maandag 30 maart 2009

Dagboek van een oorlog (13)

_
Zondag 30 maart 2003

Op de derde pagina van de Jordan Times verschijnt elke dag het Home News. In de linkerkolom staan er een lijstje van de hoogtepunten. Vandaag zijn het er vijf. Twee hebben met Irak te maken.

Het eerste draagt als titel: Iraqi nationals here can channel donations through embassy. De Iraakse ambassade in Amman heeft sinds zaterdag zijn deuren geopend om Iraakse burgers in Jordanië de kans te geven geld te doneren. Volgens de officiële verklaring aanvaardt de ambassade alle financiële en andere giften om het Irakeese volk te steunen in hun volharding tijdens deze tijd van oorlog en onaflatende internationale sancties.

Een week geleden reed ik nog voorbij de Iraakse ambassade. Het gebouw is omringd door een hoge muur met kantelen en een kanjer van een vergulde poort. De muur is versierd met lichtblauwe tegels en versieringen. Deze ambassade ligt in een deel van de stad waar ik zelden kom, maar morgen zal ik eens de inspanning doen om tot daar te rijden in een taxi. Om te zien hoeveel mensen staan aan te schuiven met donaties.
Gisteren schreef ik nog dat er vierhonderduizend straatarme vluchtelingen zijn in Amman. Hoeveel geld zullen zij naar de ambassade dragen?

Het tweede onderwerp in de linkerkolom van de Jordan Times is: Amman Private University halves tuition fees. De Amman Private University (APU) heeft beslist om alle studenten die uit Irak moeten vluchten vijftig procent korting te geven op hun leergeld.
Bijna tweeduizend vijfhonderd Jordaanse jongeren studeren namelijk aan Irakeese universiteiten. Ze zijn intussen terug thuis. Volgens het artikel heeft koning Abdullah richtlijnen gegeven om de inschrijving van terugkerende studenten te vergemakkelijken. De APU volgt als eerste deze richtlijnen. U vraagt, wij draaien!

Verder staat er op pagina drie ook nog een artikel over Abu Hamed, een achtenvijftigjarige Palestijn die in ’67 zijn land werd uitgejaagd en al zesendertig jaar in Hitteen Refugee Camp woont, een vluchtelingenkamp op amper elf kilometer van Amman. Abu Hamed zegt dat hij vanwege zijn eigen verbittering heel goed kan begrijpen hoe de Irakeese bevolking zich momenteel moet voelen.
Bij het lezen van dit artikel maak ik de bedenking dat het onbegrip bij de mensen elke dag groter wordt. En in het hart van de Jordaniërs groeit stilaan ook woede en zelfs haat. Omdat zoveel bloedvergieten tegen alle rede ingaat.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

zondag 29 maart 2009

Dagboek van een oorlog (12)

_
Zaterdag 29 maart 2003

Op donderdag kreeg ik een email van mijn moeder met als onderwerp: Amai! Ze vertelt over een reportage op Nederland 1 over Iraakse vluchtelingen die al jaar en dag proberen te overleven in Jordanië.
Ik zie hen alle dagen, de vrouwen in zwart. Ze zitten op de stoepen voor de winkels in Sweifiyeh sigaretten of snoepjes te verkopen. Het zijn stuk voor stuk Irakese oorlogsweduwen, die zonder enige vorm van inkomen of steun van de Jordaanse overheid tot bedelen gereduceerd zijn.
Er zijn naar schatting vierhonderduizend Irakese vluchtelingen in Jordanië. De grootste influx werd veroorzaakt door de eerste Golfoorlog. Sinds die tijd zijn er nog steeds dagelijks Irakezen die de grens oversteken om het regime van Saddam te ontvluchten.
Mijn moeder zei dat er in de reportage gepraat werd over Yousef Hashweh. Hij is een reverend en dokter van de CAMA-kerk en leidt een project dat gratis medische verzorging biedt aan deze Irakese mensen, maar ook aan arme Jordaanse families, ongeacht hun geloofsovertuiging. De CAMA-kerk is een Nederlandse zendingsbeweging met projecten in zevenentwintig landen over de hele wereld.
Wat gaan deze vluchtelingen doen na de ‘bevrijding’ van Irak? Zitten ze met ongeduld te wachten om terug te keren? Hier zijn ze in ieder geval niet welkom. Ze vormen een last die de lokale economie niet aankan. Dus kan er van integratie en blijven geen sprake zijn, aldus de algemene consensus. Jordanië is uiteindelijk nog steeds een derde wereldland.

Mijn moeder rapporteerde ook dat er in De Morgen een artikel stond over het Jordaanse koningshuis onder de titel: ‘Jordanië danst op het slappe koord.’ Het gaat over de voorbereidingen die al zouden getroffen zijn voor het ballingschap van de koninklijke familie in geval van volksopstand.
Natuurlijk is dit klinklare onzin. Wie heeft die voorbereidingen dan getroffen? Je gaat mij niet komen vertellen dat ze gaan weglopen, hoe erg het hier ook uit de hand loopt. Misschien zinspeelt het artikel op de blunder die koning Abdullah vorige week begin. Toen wees hij op vraag van Amerika vijf Irakese diplomaten uit. Jordanië was het tweede land om aan dat verzoek tegemoet te komen. Die beslissing wordt hem alles behalve in dank afgenomen. De situatie is op dit moment zeer delicaat. Er is inderdaad niet veel meer nodig om het volk helemaal tegen hem keren.

