zondag 1 november 2009

Luchtdruk - een schrijfoefening

_
Uren staren we in de lucht, luisterend naar het geluid van de vliegtuigmotoren, wolken onder de vleugels, daarboven ijle lucht, nog hoger gewichtloze duisternis, nevelslierten. De zon lijkt in de diepte onder te gaan, een tunnel vol geruis, stemmen op de achtergrond. We vergeten dat we vliegen, de voeten op de bodem, we leven in het heden. Een vliegtuigje in de diepte, zwevend in dezelfde gewichtloosheid. We zijn open en alert.
Niets is ooit verdwenen. Misschien zijn er mensen of dingen zoek geraakt, maar niets is ooit verdwenen. We moeten een beweeglijkheid ontwikkelen om de dingen aan te raken, dwars door pixels en ether, dwars door de tijd.
Een stad strekt zich onder ons uit, honderdduizenden lichtjes, een glanzend tapijt, daarbinnen een veelvoud aan mogelijkheden, ontmoetingen, weerkaatsingen. We denken ergens tussen al die lichtjes troost te vinden, de juiste keuze.
Twee mannen. De ene niet genoeg, de andere te veel.
Eerst jarenlang de eerste. Hij streelt en kust en speelt Duke Ellington met lange, beweeglijke vingers die over onze toetsen dwarrelen wanneer hij in de buurt is. Hij kijkt met lustige ogen die ook anderen zien. Hij betast ons met lippen die een verhaal vertellen dat in ons groeit en waarin hij zich al gauw niet meer thuis voelt. Zijn onstuimige gedachten doen ons luisteren naar de stemmen in onze onderbuik die genadeloos ‘Baar ons’ fluisteren tot hij schreeuwt: ‘Stop! Laat het weer stil zijn.’

Mensen raken zoek, maar niets is ooit verdwenen. Nieuwe mogelijkheden, ontmoetingen.
De sterke handen van de tweede. We kloppen niet aan. Hij doet open. We zeggen niet: ‘Ik tuimel achterover en verdrink.’ Hij zegt meteen: ‘Stort je maar bij mij naar binnen.’ We voelen niets, maar hopen dat het waar is en geven ons over aan de zwaartekracht.
Donkere wolken aan de horizon, het geluid van de motoren klinkt somber en de stemmen worden stilte. De stilte wacht.
Onze geborgenheid wordt heimwee naar de eerste. Verlangen naar de heldere muziek die niet vaak bleef, maar lachte en beminde.
De tweede streelt en kust en schopt de piano stuk. Geen aanleg voor Rachmaninov, maar Smirnoff houdt hem lelijk en elke dag gezelschap. Wij zijn voor hem het hemelrijk der vrouwen. Onze blauwe ogen huilen en genezen nooit en zijn vuist is elke dag opnieuw de belofte van een hand die liefheeft.

Dan komt het onweer en stort de regen zich door de lucht waarin we vliegen. We steken onze hand uit en voelen niets, maar weten dat het waar is. De eenwording van cel met cel splits zich genadeloos in ons tot een leven dat met de eerste een gedicht leek waaruit wij luidop verzen lazen over de liefde en de eeuwigheid en met de tweede een afgrond is waarin we ons niet willen storten.

De vlucht is onomkeerbaar. We geven de toekomst vrijwillig uit handen en vormen haar kermend om tot zerken die we zogen met lege borsten en onafgebroken koesteren tot aan ons eigen graf.
Nooit is iets verdwenen. Nooit ontwikkelen we de beweeglijkheid om de dingen los te laten, dwars door de tijd. We vergeten dat we leven en zweven daarna gewichtloos door de duisternis.
_

zondag 25 oktober 2009

Consolatrix afflictorum

_
Vandaag ben ik nog eens in de basiliek geweest. Ik kom daar niet vaak. Niet omdat ze ver weg is of omdat ik er niet graag naar binnen ga, ik heb op een doordeweekse dag geen reden om er te komen. In feite heb je geen reden nodig en toch loop ik nooit zonder aanleiding de kerk van Scherpenheuvel binnen. In pakweg Firenze of Bayeux doe ik dat wel, maar niet in Scherpenheuvel. Tenzij er iemand uit Mol of Smetlede op bezoek is en ik wil opscheppen: ‘Kijk eens hoe mooi en groot de mijne is, die van jou kan hiermee niet vergelijken.’ Ik heb, in alle eerlijkheid, de kerken van Mol of Smetlede nog nooit gezien.

