vanaf nu alles als een gevaar moet worden gezien. Alles behalve het Vlaams Belang. Zij zoeken namelijk toenadering.

Vorige week moest mijn jongste zoon in Gent testen afleggen voor de Gym Federatie. De ouders of andere chauffeurs die vanuit heel Vlaanderen waren meegekomen, mochten geduldig en in stilte aan de periferie van de zaal wachten.
Op drie uur tijd heb ik de Knack twee keer cover-to-cover uitgelezen en het gezicht van Filip Dewinter, dat op ware grootte op de voorpagina stond, in al zijn kleinste details bestudeerd. Mooie tanden heeft die man.
Maar mooie woorden heeft hij niet. Het interview met Dewinter op pagina zesentwintig staat zoals altijd bol van slogans en tirades tegen de vreemdelingen. Ik worstel mij telkens weer tegen beter weten in door zo’n interview, want uiteindelijk word ik ook daar een beetje misselijk van.
Over de Joodse gemeenschap zegt Dewinter dat ze eerder een bondgenoot is dan een vijand. (Twee vragen eerder beschuldigde hij de interviewer er nog van het Vlaams Belang handelsreizigers in angst en haat te noemen, terwijl hij continu praat over wie voor hem en zijn partij de vijand is.) Een bondgenoot omdat ze deel uitmaakt van de Europese beschaving. Israël, zo zegt hij, is een baken van democratie in het Midden-Oosten en dus de voorpost van Europa in vijandig gebied.
Nu zou de Joodse gemeenschap in Vlaanderen plots een bondgenoot zijn, terwijl het tijdschrift Branding indertijd, onder het voorzitterschap van nota bene Dewinter zelf, racistische en fascistische gedachten propageerde.
Maar misschien is dat alweer meer dan twintig jaar geleden, toen Hans Knoop nog niet in België woonde.

Toenadering heet dat. Schromelijk en weinig gracieus gescharrel is het, van een partij die krampachtig op zoek is naar bondgenoten en die stemmen probeert te halen bij mensen die door hen tot voor kort nog werden ingedeeld bij de rest van de horde gevaarlijke en ongewenste vreemdelingen in Vlaanderen.
_

donderdag 5 februari 2009

Begrotingstekort

Toen ik vanochtend in de boekentas van mijn jongste zoon rommelde, vond ik ergens onderaan, tussen zijn klasagenda en zijn lekkende drinkbus, een opgeplooide pagina uit een tijdschrift.
Nieuwsgierig vouwde ik het blad open en tot mijn verbazing stelde ik vast dat het uit de Dag Allemaal van 25 november 2008 was gescheurd. We hebben dit weekblad niet in huis, ook al lees ik er graag in tijdens het wachten bij de kapper of in het frituur. Ik schaam me daar niet voor.
Ik vroeg me meteen af waar mijn zoontje dit blad vandaan had gehaald. Ook was het me niet meteen duidelijk waarom hij nu precies deze pagina had bijgehouden.
Nu ligt het hier naast mijn keyboard. Bovenaan prijkt de titel: Het koningshuis voelt de crisis niet. Er staan foto’s op van de koning, drie van zijn vier kinderen en van koningin Fabiola. Het artikel gaat over, je raadt het al, de civiele lijst, zoals de inkomsten van de koning worden genoemd, ook al zou de royale lijst meer correct zijn.
Na wat heen- en weergepraat tussen het paleis en de Wetstraat kregen we, aldus Dag Allemaal, uit betrouwbare bron binnen het paleis te horen dat de koning zelf gevraagd had om de indexaanpassing, die tussen de zes en tien procent bedroeg, te temperen tot vier procent.
Onderaan het artikel staan twee kolommen met namen en bedragen: hoeveel ze zouden gekregen hebben, de leden van onze monarchie, en wat ze nu zullen krijgen dit jaar.
De koning en koningin staan bovenaan en krijgen dus het leeuwenaandeel. Tweede op de lijst staat koningin Fabiola. Zij zal dit jaar 1.565.000 euro’s ontvangen uit de Belgische staatskas.
Veel geld, dacht ik zo stil in mijn hoofd, en voor ik er erg in had, dwaalden mijn gedachten af naar de afdeling intensieve zorgen van het Brusselse Sint-Jansziekenhuis.
Zou Didier Reynders daar af en toe op bezoek gaan om te controleren of het begrotingstekort binnenkort anderhalf miljoen euro minder groot zal zijn?

Een kwartier later stond mijn zoontje op en kon ik vragen naar het hoe en waarom van de aanwezigheid van de koninklijke familie in zijn boekentas.
‘Heb ik uit het tijdschrift van Kobe gescheurd,’ zei hij, ‘om de letters van mijn naam uit te knippen.’
Toen zag ik het. Er waren drie gaatjes in het blad. Zijn naam en die van de koning beginnen met dezelfde letter.
_

dinsdag 3 februari 2009

Gemeenschapsgevoel

Ik steek niet onder stoelen of banken waar ik voor sta. Ik geloof in gelijkheid, sociale rechtvaardigheid en solidariteit. Dat zijn drie basisprincipes die nodig zijn om mensen de kans te geven zich goed te voelen, om zich tot hun vol potentiëel te ontwikkelen, om gelukkig te zijn. Alle mensen, ongeacht hun afkomst, geslacht, geloof, geaardheid, handicap of huidskleur. In Scherpenheuvel-Zichem is daar nog werk aan. Er wordt niet stil gezeten, begrijp mij niet verkeerd, maar het kan nog veel beter.

Ons gemeenschapsgevoel, hoe zit het daar mee?
Toen ik drie en half jaar geleden, na zeventien jaar in Jordanië, met mijn kroost terug in Scherpenheuvel kwam wonen, had ik het gevoel dat de solidariteit hier soms ver zoek is. Ieder voor zich, leek wel het motto.
Op een dag – we woonden hier misschien een maand of vier – reed ik door Scherpenheuvel en zag ik zuster Ludgarde, die vroeger mijn directrice van de lagere school was, buiten komen bij Dr. Pauwels. Ik kwam traag aangereden en zag haar al van op afstand de straat op schuifelen. Haar benen waren dik opgezwollen.
Stoppen leek mij de normaalste zaak van de wereld. Ik rolde het venster af en vroeg aan de zuster of ik haar misschien een rit terug naar het klooster kon aanbieden, slechts twee straten verder.
Als antwoord op mijn voorstel kreeg ik een lege blik. Zuster Ludgarde staarde mij niet begrijpend aan.
‘Kom, zuster,’ zei ik, terwijl ik uitstapte en de deur voor haar open hield. ‘Stap in en dan breng ik u naar huis.’
‘Wil jij dat doen voor mij?’ vroeg ze. De verbazing was ontroerend. ‘Heb jij daar tijd voor?’
Voor ze uit de auto stapte op het Isabellaplein, had ze me al vijf keer bedankt.

Toen ik weer alleen in mijn auto zat, had ik het gevoel dat ik getuige was geweest van een ziekteverschijnsel. En het maakte me een beetje misselijk. Waar was de solidariteit in onze stad?
Waarom was de verbazing in haar ogen zo groot geweest? Natuurlijk wilde ik haar naar huis brengen. Natuurlijk wilde ik daar vijf minuten tijd voor maken. Het was maar een kleine moeite. Toch sloeg ze bijna letterlijk achterover van ’t verschieten.

Daar moet toch iets aan gedaan worden.
_