Hoe langer dit conflict aansleept, hoe slechter voor Jordanië. De economische ramp is niet te overzien. De handel en import/export, waarvan de mensen hier grotendeels leven, staan zo goed als stil. Er komen geen buitenlandse investeerders meer. Het toerisme staat op een historisch laag pitje.
In de Sharq al-Awsat (de Arabische krant die in Londen gepubliceerd wordt) stond gisteren dat volgens een aantal Egyptische analysten de VS van plan is het hele Midden Oosten te ‘bevrijden’.
Allah yustur, God behoede ons.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

vrijdag 27 maart 2009

Dagboek van een oorlog (11)

_
Donderdag 27 maart 2003

Het is kwart na middernacht. Ik lag al in mijn bed toen ik terug moest opstaan om dit op te schrijven: in het Westen zijn er mensen die beweren dat het nauwelijks een oorlog kan genoemd worden, wat er gaande is in Irak, omdat er bijna geen sprake is van slachtoffers.
Op een discussieforum las ik: ‘Het klinkt natuurlijk cynisch maar het aantal slachtoffers valt nog enorm mee als je kijkt naar de enorme inzet van het wapentuig.’
Cynisch vind ik eerder deze uitspraak.
Hier is wat ik erover denk.
Ten eerste is het helemaal in het Anglo-Amerikaanse belang dat er in alle stilte wordt gezwegen over hoeveel doden er in Irak al gevallen zijn. Je kan mij niet vertellen dat wanneer er al meer dan duizend raketten zijn afgevuurd dat daar geen slachtoffers bij vallen. Komaan.
Hoe accuraat die bommen ook mogen zijn, ze hebben al honderden en honderden slachtoffers gemaakt. Die raketten landen niet in de woestijn. Surf maar eens naar een website dat een stadsplan van Baghdad toont. Die stad is niet ontworpen als Washington DC, waar er kilometers open ruimtes zijn tussen de regeringsgebouwen. Dit is een stad waar alles op elkaar gebouwd staat. Je kan niet bombarderen zonder honderden slachtoffers te maken.
De Amerikanen en Britten zwijgen over die slachtoffers in alle talen, vooral dan Engels. Omdat de Irakese burgers hen moeten zien als de bevrijders.
Ten tweede is er Saddam zelf die zwijgt over het ware aantal doden. Hij wil zijn eigen bevolking niet ontmoedigen. Hij probeert de oorlog te minimaliseren door te doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Enkele tientallen slachtoffers, big deal. Die Amerikanen kunnen er niks van. Laat maar komen, wij vechten wel terug. Laat ze maar gebouwen platgooien, die bouwen we wel samen terug op eens we hen hier hebben buitengesmeten.

Niemand wil toegeven hoeveel doden er vallen. De propagandapraktijken werpen duidelijk betere resultaten af dan de bommenwerpers bommen.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

donderdag 26 maart 2009

Dagboek van een oorlog (10)

_
Woensdag 26 maart 2003

Vandaag heb ik foto’s gezien van mijn zee van bloemen. Een van de twee vrienden met wie ik tien dagen geleden op die mooie heuvel heb gezeten, ging eergisteren terug en maakte drie prachtige foto’s. Hij wou de herinnering vastleggen vooraleer de bloemen in de boomgaard verdwijnen. Het resultaat is adembenemend.

Gisteren is het in de loop van de namiddag weer beginnen sneeuwen. In de tijdsspanne van een uur waren alle wegen dichtgesneeuwd. En dat op het einde van maart. Ik heb het hier nog nooit meegemaakt.
Toen ik vanochtend de rolluiken optrok, zag ik de straat niet eens. De hele stad was bedekt met een melkwitte, dichte mist. De schoolbus kwam pas om negen uur opdagen, twee uur later dan normaal, en ik had een beklemmend gevoel toen mijn oudste kinderen opstapten. Alsof ik hen nooit meer zou terugzien. Ze zijn intussen weer veilig thuis.

Vanmiddag ging ik op bezoek in The Humane Center for Animal Welfare, de enige fatsoenlijke dierenwelzijnsorganisatie in Jordanië. Daar was ik getuige van het einde van een leven. Het leven van een achtien jaar oude, zwarte muilezel die door jarenlange ondervoeding en hard werken totaal op was. Hij kon niet eens meer op zijn poten staan.
Zijn eigenaar, een straatarme boer wiens economische overleving afhangt van dit dier, stond openlijk te huilen. Het was ijskoud, het sneeuwde, de ezel lag onder het afdak op een deken, zijn hoofd op een baal stro. Het was een surreële scène. Een situatie waarvan je je afvraagt of je er wel echt op staat te kijken.
Voor mijn ogen stortte de wereld in van een straatarme man. Hij zag zijn leven wegvloeien, samen met dat van zijn ezel. Hoe zal hij nu zijn velden ploegen? Hoe moet hij zijn oogst naar de markt brengen? Wat gaan zijn kinderen eten? Hoe moet het nu verder?
Terwijl ik naar hem keek, durfde ik amper de gedachtensprong te maken naar de slachtoffers in Irak, die ook liggen te sterven, voor wie ook tranen van onmacht en verdriet worden uitgestort.

Ik wil dit nog even kwijt over deze kloteoorlog. Ik ben verlamd door de gedachte dat zoveel mensen in de wereld denken dat wanneer je tégen de oorlog bent, je ook vóór Saddam zou zijn. Ik snap het niet.
Iedereen is het er over eens dat de bevolking van Irak het slachtoffer is geweest van de jarenlange tirannie van een magalomaan wiens machtslust geen grenzen kent. Hij heeft zijn volk geregeerd en geterorriseerd. Daar zijn we het allemaal over eens. Maar dat betekent niet dat om hen te helpen het nodig is om hen nog een beetje dieper in de wanhoop en de ellende te drukken.
Vandaag kreeg ik koude rillingen bij het zien van de beelden van de juichende mensen in de straten van Umm Qasr. Dagenlang had de wereld commentaar op de afwezigheid van de opgeluchte inwoners. Waarom liep niemand de geallieerde troepen tegemoet om hen te bedanken? Al die tijd was ik blij, fier zelfs, dat de mensen van Umm Qasr zich kloek en trots hielden. En nu… nu waren de beelden er plots toch.
Ik droom van de tijd toen er nog geen televisie was, toen je nog niet kon zien wat er gaande was, dat er niets anders op zat dan het einde van de oorlog af te wachten en te hopen dat jouw kant gewonnen had.
Misschien ben ik wel een lafaard.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

dinsdag 24 maart 2009

Dagboek van een oorlog (9)