Mijn nichtje werd vandaag gevormd. Ik was, samen met mijn eigen kinderen, getuige van een ritueel dat ik zelf eenendertig jaar geleden onderging. Zonder veel erg, geef ik met opluchting toe.
Tot mijn verbazing schoot mijn gemoed vol toen ik Marieke zag knielen voor de vormheer, zoals de gezant van kardinaal Daneels zich laat aanspreken. De goede kardinaal zelf kon niet in hoogst eigen persoon aanwezig zijn. Waarschijnlijk, en dat is mijn persoonlijk vermoeden, werd hij op doortastende wijze ondervraagd over de duistere kronkels van zijn geloof voor een uitzending die eerdaags op Canvas te zien is, maar dit geheel terzijde.
’Waarom huil je?’ vroeg mijn dochter.
’Geen idee,’ antwoordde ik en daarmee zat ik op nog geen meter van de biechtstoel schandelijk te liegen. Ik voelde mij plots uitgesloten uit een gemeenschap waartoe ik niet eens wil behoren. Ik benijdde de overtuiging van de gelovigen die waarlijk vervuld waren van de woorden die ze zongen, die zeker weten dat God van hen houdt, dat Hij Jezus aan hen gegeven heeft om hun de weg te tonen. Die de kerkelijke GPS, waarover de pastoor preekte, elke dag volgen. GPS, Gods Persoonlijke Spoor. Goed gevonden, dacht ik.
Mijn tranen waren van korte duur. Ik geloof niet in God. Ik heb Hem niet nodig. Hij bestaat niet voor mij, hoe vaak ik Zijn naam ook met een hoofdletter schrijf. Toch heb ik deze week iets gedaan waarvoor Hij mij, mocht Hij bestaan, had moeten vergeven. Iets dat met zelfingenomenheid te maken heeft. Gelukkig kreeg ik wel vergiffenis, maar alleen omdat de mensen die ik onterecht pijn deed een groter hart hebben dan ik. Het was een les in nederigheid, waaruit ik leerde dat mijn eigen emoties en vooral mijn eigen gelijk wat vaker ondergeschikt mogen zijn aan de werkelijkheid van anderen.

Aan het einde van de dienst keek ik nog eens naar het altaar met het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel die de kleine Jezus op haar arm draagt. Daarna richtte ik mijn blik ter hemel en mijn oog viel op een van de vergulde garnituren waarmee de kerk getooid is, met daarop geschreven: Consolatrix afflictorum, wat zoveel betekent als Troosteres van de bedroefden.

Ik wandelde samen met mijn kinderen opgewekt de kerk uit. De zon scheen.
_

zaterdag 3 oktober 2009

Kinderen van het Prattenborgplein (3)

_
Vandaag zal ik gewoon verdergaan met de beschrijving van de huizen waarmee ik in de vorige tekst begonnen was. Het gaat nog steeds over de zuidkant van de gemeente. Met de hulp van een paar mensen heb ik aan die lijst een paar dingen toegevoegd en hier en daar een detail veranderd. Je ziet dat het systeem stilaan in voegen valt. Toch zitten er nog steeds joekels van gaten in de informatie.

13. Het huis van Karlien
Veel weet ik nog niet over dit huis. Behalve dat Karlien een donkere huid had (gebazaneerd was het woord dat mijn moeder gebruikte). Ze had een dochter, Emma, en nog twee of drie andere kinderen.

14. Het huis van Musse Hendrickx
Dit was misschien wel het grootste huis op de gemeente. Een mooi huis met ramen in loodglas. Langs de grote poort aan de voorkant reed Musse naar binnen met zijn kamion, want achteraan stond een hangaar. Musse reed transport.
Hij had twee dochters: Yvette en Leontine, die in het buitenland gaan wonen is. Misschien was er ook nog een oudere zoon.

15. Het huis van den Tij en Victorine
Den Tij was de charmeur en playboy van de gemeente. Hij reed op een brommer en had altijd brilliantine in zijn haar. Victorine was een mooie vrouw en sprak met een gemoedelijke stem.

16. Het huis van de Ku de Paris en Mathilleke van ’t Chaske
Zij waren de ouders van Fien, die in huis nummer 8 woonden.

17. Het huis van Fien van de Poep
Fien dankte haar naam aan haar man, Pol, die door iedereen de Poep werd genoemd. Zij was de zuster van Mathilleke van ’t Chaske, die naast haar woonde, en ook van Dora, de vrouw van Fons de Verver, in huis nummer 3.
Bij de Poep kwam een keer per week iemand van de socialistische ziekenkas van Diest zitting houden en konden de mensen hun ziekenbriefjes binnenbrengen.
De Poep en Fien hadden vijf kinderen: Remi, Maria, Lisa van de Poep, Dora en Clement, die als kind gestorven was.