_
Maandag 24 maart 2003

Gisteren was ik diep geschokt door de beelden van een Amerikaanse soldaat die door Iraakse militairen voor de camera’s werd opgevoerd. Hij staarde verward heen en weer, alsof hij onder de invloed was van drugs. De angst was duidelijk van zijn gezicht af te lezen.
Omwille van die beelden heb ik vandaag geen tv gekeken. Struisvogelstrategie. Het gaf me echter wel de tijd om wat gesprekken te voeren met mensen. De meningen lopen ver uiteen, maar toch zijn er hier en daar een aantal overeenkomsten.
‘We kunnen niet te lang in zoveel spanning leven,’ zegt de ene.
‘We vinden dat de bevolking van Irak niet nog eens een aanslepende oorlog hoeft te ondergaan,’ zegt de andere. ‘Dat ze dus maar snel ‘bevrijd’ mogen worden.’
Veel mensen trekken zich hier bijna het haar uit hun hoofd bij de gedachte dat de Amerikaanse soldaten verwacht hadden om Basra binnen te wandelen en daar begroet te worden door een juichende menigte opgeluchte inwoners.
'Hebben die Amerikanen dan nog nooit van trots gehoord?'
‘Hadden ze nu echt verwacht om van Kuweit City naar Bagdad te marcheren zonder op verzet te stoten?’
'Ook al worden die mensen door Saddam onderdrukt en misschien zelfs uitgehongerd, ze zijn en blijven in de eerste plaats Irakezen.'

Langzaam maar zeker laaien de gemoederen hier hoger en hoger op. De Jordaniërs halen er voldoening uit dat de Irakezen terugvechten, dat ze sterker zijn dan de geallieerden hadden voorspeld. Good for them!
Gisteren stonden honderden studenten van de University of Jordan aan de poorten van de campus oog in oog met de politie. Later kwamen elders in de stad ook ruim drieduizend mensen bijeen voor een vredige protestmars.
Vanuit die laatste groep kwam er een oproep aan de hele Arabische gemeenschap en alle officiële instanties in het Midden-Oosten om de Irakezen te steunen in de ‘verdediging van hun natie’. Ook in Irbid, de tweede grootste stad van Jordanië, werd er een gelijkaardige bijeenkomst georganiseerd.

En wat denken mijn kinderen er over? Ik moest even slikken toen mijn oudste zoon tijdens het avondmaal vertelde dat hij vandaag op school bomalarm geoefend had. Toen de bel drie keer ging, moesten alle leerlingen onder hun bank kruipen.
‘Hoe gaat dat ons beschermen tegen een inslaande bom?’, vroeg hij terecht.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

zaterdag 21 maart 2009

Dagboek van een oorlog (8)

_
Vrijdag 21 maart 2003

Vandaag is de eerste dag van de lente. Stel je voor.
Ik zit vanavond weer naar tv te kijken, ook al heb ik de hele dag bijna niets anders gedaan. Het ‘vuurwerk’ in Bagdad gaat zo meteen herbeginnen na een staakt-het-vuren van een uur.
Ik heb er stilaan genoeg van. De hele avond al breng ik door met het heen- en weerzappen tussen BBC World, Jordan Television en de Iraakse televisie.
In Irak zag ik eerst het einde van een praatprogramma tussen drie mannen in legeruniform. Daarna verscheen er een gepassioneerde zanger die plechtstatig een lied zong ter grotere glorie van zijn president. Als je hem moet geloven is Saddam Hussein niet veel minder dan God de Vader zelve.
Dan maar weer BBC World kijken. (CNN kan ik niet ontvangen.) Daar wordt net gezegd dat er vandaag demonstraties waren in Amman. Ik denk aan mijn moeder. Haar ontgaat geen woord van de berichtgeving. Maakt ze zich niet te ongerust? Natuurlijk wel, hoe kan het anders.
Even later belt ze om te vragen hoe het met ons gaat. Zorgen maakt ze zich niet, zegt ze. We lachen bij de bedenking hoe ver Bagdad en Amman van elkaar verwijderd liggen.
‘Als er in Madrid bommen vallen, merk je daar in België toch ook niks van,’ stel ik haar gerust.
‘Zelfs al vielen ze in Eindhoven,' grapt ze, 'we zouden er ons in Scherpenheuvel niks van aantrekken!’
Daarna praten we wat meer geanimeerd dan anders over mijn kinderen, mijn ex, mijn vader.

Om tien uur begint het journaal op Jordan Television. Vandaag gebruiken ze het woord alleged, vermoedelijk, minstens twee keer in elke zin. Het nieuws van de geallieerde opmars in Irak wordt hier met veel argwaan onthaald.
De nieuwslezer hamert minutenlang op het feit dat in Umm Qasr de Amerikaanse vlag werd gehezen. Dat gelooft in Jordanië wellicht niemand. En indien het waar is, vindt iedereen het terecht een zware schending van de Iraakse sovereniteit.
Het kan voor de Jordaanse overheid niet gemakkelijk zijn om het midden te houden tussen hun steun aan Amerika, die om economische en politieke redenen schijnbaar onontbeerlijk is, en de sterke emoties van de Jordaanse bevolking. Zelfs het feit dat zoveel Iraakse soldaten zich al hebben overgegeven aan de geallieerde troepen gaat er hier nauwelijks in. Misschien is het wel opgezet spel. Een soort van Hollywoodproductie. Wag the Dog.
Dan zap ik nog even terug naar de Iraakse telelvisie. Daar tonen ze toevallig net de toespraak van Mohammad Said al-Sahhaf, de minister van informatie. Ik versta niet genoeg om met zekerheid te zeggen waarover hij praat, maar de beelden die volgen liegen er niet om: gebombardeerde gebouwen en totale ravage. De schade is enorm.
Deze beelden krijgt de hele wereld morgen bij het eerste daglicht voorgeschoteld via de Westerse media.

Nu stop ik er mee. Met een overtuigde druk op de knop zet ik mijn tv af. Jammer dat de mensen in Bagdad niet op die manier hun miserie kunnen afzetten.
Aan de bevrijding van een volk hangt een hoog prijskaartje.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

vrijdag 20 maart 2009

Dagboek van een oorlog (7)

_
Donderdag 20 maart 2003

De aanvallen zijn begonnen. Toen ik om vijf uur vanochtend opstond om de verwarming aan te zetten, kon ik niet aan de verleiding weerstaan om even naar BBC World te kijken.
Ari Fleischer, de woordvoerder van het Witte Huis, was net klaar met een statement. Terwijl de commentator nog even samenvatte wat Fleischer had verteld, schakelde het beeld al over naar George Bush, die zich opmaakte om zelf het woord te nemen. Een kapster was ijverig in de weer om zijn haar met kam en spuitbus te cementeren. Bush maakte ondertussen een grapje met de mensen van de cameraploeg en het geluid.
Terwijl ik zat te kijken, moest ik plots denken aan neuroloog Oliver Sacks. In zijn boek The Man Who Mistook his Wife for a Hat beschreef hij een incident in een psychiatrisch ziekenhuis waar hij werkte. Op een dag ontstond er grote opschudding in de gemeenschappelijk televisiekamer. Een aantal patiënten keken samen tv en waren in een hysterische lachbui uitgebroken. Toen Sacks en het verplegend personeel bezorgd kwamen toegelopen, bleek dat de patiënten naar een toespraak van toenmalig president Ronald Reagan zaten te kijken. Zonder geluid!
Sacks legde in zijn boek uit dat communicatie bestaat uit veel meer dan alleen maar het gesproken woord. Een overtuigende speech heeft ook met lichaamstaal te maken en als dusdanig ook met lichamelijke geloofwaardigheid. En die geloofwaardigheid was bij Reagan duidelijk ver zoek.
Toen ik president Bush bekeek, moest ik – ondanks de pijnlijke redenen waarom hij op mijn scherm was verschenen – toch een glimlach onderdrukken.

Maar natuurlijk vergaat het lachen ons hier allemaal wanneer we denken aan het feit dat het wachten nu voorbij is. Nochtans is er vanuit het raam van mijn flat nog steeds weinig te merken van enige spanning in Amman. Er zijn minder mensen op de been, dat wel. Zelfs bij de kapper was er bijna niemand. Maar ik neem aan dat weinig mensen van plan zijn om vanavond op stap te gaan. Iedereen wil tv kijken. El Jazira, Jordan Television of CNN.
Vanochtend werd er in de Jordan Times nog met geen woord gesproken over de vroege aanvallen op Baghdad. De krant was waarschijnlijk al ter perse gegaan toen de aanvallen begonnen.
Wat er wel in stond was een artikel over het vluchtelingenkamp in Ruweished, aan de Jordaans-Iraakse grens, opgezet door de Rode Halve Maan. Daar kwamen gisteren zes families toe. Mensen die al twintig jaar in Baghdad wonen, maar nu toch het zekere voor het onzekere nemen.
‘We zullen wel teruggaan wanneer alles achter de rug is,’ zei een van de mannen.

Mijn oudste kinderen hoefden niet naar school vandaag. De Public Security Department (zoals de politie hier heet) raadde onze school aan om de poorten dicht te houden op de eerste dag van de aanvallen. Omwille van de buitenlandse leerlingen en leerkrachten. De politie zal ons adviseren wanneer het weer veilig is om de lessen te hervatten.
Wat een onzin. Op die manier maak je pas een doelwit van de school. Bovendien hebben vierenzestig procent van de leerlingen het land al verlaten. Het is allemaal onnodige paniek.
Ik maak me daar verschrikkelijke druk om, terwijl mijn oudste kinderen het gewoon fijn vonden om onverwacht een dagje vrij te hebben.
De volgende uren en dagen zal heel Jordanië aan de televisie gekluisterd liggen. Hoe is het mogelijk dat we zo’n informatiehonger hebben ontwikkeld? Vroeger werden oorlogen gevoerd, verloren of gewonnen, en enkel de overlevenden konden er nog iets over navertellen.
Nu heeft elke tv-zender zijn eigen man of vrouw in Bagdag en wacht de wereld met ongeduld op elk kruimeltje nieuws dat in onze richting wordt gegooid.

Trouwens... wat zou er van Peter Arnett van CNN geworden zijn? Ken je hem nog? Hij was tijdens de vorige Golfoorlog de laatste reporter die nog vanuit Bagdad mocht verslag geven.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1).
_

woensdag 18 maart 2009

Dagboek van een oorlog (6)

_
Dinsdag 18 maart 2003

Vandaag is bij mij de verslagenheid heel groot. Het wachten is voorbij. Saddam en zijn zonen hebben achtenveertig uur de tijd gekregen om Irak te verlaten, met als gevolg dat de oorlog er nu echt zit aan te komen.
Tijdens de toespraak van Bush kon ik mijn tranen niet bedwingen. Hij richtte zich tot de Iraakse soldaten met de boodschap niet langer een stervend regime te verdedigen. Toch offeren die soldaten zich met passie op voor hun president. Stervend regime of niet.
Zo zijn de Irakezen nu eenmaal. Ze geloven koppig in de overwinning. Zelfs wanneer ze oog in oog staan met het machtigste leger ter wereld. Voor ons lijkt dat hallucinant, maar voor hen is het vanzelfsprekend. Kijk maar naar alle vrijwilligers uit andere Arabische landen die trouw zweren aan Saddam en ook bereid zijn om hun leven te geven in een strijd die voor ons al op voorhand verloren lijkt.
Toen ik het vliegtuig van de VN inspecteurs zag opstijgen, vloeide bij mij weer de tranen. ‘Mission failed’, zei de nieuwslezer. Wat gefaald heeft is de diplomatie, de volharding, de goedheid.