18. Het huis van Alice van ’t Frutkot en de Rosse
Alice en de Rosse hadden geen kinderen. Ze waren jonge twintigers en Alice had een frituur in ’t dorp. Misschien dat haar man een job elders had, maar dat weet ik nog niet.

19. Het huis van de Balte
De Balte was de broer van de Ku de Paris, van huis nummer 16, en was vrijgezel. Hij was een fervent drinker en visser (vooral katvissen). Of die twee hobby’s goed te combineren waren, laat ik in het midden. Het gebeurde in ieder geval regelmatig dat hij op straat zijn roes lag uit te slapen. Omdat hij geen vrouw had, liep hij er ook altijd wat vuil bij. Het is te zeggen, hij zag bruin van vuiligheid.

20. Het huis van Malvinne van Laeremenneke en Nar
Nar was beroepsmilitair en had samen met Malvinne twee kinderen: Mil en Lea.

21. Het huis van den Thuys
Staf Thuys had een dochter, Maria (later getrouwd met Keldermans van Diest). Over zijn vrouw en de rest van hun verhaal weet ik nog niets.

22. Het huis van Yvonne van Door Bergen
Yvonne was niet getrouwd en had op de gemeente twee kinderen: Louisa en Julia.

23. Het huis van Fien en Felke
Fien en Felke hadden twee kinderen: Patrick en Marie-Jeanne (1941).

Dat was het laatste huis aan die kant van het Prattenborgplein. Verderop waren er alleen nog hoven en het atelier van Martha Weckx, waar kleren werden gemaakt.


Lees ook de andere verhalen, te beginnen bij Kinderen van het Prattenborgplein (1)
_

donderdag 1 oktober 2009

Kinderen van het Prattenborgplein (2)

_
Beginnen bij het begin lijkt mij de simpelste manier. Om een overzicht te maken van de inwoners van alle huizen op het Prattenborgplein in Scherpenheuvel tussen 1945 en 1950 zal ik beginnen met een korte beschrijving van de eerste twaalf huizen aan de zuidkant van het plein, van west naar oost.
Die informatie is natuurlijk verre van compleet. Het is dan ook maar een eerste aanzet. Maar op deze manier kan ik verifiëren of ik de juiste gezinnen in de juiste huizen heb geplaatst en de winkels en de café’s correct heb aangeduid. Ik ga de huizen gewoon nummeren van 1 tot 12. Natuurlijk komt dit niet overeen met de vroegere of huidige huisnummers. Het is enkel bedoeld om mij het leven gemakkelijk te maken.
Omdat bijnamen in die tijd nu eenmaal deel uitmaakten van het dagelijkse leven, zal ik ze ook rijkelijk gebruiken. Het zou zonde zijn om het niet te doen, omdat sommige van die namen intussen haast legendarische proporties hebben aangenomen in Scherpenheuvel. Hopelijk breng ik daarmee niemand in verlegenheid.
Er zijn al een aantal mensen die zich hebben aangemeld om te vertellen, waarvoor mijn oprechte dank. Ik zal hen zo snel mogelijk contacteren. O ja, nog even dit: wees aub niet te beroerd om mij te wijzen op mijn spel- en andere fouten.

Hier gaan we dan:

1. Het kruidenierswinkeltje van Marieke Net
Marieke zelf was niet van Scherpenheuvel. Haar man waarschijnlijk wel. Hij werkte aan de spoorwegen en vertrok en kwam thuis in een uniform met kepie. Ze hadden een dochter die Denise heette. Zij werd geboren rond 1940.
In dit winkeltje kon je voornamelijk snoepgoed etc. kopen.

2. De kruidenierswinkelt van Jo Kwak
Haar man heette Re. Hier kwam veel meer volk over de vloer omdat er een grotere variatie aan koopwaar was, zoals vlees, charcuterie, boeksharing, zeer lekkere zelfopgelegde haring en zefgemaakt ijs. Maar Jo Kwak had hoogstwaarschijnlijk een groot klantenbestand omdat ze de mensen de mogelijkheid gaf om op krediet te kopen. Ze had een boek waarin ze opschreef hoeveel haar klanten nog moesten betalen en rekende de schulden af aan het einde van de maand, wanneer iedereen zijn wedde getrokken had.
Jo stond achter haar toog in een zwarte voorschoot.