Gisteren stond er op pagina drie van de Jordan Times een artikel over hoe een Egyptische populaire zanger, Shaban Abdel Rahim, de gevoelens van vele Arabieren heeft omgezet in het lied Attacking Iraq. Het zou gaan over een protestlied gericht aan het adres van George Bush.
‘Kijk liever naar Israël en laat Irak met rust!’, zingt Abdel Rahim. Het lied is erg populair downtown, waar de gemoederen altijd sneller en hoger oplaaien dan uptown. Maar volgens het artikel begint er nu ook in de andere delen van de stad vraag te komen naar het lied.
Protest is er in mijn onmiddellijke omgeving ook tegen de nakende oorlog. Iedereen maakt zich erg ongerust. De meeste mensen beschouwen een oorlog als illegaal en onaanvaardbaar. Afgelopen zondag werd er hier vlakbij een wake bij kaarslicht gehouden. Daar werden borden met Disarm Bush omhoog gehouden. De anders zo gematigde Jordaniërs uiten nu openlijk hun misnoegen.

Samen met de rest van de wereld telt Amman af naar het moment van de waarheid. Nog achtenveertig uur. Moeten we nu hopen dat het een korte blitz wordt? Dat ze Saddam en zijn zeven dubbelgangers binnen afzienbare tijd kunnen ombrengen? Misschien wel. Veel anders zit er niet meer op. Misselijk word ik er van.

Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

zondag 15 maart 2009

Dagboek van een oorlog (5)

_
Zaterdag 15 maart 2003

Vanochtend kreeg ik een email van mijn zus waarin ze schrijft dat het maandag, dinsdag of woensdag gaat gebeuren. En dat terwijl ik gisteren nog even gegrepen werd door de illusie dat het er nooit van komt. Ik weet natuurlijk ook dat die oorlog er gewoon wél komt, maar ik vind dat men nooit de hoop mag opgeven dat de pure goedheid of de rede dan toch de bovenhand haalt.

Afgelopen donderdag had ik een vergadering bij een nieuwe klant. Jane Taylor is een Engelse fotografe die al veertien jaar in Jordanië woont. Net zo lang als ik. Zij wil de vrije tijd, die de (nakende) oorlog haar geeft, gebruiken om eindelijk een website te maken. Ze kan nu toch niet rondtrekken.
Haar werk is zeer gevariëerd en boeiend. Zo heeft ze bijvoorbeeld in Irak een aantal fotoreportages gemaakt. Fantastische beelden. Terwijl we samen haar archieven doorzochten om te zien welke foto’s in aanmerking komen voor de website, maakte ik de bedenking dat we met deze momentopnames over enkele weken misschien een venster naar het verleden hebben. Een soort van fotografische teletijdmachine. De mensen en gebouwen bestaan dan misschien niet meer. Het lachende jongetje met zijn vuile gezichtje zal het mogelijk met zijn leven bekocht hebben. De prijs van de oorlog tegen de terreur zal voor hem veel te hoog zijn geweest.

Ik had besloten om dit weekend niet aan het conflict te denken. Na mijn bezoek aan Jane had ik er even genoeg van. Gisteren ben ik met twee vrienden een ritje gaan maken. Aan het begin van de namiddag zei ik dat we een zee van bloemen moesten vinden op de top van een hoge heuvel. Alleen daar zouden we tijdelijk kunnen ontsnappen aan de realiteit die ons allemaal te wachten staat.
Gemakkelijker gezegd dan gedaan. Begin hier in Jordanië maar eens naar een zee van bloemen te zoeken. Gelukkig is er deze winter veel regen en sneeuw geweest en is het landschap groener dan ik het ooit al gezien heb. Wat kan het hier toch pijnlijk mooi zijn.
We haddden de hoop al bijna opgegeven, toen we na twee uur op een heel smal weggetje terecht kwamen langs een lage, scheefgezakte muur. Achter die muur bevond zich een grote boomgaard vol met oude, statige olijfbomen.
Vlak bij de weg, onder één van de bomen, stond een ezel te grazen. En naast de ezel stond een oud vrouwtje, verrimpeld en versleten van een leven lang werken in de hete zon, hout te hakken.
Tot onze verbazing was de grond van de hele boomgaard bedekt met paarse en roze bloemen. Ik geloof niet dat ik in mijn hele leven al zoveel bloemen bij mekaar heb gezien. Onvoorstelbaar.
Ahlan wa sahlan,’ zei het vrouwtje toen we vroegen of we in haar boomgaard mochten rondwandelen, wat welkom betekent.
We hebben een uur lang in volledige stilte op de grond gezeten in deze zee van bloemen. Vanop het hoogste punt van de boomgaard hadden we een adembenemend zicht op de Dode Zee, de Jordaanvallei en in de verte Jerusalem. Wat leek het daar vredig, op de heuvels aan de overkant. Een echt bijbels tafereel.
’s Avonds, toen ik weer thuis was en op BBC World naar het nieuws keek, zag ik beelden van hoe er die namiddag op diezelfde heuvels dood en vernieling gezaaid was door zwaar gewapende Israëlische soldaten.
De wondermooie stilte van mijn bloemenzee is nu enkel nog een herinnering. Komt er dan nooit een einde aan de pijn in deze regio?

www.janetaylorphotos.com


Lees ook: Dagboek van een oorlog (6)
_

woensdag 11 maart 2009

Dagboek van een oorlog (4)

_
Dinsdag 11 maart 2003

Enkele dagen geleden kreeg ik een email waarin stond dat Ali’s Dry Clean, vlak bij de militaire basis in Sawafi aan de grens met Irak, dagelijks duizend tweehonderd uniformen van Britse en Amerikaanse soldaten wast. Daar zal meneer Ali zelf dan waarschijnlijk heel gelukkig mee zijn. Een uiterst lucratieve bezigheid, dat uniformen wassen.
En hij is niet alleen in het profiteren van een mogelijke oorlog. Zo is er bijvoorbeeld nergens in Amman nog een 4x4 te huur. De stad wordt overspoelt door journalisten en die willen blijkbaar allemaal zo mobiel mogelijk zijn.
Uiteraard is het de regering zelf die de grootste beloning zal ontvangen. In ruil voor haar pro-Westerse houding mag Jordanië van de VS namelijk tweehonderd miljoen dollar per jaar aan militaire steun in ontvangst nemen. Mooi meegenomen. In vergelijking met de paria-status die koning Hussein voor zijn land had verworven tijdens de eerste Golfoorlog heeft koning Abdullah het dit keer wel heel slim gespeeld. Althans vanuit zijn eigen standpunt.
Ik vraag me vaak af op welke basis dat soort beslissingen genomen wordt en wie er eigenlijk precies achter zit.

Gisteren wou ik het zekere voor het onzekere nemen en heb ik Jamil, mijn leverancier van solar (Arabisch voor huisbrandolie) opgebeld. Je weet maar nooit dat morgen de oliekraan wordt dichtgedraaid.
Jamil vertelde in zijn allerbeste Engels dat hij het idee van een oorlog anders best goed vindt. Waarom dat zo is kon hij niet precies uitleggen en ik denk dan ook dat Jamil redelijk uniek is in zijn mening.
De meeste Jordaniërs voelen zich ongemakkelijk bij het idee van oorlog. Vooral dan wat de economische terugslag ná het conflict betreft.
Bovendien is iedereen hier heel erg nauw verbonden met de Iraakse bevolking. Heel veel mensen hebben familie of vrienden in Bagdad. Ze maken zich dan ook terecht zorgen om hen, want de meesten kunnen geen kant uit en zullen in het midden van een gewapend conflict terecht komen.
Behalve Jamil, mijn solarman, heb ik nog één andere stem gehoord ten voordele van de oorlog. Mijn buurvrouw vertelde dat haar huishoudhulp uit Sri Lanka enkele vriendinnen heeft die van de verwarring willen gebruik maken om zonder papieren uit Irak te ontsnappen. Gewoon ergens de grens oversteken.
De grens naar waar in hemelsnaam? Naar Saoedi Arabië, naar Syrië, naar Turkije, naar Iran? Of naar hier, waar ze zonder papieren en zonder pardon achter de tralies vliegen, als waren ze zware criminelen.


Lees ook: Dagboek van een oorlog (5)

dinsdag 10 maart 2009

Dagboek van een oorlog (3)

_
Woensdag 5 maart 2003

Op 3 maart zou de oorlog beginnen. Daar had ik mij altijd zo’n beetje op ingesteld. Het is nu de avond van 5 maart en ik zit hier achter mijn computertje te schrijven, mijn kinderen liggen zalig in hun bedjes te slapen en er is gelukkig nog geen oorlog. Hopelijk, maar hoogstonwaarschijnlijk, zal hij er ook nooit komen.
Terwijl Jordanië nog volop bijkomt van de grote sneeuwstorm van vorige week, vragen we ons met z’n allen af wat er ons eigenlijk allemaal te wachten staat. ‘Helemaal niks, er gebeurt hier helemaal niks,’ is de hoopvolle commentaar van heel wat mensen.
Vanmiddag, toen ik een kopje koffie zat te drinken met enkele vriendinnen, hoorden we aan het tafeltje achter ons iemand zeggen dat de Amerikanen van plan zijn om tijdens de eerste vier dagen van de oorlog vierduizend raketten af te vuren op strategische punten in Irak.
Ook al lijkt mij zo een uitspraak klinklare onzin (hoe kon die man dat nu weten?), het maakt de realiteit van een nakende oorlog toch zoveel pijnlijker. Bommen, raketten, dood, vernieling… Dat zal er allemaal aan te pas komen. Het zendt koude rillingen door me heen.
Ook al hopen we hier in Jordanië van echt geweld gespaard te blijven en ook al zullen er enkel aan de andere kant van de grens mensen sterven, we zullen er toch met onze neus vlak bovenop worden geduwd.

Aangezien ik zoveel vrienden heb binnen de expatgemeenschap, hebben ondertussen al een heel aantal van de mensen die ik ken, de meesten samen met hun kinderen, het land verlaten. Ik wil graag extra benaderukken dat elk van hen, zonder uitzondering, vertrokken is onder protest. Eén enkele Hollandse vriendin zag in haar gedwongen ballingschap een onverwachte kans om eens lekker gezellig gaan te shoppen.
Uiteraard zijn alle diplomaten etc. nog hier. Het zijn maar de non-essentials, zoals die dan heten, het niet-essentiële personeel dat met tegenzin in veiligheid wordt gebracht. De laatste Hollanders vertekken vanavond. De Belgen vinden het nog lang niet nodig om te evacueren.
Het leven in Amman gaat ogenschijnlijk zijn normale gangetje. Van paniek is hier bij de bevolking zeker geen sprake. De supermarkten worden op dit moment nog niet leeggekocht en ik heb nog niet gemerkt dat mensen benzine beginnen op te slaan.
Hoe kan men zich nu in hemelsnaam op zoiets voorbereiden? En is dat ook nodig? De mensen zitten wel in met wat er gaat gebeuren, met het onfaire van de erg agressieve Amerikaanse houding, met de grote mond van Bush en zijn kompanen, maar we zijn hier in Jordanië op dit ogenblik toch veel meer begaan met onze eigen economie en ons eigen dagelijkse leven.
Economisch gaat het hier niet al te goed, dus aan politieke speculatie wordt hier kennelijk minder gedaan dan pakweg vijf jaar geleden. De mensen hebben er gewoon de tijd en energie niet voor, denk ik.