3. De winkel van Fons de Verver en Dora van ’t Chaske
Hier verkocht men verf en behangpapier. Fons was afkomstig van Diest en een zeer goede stielman. Dora was geboren en getogen in Scherpenheuvel. Zij hadden drie kinderen: Soi, Roza en Joséke.

4. Café ‘Bij Fik Campaign’
Deze café werd uitgebaat door Nathalie, de vrouw van Fik Campaign. Fik zelf had een job, maar ik ben er nog niet achter wat hij precies deed. Zij hadden drie kinderen: Lucienne (de moeder van Johan en Patrick Hoes), Jean en Juliette (die logischerwijze gekend is als Juliette van Fik Campaign).

5. Het huis van Tin van de Zwette van Wachtebeke en haar man, Nat Gommé
Nat was klein van gestalte en had een grote snor. Voor zover ik weet hadden Tin en Nat zeven kinderen.
Ze vierden hun gouden bruiloft in 1948 en dat werd op de gemeente opgeluisterd met grote festiviteiten. Alle kinderen maakten samen een week lang crêpepapieren bloemen en het hele plein werd versierd met slingers. Er werd een grote stoet georganiseerd. Iedereen was op zijn zondags en in de optocht werd de bruid gespeeld door Lowiske van Frans Kriekel, mijn grootmoeder, en de bruidegom door Remi Jacobs.
Het feest zelf ging ’s avonds door in een café op het plein en om van de gelegenheid gebruik te maken om eens stevig door te zakken, hadden de ouders hun kinderen zoveel mogelijk samengebracht in een paar huizen. Marianne van Lowiske, mijn moeder, en haar zussen en buurmeisjes sliepen die nacht met zes samen in één bed: drie aan de kop en drie aan de voet.

6. De kruidenierswinkel van Berta
Zij had twee dochters, Maria en Gabriëlle Tielens. Maria trouwde later met haar buurjongen, Albert (of Jos?) Gommé, de zoon van Nat en Tin van de Zwette van Wachtebeke. (Een van hun kinderen is Armandine de Coiffeuse.) In deze winkel kochten de mijnwerkers van de gemeente hun fles Hertekamt en hun tabak en sigarettenblaadjes.

7. Het huis van Lisa, de moeder van Lisetteke.
Over dit huis weet ik verder niets.

8. Het huis van Fien van Mathilleke en Remi Jacobs
Remi werkte in de lampisterie van de koolmijn, de plaats waar de lampen van de mijnwerkers werden onderhouden en bijgevuld. Fien en Remi kregen op de gemeente drie kinderen, Julia (1942), Sonja (1947) en Rosette (1951). Later kregen ze ook nog Hilaire (1956), maar toen woonden ze al op een andere plaats.

9. Het kapsalon van Orinne
In de voorkamer van haar huis baatte Orinne een kapsalon uit. Hier kon je een permanent laten zetten. Er hing een constante geur van verbrand haar in het salon, omdat het kapsel van de klanten min of meer verschroeid werd tijdens het krullen. Toch waren de meeste vrouwen van de gemeente vaste klant van Orinne.
Haar man heette Guerry en ze hadden op zijn minst één zoon, Edward (de grootvader van Carine en Hilde Guerry).

10. Het huis van Marieke Nep
Zij en haar man hadden twee kinderen. Everard en François, die toen hij klein was zijn eigen naam niet helemaal juist kon uitspreken en zo de bijnaam Fanfaike kreeg. Fanfaike werd geboren in 1943 en Everard was een stuk ouder.

11. Café ‘In de Congo’ en barbier (later winkel)
De barbier ging door het leven als War Congo en zijn dochter, Marie Congo, baatte de café uit. De man van Marie heette Geyskens. Op zondag gingen de mannen van de gemeente zich laten scheren en na de mis, indien ze gingen, kwamen ze hun dorst laven bij Marie Congo.
Ze hadden vier kinderen: Georgine (1941), Fons (1942), Georgette (1945), Marie-Jeanne en François.

12. Textielwinkel van Mein Pai
In deze winkel kon je onder andere sponsen handdoeken kopen, zakdoeken, ondergoed van Dulcia en solomiodekens. Ze verkochten goei waar.
Mein Pai was getrouwd met Tist. Ze hadden een dochter, Jeanne, die samen met haar moeder in de winkel stond. Ze hadden ook nog een ander kindje, maar dat was op jonge leeftijd gestorven.

Tot zover deze lijst. In de volgende aflevering zal ik de volgende tien huizen beschrijven. Graag had ik al commentaar of aanvullingen op deze inventaris. Merci en bedankt eh manne!


Lees ook: Kinderen van het Prattenborgplein (1)
_

woensdag 30 september 2009

Kinderen van het Prattenborgplein (1)

_
Gisteren had ik het eerste gesprek ter voorbereiding van mijn verhalen over het Prattenborgplein in Scherpenheuvel. Het is de bedoeling om een periode uit de geschiedenis van mijn dorp te beschrijven aan de hand van de getuigenissen van de mensen die daar woonden tussen 1945 en 1950, zo ongeveer. Waarom precies die tijdspanne? Mijn moeder woonde daar, met haar ouders en twee zussen, en heeft kleurrijke herinneringen aan haar kindertijd.
Tien dagen geleden, toen ik op een ochtend bij haar op bezoek was, vroeg ik haar om het huis te beschrijven waar zij woonde. Wat volgde was een verhaal van anderhalf uur waaruit ik de conclusie trok dat het hoog tijd is om dat allemaal eens op te schrijven. Om de mensen die nu dood zijn terug tot leven te wekken, al was het maar voor even, en de kinderen, die nu tot de oudere generatie van Scherpenheuvel behoren, opnieuw te laten ravotten en spelen op de kasseien van de straat.

Het Prattenborgplein bestaat al sinds mensenheugenis. Wanneer je op de kaart van Ferraris, de Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden uit 1777, gaat kijken in de Koninklijke Bibliotheek van België, dan zie je de contouren duidelijk afgelijnd onder de Porte de Diest. Huizen waren er toen nog niet, alleen velden, want dat hele gebied lag net buiten de stadsvesten. Maar op de kaart staat wel een constructie getekend, iets dat in mijn verbeelding een beetje op een obelisk lijkt.
Op de kadasterkaart van Popp (Plan parcellaire de la commune de Mont-Aigu, 1842-1879) was het plein intussen dichtbevolkt. Aan de zuidkant staan duidelijk de drieëntwintig huizen die er aan het einde van de tweede wereldoorlog ook nog zouden staan. Zelfs op de kant, zoals een deel van de noordzijde van het plein werd genoemd, waren een aantal arbeidershuisjes gebouwd. Zeven, in die tijd. En iets meer naar het oosten, in de richting van Diest, stonden nog vier huizen. Later zouden er daar nog een hele hoop bijkomen.
Het plein wordt ook vandaag nog gewoon de gemeente genoemd (de gemainte). Waar die naam vandaag komt, weet ik niet, maar je kan hem wel al terugvinden op de kaart van Popp. Ook de namen Prattenberg en Pratten borg, in twee woorden, staan er op. Historici of mensen die beter bevoegd zijn dan ik, kunnen dat waarschijnlijk allemaal in een mooie uitleg gieten.

Hoeveel Oude Markten, Kerkpleinen of Graanmarkten zouden er niet bestaan in Vlaanderen en Nederland? Wel, er is maar één Prattenborgplein in de wereld. Ga maar kijken. Vandaag de dag ligt de gemeente er een beetje levenloos bij. Er zijn bij wijze van spreken enkel nog twee cafés, een bakker en een kruidenierswinkeltje. Het zal er in de volgende jaren niet beter op worden, aangezien de ring rond de kerk door herstructurering binnenkort verkeersluw wordt gemaakt en alles en iedereen via het Prattenborgplein zal worden omgeleid.
Vroeger bruiste de gemeente van het leven. Het krioelde er van de kinderen die op straat en in elkanders huizen speelden. Scherpenheuvel was al eeuwenlang een bedevaartsoord en de lokale bevolking bestond uit commercanten en arbeiders. Zeker op het Prattenborgplein was dat zo. Eind jaren veertig waren misschien wel de helft van de inwoners mijnwerkers. De andere helft had een winkel of café.
Toen de oorlog voorbij was en de Duitse bezetting achter de rug, heerste er een sfeer van opluchting en optimisme. De mensen hadden het niet breed, maar er was solidariteit. Iedereen deelde hetzefde lot en dat bracht de mensen van de gemeente samen. Niemand was beter of slechter dan zijn buurman en als iemand iets nodig had of in de pinarie zat, schoot er wel altijd iemand ter hulp. Het was een buurt van vriendschap en verwandschap zoals er nu nog maar weinigen bestaan. Ik heb heimwee naar die tijd. Misschien omdat ik hem nooit gekend heb.