Lees ook: Dagboek van een oorlog (4)

maandag 9 maart 2009

Dagboek van een oorlog (2)

_
Dinsdag 25 februari 2003

Sinds haar onafhankelijkheid in 1947 werd Jordanië - een constitutionele monarchie - voor het merendeel van de tijd geregeerd door koning Hussein. Hij was een pragmatisch en succesvol leider en slaagde erin zijn land op de kaart van niet alleen het Midden-Oosten maar ook de rest van de wereld te zetten. De huidige koning, Abdullah II, oudste zoon van koning Hussein en prinses Muna, besteeg de troon in 1999 na de dood van zijn vader.
Jordanië heeft een bevolking van iets over de vijf miljoen, waarvan tweeënnegentig procent sunnitische moslims en acht procent christenen en anderen.
Het merendeel van het land bestaat uit rotsachtige woestijn, maar we hebben natuurlijk de Great Rift Valley die de oostelijke oever van de Jordaan scheidt van de westelijke. Ook het laagste, bewoonde punt op aarde bevindt zich binnen onze landsgrenzen, de Dode Zee (op 408 meter onder de zeespiegel).
Jordanië heeft een uitweg naar de Rode Zee via de havenstad Aqaba in de Golf van Aqaba. De buurlanden zijn de Bezette Palestijnse Gebieden en Israël in het westen, Syrië in het noorden, Irak in het noord-oosten en Saoedi-Arabië aan de hele zuid-oostelijke en zuidelijke grens. De officiële taal van Jordanië is het Arabisch, maar ook Engels wordt door de midden- en hogere klasse goed verstaan en gesproken.
Op toeristisch vlak heeft Jordanië heel wat te bieden: Petra, de uit-de-stenen-gehouwen stad van de Nabateeërs; Jerash, één van de best bewaarde - eerst Griekse en daarna Romeinse - steden van de Decapolis; Karak, met zijn prachtige kruisvaardersburcht; de Dode Zee; de woestijn van Wadi Rum, om maar de meest bekende te noemen.
Jordanië heeft weinig of geen eigen water en zeker geen druppel olie. Armoede en werkloosheid zijn hier nog steeds erg grote problemen en minstens een derde van de bevolking leeft zelfs onder de armoedegrens.
Economisch houdt het land het hoofd boven water met handel, dienstverlening, import/export. Er is ook een beperkte industrie, een beetje landbouw en uiteraard toerisme. Irak is altijd één van de grootste handelspartners van Jordanië geweest, vooral dan voor de invoer van ruwe olie.
Amman is de hoofdstad en veruit de grootste stad van het land. Het is ook de plaats waar ik woon. Het is een moderne en schone stad, waar het verkeer wel erg chaotisch kan zijn, maar waar het over het algemeen zeer aangenaam wonen is.

Ik ben C., ooit nog eens uit Scherpenheuvel in Vlaams-Brabant, België. Ik kwam hier veertien jaar geleden als toerist op bezoek en ben tot voor kort getrouwd geweest met een Jordaniër. Nu ben ik gescheiden. Ik ben zesendertig jaar en heb vier kinderen. Mijn oudste zoon wordt elf in mei, mijn oudste dochter wordt acht in april, en dan is er mijn tweeling van bijna vijftien maanden.
Wij wonen in een flat in Sweifiyeh, één van de vele residentiële buurten van uptown Amman. Ik knoop de eindjes aan elkaar met een klein thuisbedrijfje in webdesign. De twee oudsten gaan naar de International Community School en hebben het daar heel erg naar hun zin.
Mijn vriendenkring bestaat voor het overgrote merendeel uit expats. Velen van hen zijn Hollanders, die in Amman in veel grotere getalen aanwezig zijn dan Vlamingen. Maar natuurlijk heb ik ook Jordaanse vrienden.
Na veertien jaar voel ik mij hier erg goed in mijn vel. Het is ook daarom dat ik besloten heb hier te blijven wonen na mijn echtscheiding, nu twee maanden geleden. Integratie kan je het zeker niet noemen, maar ik heb toch een ‘aangepaste’ manier van leven gevonden.
Mijn situatie is nu wel drastisch anders dan voorheen en ik ben erg benieuwd naar wat er in de komende weken in mijn eigen leven gaat gebeuren. Ik woon hier zonder man, als gescheiden Westerse vrouw met vier kinderen. Spannend zal het zeker worden, maar echte problemen voor mijzelf en mijn kinderen voorspel ik niet.

Lees ook: Dagboek van een oorlog (3)
_

zondag 8 maart 2009

Dagboek van een oorlog (1)

Heel lang geleden, toen de dieren nog konden praten en de bomen op hun wortels door het bos liepen, heb ik een oorlog meegemaakt. Niet van dichtbij, gelukkig, maar toch ook niet van heel ver.
Begin maart 2003, toen ik al bijna vijftien jaar in Jordanië woonde, brak in buurland Irak voor de tweede keer de Golfoorlog uit. Van de eerste Golfoorlog, die vier jaar eerder werd beslecht, was ik ook al getuige geweest. Maar dit keer beleefde ik het conflict op een heel andere manier.

Elk jaar in maart denk ik terug aan die tijd. En elk jaar opnieuw denk ik: ik zou eens iets moeten doen met het dagboek dat ik toen geschreven heb.
Twee medewerkers van het Nederlandse tv-programma Netwerk hadden mij gecontacteerd met de vraag of ik voor hen een dagboek wilde bijhouden, samen met een aantal mensen in andere betrokken of naburige landen. De bedoeling was om neer te pennen hoe wij en onze onmiddellijke omgeving de situatie in Irak beleefden en welke impact het conflict al dan niet had op ons leven.
Ik was sinds enkele maanden gescheiden en woonde met mijn vier kinderen op een flat in Sweifiyeh, een residentiële wijk van Amman. Het was niet gemakkelijk om opnieuw mijn draai te vinden. Meer dan wat ook vreesde ik het isolement, dus ik greep het aanbod van Netwerk met beide handen. Het was een mooie manier om met de wereld in contact te staan en tegelijk iets te doen wat ik graag deed: schrijven.