Er zijn heel veel kinderen van het Prattenborgplein die vandaag nog hun verhaal kunnen doen. Bij deze zijn ze gewaarschuwd: ik rook jullie allemaal uit. Het eerste gesprek heb ik al gehad. Met Marianne Vervoort, mijn moeder, en Julia Jacobs, haar buurvrouw. Twee uur heeft het geduurd en het heeft me doen inzien dat ik waarschijnlijk niet weet waar ik aan begin. Het luisteren en schrijven is geen probleem, maar hoe zal ik dat allemaal in verstaanbare verhalen gieten. Ik heb er alle vertrouwen in dat ik het zal leren. Tout ce qui est difficile devient facile grâce à l'apprentissage.

Telkens ik een stuk geschreven heb, zal ik het hier op mijn weblog zetten. Dan kunnen mijn lezers commentaar geven en suggesties doen. Met welke frequentie ik zal schrijven weet ik nog niet, maar ik ga toch proberen er een zekere regelmaat in te houden. Ik zal beginnen met de beschrijving van de drieëntwintig huizen aan de zuidkant van de gemeente. De vrouwen, mannen en kinderen die daar woonden en wat ze deden. Het kruidenierswinkeltje van Jo Kwak, café In de Congo, de kamion van Musse Hendrick, de textielwinkel van Mein Pai en een bonte bloemlezing van mensen als Tin van de Zwette van Wachtebeke, de Ku de Paris, Karlien, Marieke Nep, Nar en de Balte (om er maar een paar te noemen) zullen de revue passeren. Op die manier hoop ik de kinderen en de verhalen te vinden die bij de huizen passen.
Het betreft geen exacte wetenschap, maar het collectieve geheugen van een dorpsplein. Ik zal hier en daar iets met de mantel der liefde toedekken en alleen datgene overhouden en beschrijven dat echt relevant is voor de reconstructie van een tijd en plaats die al lang niet meer bestaat.

Help mij, Scherpenheuvel.
_

dinsdag 22 september 2009

Aspelare

_
Het was een maandagnamiddag in september toen mijn vader mij kwam halen om naar Aspelare te rijden. We hadden er een halve dag voor uitgetrokken en mijn zus, die ook mee ging, had zelfs verlof genomen. De rit zou twee uur duren, zei hij, maar onderweg bleek al snel dat we een half uur te vroeg op onze afspraak zouden arriveren.
Aspelare ligt in Oost-Vlaanderen, dichter bij Ninove dan bij Zottegem. Ik was er nog nooit geweest. Mijn vader wel en dat was precies de reden waarom we er naartoe gingen. Om herinneringen op te halen, in de hoop daarmee de cirkel van zijn leven wat ronder te maken.
In september 1945, vlak na de oorlog, was mijn vader, Walter, tien jaar oud. Hij was de oudste van vier kinderen en woonde samen met zijn hoogzwangere moeder, broer en zus in bij zijn grootouders.
Zijn moeder was afkomstig van Wondelgem, bij Gent, maar was na haar huwelijk in Berchem komen wonen. Ze wilde terug naar haar geboortedorp en trok, samen met haar kinderen, in bij haar oom en zijn gezin. Al snel bleek dat het huis veel te klein was voor zoveel groot en klein volk. Er moest naar een alternatieve oplossing gezocht worden.
Een tante van mijn vader had een dochtertje dat school liep in het Regina-Caelilyceum in Dilbeek. Via de non die les gaf aan haar dochter had die tante een oproep gedaan bij de ouders van de leerlingen in de hoop een pleeggezin te vinden dat ertoe bereid was een kind tijdelijk op te vangen. Daar kwam onmiddellijk reactie op. De weduwe Van Ongeval uit Aspelare stelde zich kandidaat om de jonge Walter voor minstens een jaar in huis te nemen. Haar man zaliger was pachter geweest en had haar heel wat grond nagelaten. Op die manier slaagde ze er behoorlijk in om haar drie dochters, José, Simone en Henriette (Jet) op te voeden en ze vond dat er nog plaats over was voor een extra ziel. Dat ene jaar bij de familie Van Ongeval is er uiteindelijk twee geworden.

Het was Simone die opendeed. Voorovergebogen en leunend op haar stok stond ze in het deurgat te glunderen. Ze zag er veel ouder uit dan ik had verwacht en straalde een kwetsbaarheid uit waarop ik niet was voorbereid. Dat we te vroeg waren vond ze helemaal niet erg, zei ze, en ze riep over haar schouder de gang in: ‘José, onze Walter is hier!’ Toen ik haar een hand gaf, voelde ik mij meteen schuldig dat ik zo hard geknepen had.
José, met haar tweeëntachtig jaar de oudste van de zusters Van Ongeval, kwam ons tegemoet en begroette ons allemaal hartelijk. Ze leidde ons de woonkamer binnen, waar alles in gereedheid gebracht was voor ons bezoek. Mijn vader was een maand eerder al eens op verkenning gekomen en had meteen een nieuwe afspraak gemaakt om met zijn eigen dochters terug te keren.
In een mum van tijd zaten we met dertien mensen rond de tafel. Geraardbergse mattetaarten, hete koffie en een levendig, driedimensionaal puzzelstuk uit mijn vaders verleden. José en Simone hebben heel hun leven samen in hun ouderlijk huis gewoond en met een beetje genade mogen ze er ook sterven. Jet heeft aan haar huwelijk drie kinderen en zes kleinkinderen overgehouden. Zij was met een deel van hen ook present. Tot ieders verbazing konden we het quasi ogenblikkelijk met elkaar vinden. Alsof onze gedeelde geschiedenis een verwantschap had gekweekt die tijd en ruimte oversteeg.

Simone haalde een zwart-witfoto boven. Ze had er hard naar gezocht. Er stond een blonde, verlegen jongen op. Ik herkende hem meteen van de twee, drie andere oude foto’s die ik vroeger van mijn vader al had gezien. Hij droeg een keurig pakje, een vest en korte broek. Zijn dikke wollen kousen had hij, zoals het toen hoorde, tot onder zijn knieën opgetrokken en ook al kon ik de kleur van zijn schoenen niet zien, had ik het vermoeden dat ze bruin moeten geweest zijn.
‘Die foto is hier vlak naast het huis getrokken,’ zei Simone en het vergde me enige moeite om mijn emoties te verbergen. De tienjarige jongen die mijn vader ooit was, het kind dat ik nooit zal ontmoeten, liep door de gangen van dit huis, speelde in deze tuin en rende door de velden van dit dorp met jonge meisjes die nu oude vrouwen zijn.

Het afscheid ging gepaard met de belofte van een nieuw bezoek. Ilse, de dochter van Jet, zei dat we op Facebook voortaan contact kunnen houden. José en Simone wuifden ons uit aan de voordeur. We reden de straat uit en passeerden het schooltje waar mijn vader ooit de schoolbanken deelde met andere kinderen van deze Oost-Vlaamse gemeente.

Natuurlijk ben ik dankbaar voor deze ontmoeting en voor de warmte waarmee mijn vader, zus en ik ontvangen werden. Maar veel meer nog ben ik dankbaar voor de generositeit waarmee José, Simone, Jet en vooral hun moeder vierenzestig jaar geleden geheel belangenloos een kind hebben opgevangen dat hun vriendschap en liefde nodig had. Ze hebben een stukje van zichzelf gegeven dat mijn vader na al die jaren nog steed in zich draagt. En dat schept een band. Blijkt nu dat ik familie heb in Aspelare.
_

woensdag 9 september 2009

Onthaalmoeder van de strakke lijn

_
Een onthaalmoeder die het nazistische gedachtengoed propageert. Ik dacht dat we in België al veel gezien hadden, maar dit slaat echt nergens op. Voor de ouders van ‘haar’ kindjes is dit bijzonder slecht nieuws. Niet in het minst omdat zij nu best op zoek gaan naar andere opvang. Begin er maar eens aan. Als Hoboken op dat vlak te vergelijken is met Scherpenheuvel-Zichem zijn de kinderen nog niet meteen onder dak. Reden misschien waarom sommige ouders geen andere keuze hadden en deze vrouw uitkozen om op hun kroost te passen.
Tenzij er nog steeds mensen zijn die niet weten wat het betekent wanneer iemand een portret van Hitler in zijn woonkamer hangt. En de levensechte, knalgele vlag van het VMO dan? Misschien zien ze die wel hangen, maar weten ze niet wat de Vlaams Nationalistische Orde precies was, een paramilitaire actiegroep die door middel van rellen, herrieschoppen en zelfs geweldplegingen het extreemrechtste gedachtengoed uitdroeg naar de burgers. Dat er bij tijd en wijlen een militant het leven of een oog verloor was geen punt voor de leiders van het VMO.
Bert Eriksson, van wie in de Hobokense huiskamer ook een portret hangt, was de voorzitter van deze organisatie in de jaren zeventig, tot aan zijn veroordeling in 1981 wegens vorming van een privémilitie. Hij hield er de bizarre drang op na om de lijken op te graven van Vlaams-nationalistische leiders die in het buitenland de dood hadden gevonden om hen hier in Vlaanderen een nieuwe bestemming te geven!
Veel aanhangers van het VMO zijn eind jaren zeventig, begin jaren tachtig overgestapt naar het kersvers opgerichte Vlaams Blok (nu Vlaams Belang), wanneer bleek dat hun leiders banden bleven onderhouden met de Volksunie van Vic Anciaux, dat stilaan een linksere koers begon te varen. (En het is uitgerekend datzelfde Vlaams Belang dat gisterenavond de onthaalmoeder en haar man uit hun partij hebben gegooid.)