Natuurlijk kan ik hier enkel mijn eigen dagboekfragmenten publiceren. Het zal dus een eenzijdige kijk zijn op de gebeurtenissen. Ik heb in het archief van netwerk.tv gezocht naar het volledige dagboek, maar ik vind het niet meer terug.
Hoe ging dit hele procedé precies in zijn werk? Eerst werd ons gevraagd om een introductie te schrijven. Op die manier leerden de lezers niet alleen kort het land kennen waarin we woonden, maar ook de mensen achter het dagboek.
De inleiding mocht een hele pagina beslaan. De dagboekfragmenten zelf, die we om de twee à drie dagen moesten inzenden, waren ongeveer een halve A4 lang.
Ik zal de teksten publiceren zoals ik ze destijds geschreven heb (ik heb enkel de meest pijnlijke taalkundige fouten verbeterd) en niet zoals ze uiteindelijk op de website van Netwerk verschenen zijn. Ik herinner me wel dat er in mijn teksten maar weinig werd veranderd of verbeterd. Of dat bij de andere deelnemers ook zo was, weet ik natuurlijk niet.
Ook zal ik de teksten online zetten op dezelfde dagen dat ik ze zes jaar geleden geschreven heb. Met als enige uitzonderingen de introductie en het eerste dagboekfragment. Ze werden respectievelijk op 25 februari en 5 maart 2003 geschreven en ik zal ze morgen en overmorgen publiceren.


Lees ook: Dagboek van een oorlog (2)

_

zaterdag 7 maart 2009

Sjalleke

In Het Nieuwsblad vertelt Marie-Rose Morel (VB) vandaag over haar strijd tegen kanker. Ik heb al van bij het begin erg met haar te doen. Ze is nog zo jong, ze heeft kleine kinderen, de prognose is niet goed. Je moet een hart van steen hebben om daar geen verdriet bij te voelen.
‘Ik ben zesendertig jaar,’ zegt ze, ‘dan ga je niet dood.’

Kanker is de grote gelijkmaker. Dat zeggen ze ook wel van andere dingen, maar bij kanker hoor je heel vaak de uitspraak: je denkt altijd dat het alleen andere mensen overkomt, tot het in je eigen leven toeslaat.
Zo ging het ook bij Morel. Toen ze het nieuws kreeg dat ze niet alleen baarmoederkanker heeft, maar ook meerdere uitzaaiingen, kon ze dit nauwelijks geloven. Die eerste confrontatie met het noodlot moet keihard geweest zijn.
Toch blijft ze optimistisch. Zowel op haar blog als in dit interview. Dat bewonder ik in haar, ook al ben ik verder geen fan.
Bij het krantenartikel staat een zeer charmante foto. Je merkt niet eens dat ze doodziek is.
Dat is niet het enige dat me opvalt. Morel heeft iets op haar hoofd. Niet haar lange, blonde lokken van weleer, want die is ze na de eerste chemokuur al kwijt geraakt. Nee, wat ze op haar hoofd heeft is ook niet een pruik maar een sjaaltje.

‘Ik draag vooral sjallekes,’ legt ze uit. ‘Mijn grootmoeder droeg die vroeger ook.’
Zou ze dan vanaf nu pro-hoofddoek zijn?
_

woensdag 4 maart 2009

Google Maps

Wanneer ik bij Google Maps naar Scherpenheuvel zoek, kom ik in het centrum van Zichem terecht. Voor een buitenstaander is dat waarschijnljk geen wereldnieuws, want we vormen uiteindelijk samen met nog drie of vier andere deelgemeenten de stad Scherpenheuvel-Zichem, maar voor mij is het wel een big deal.
Het moet een technische fout zijn. Ik weet dat het niet op elke computer zo is, want ik heb het al elders geprobeerd. Ga zelf maar eens kijken en laat me alsjeblieft weten waar je uitkomt.

Vroeger, vóór de fusie van 1977, bestond er veel rivaliteit en jaloezie tussen de verschillende gemeenten bij ons. ‘Die van Zichem’ en ‘die van Scherpenheuvel’ konden elkaar zo goed als niet uitstaan. Er was zelfs een soort van bendevorming bij de jeugd en die ging dan tijdens de carnaval- en kermisweek met veel plezier op de vuist. Zelfs op het chirobal werd er naar goede jaarlijkse traditie eens kort en krachtig geknokt.
Dat deze rivaliteit gebaseerd is op een vierhonderd jaar oude geschiedenis weten weinigen. Zichem kwam namelijk eerst, snap je. En toen kwam Scherpenheuvel pas.
In 1212 bestond de agglomeratie Zichem al en in 1386 werden er zelfs wallen en een burcht gebouwd. Twee eeuwen later brak de pest uit en zo kwam het dat in het midden van de zestiende eeuw de Zichemnaren op pelgrim trokken naar een nabijgelegen heuveltje. Ze gingen daar bij een Mariabeeld bidden voor verlichting van koorts en andere contraproductieve kwalen. De Heeren van Sichem hebben met andere woorden de Scherpe Heuvel op de kaart gezet.
Toen de aartshertogen Isabella en Albrecht besloten om op dat heuveltje een heuse basiliek te bouwen, trokken de Scherpenheuvelaren de lokale macht naar zich toe.

Versta me niet verkeerd. Ik ben wel degelijk een dochter van Scherpenheuvel. Ik wil hier niet de zaak van Zichem bepleiten, maar ik ben wel de eerste om aan te tonen dat er omwille van de basiliek – die bij ons meer dan waar ook in het midden van het dorp staat – toch enig onevenwicht is ontstaan.
Stel je voor hoe het er aan toe gegaan is in de eerste weken en maanden na de fusie. Ik weet niet hoe het in andere steden en dorpen in België verlopen is, maar hier heeft het gespetterd. En het zit nog steeds heel diep. Tweeëndertig jaar later ligt het nog steeds op onze lever.
Op de mijne ook blijkbaar, want ik erger me er aan dat ik bij Google Maps niet in mijn eigen dorpskern terecht kom, maar in die van een gemeente op slechts drie kilometer van hier.
Misschien moet iedereen die de fusie heeft meegemaakt eerst dood zijn vooraleer de wonde definitief toegroeit. Ik zou anders liever niet zo lang op genezing wachten.
Zou een kaars gaan branden in de basiliek baat kunnen brengen?
_