Er zijn vandaag mensen in Vlaanderen die zich afvragen wat nu precies het probleem is met deze onthaalmoeder. Wat het gevaar is voor de kinderen waarover zij zich ontfermt. ‘Die kindjes zijn toch veel te klein om daar de nadelige gevolgen van te ondervinden,’ merkte gisteren iemand op. Hier is een vrouw die beweert (en ik citeer letterlijk uit het interview) dat Hitler een intelligente man was die gezorgd heeft voor een aantal oplossingen voor de Duitse burgers, die zich dag na dag meer benepen voelden door de groeiende invloed van de joden in hun land. Precies wat er hier aan het gebeuren is met de Turken en de Marokkanen. ‘Den Islam pakt ons werk en onze leefruimte af,’ zegt ze. Misschien wacht ze wel op een nieuwe Führer om hier orde op zaken te komen stellen. De fascistische reliquiën in haar huis zijn er, zoals de reporter terecht opmerkt, niet ter decoratie, maar duiden op een diepgewortelde nostalgie voor het oude nazisme.
Geen probleem voor kleine kindjes, zegt u? Hitlers visies waren fenomenaal, aldus de onthaalmoeder. Zo creëerde hij de Hitlerjugend, waar kinderen schoon konden worden ingezet om opnieuw te leren luisteren naar hun ouders. Want kinderen worden vandaag de dag niet meer fatsoenlijk opgevoed. Zelfs Kind en Gezin verkondigt nu schijnbaar al de vrije opvoeding. Stel je voor: eten en slapen wanneer ze maar willen. Baby’s durven nogal iets eisen van hun ouders. Nee, laat ons dan maar terugkeren naar de tijd toen jongens nog werden grootgebracht tot hersenloze vechtersbazen en meisjes tot broedmachines van een samenleving die de gewetenloosheid tot schoonheidsideaal had verheven.

Hitler, de fenomenale en intelligente man die door de Hobokense onthaalmoeder wordt opgevoerd als hét symbool van de door haar zo begeerde strakke lijn, zei ooit in een interview: ‘Mijn pedagogiek is hard. De jeugd moet gewelddadig, wreed en onverschrokken zijn. Pijn en moeite moet zij kunnen verdragen. Er mag niets zwaks en teers aan haar zijn. Het zwakke moet weggeslagen worden.’
_

donderdag 9 juli 2009

De man in de gouden doodskist

_
Het afscheid van Michael Jackson werd een onovertroffen triomf: het grootste media-event ooit zowel op artistiek, zedelijk als menselijk vlak. Misschien was 7 juli 2009 wel het begin van een nieuw tijdperk, een nieuwe cultus. Er werd namelijk het portret geschilderd van een man die zijn eigen kitch oversteeg, die alle rassen samenbracht, die de held bleek te zijn van de zwarte bevrijdingsbeweging en die ondanks de wrede verhalen uit zijn kindertijd voortkwam uit een welhaast heilige familie.

De eerste zevenentwintig jaar van zijn leven klom Michael Jackson naar de absolute top van de showbusiness om vervolgens drieëntwintig jaar lang te proberen met dat verpletterende feit te leven. Hij was een vat van tegenstrijdigheden. Enerzijds kloeg hij openlijk over zijn verloren kindertijd, stelde hij zich vragen rond de hardhandige manier waarop zijn vader hem tijdens zijn jeugd onder nooit aflatende druk zette en was hij er zelfs jarenlang mee bezig zijn genetische verwantschap met de man uit te wissen. Maar anderzijds was hij de gevangene van zijn eigen prestatiedrang en minderwaardigheidsgevoel, want hij kon het niet verdragen dat Elvis nog steeds The King werd genoemd en dat Madonna de ene Grammy na de andere in de wacht sleepte.

Michael Jackson hulde zich ook graag in mysterie. Ik denk dat hij de overtuiging toegedaan was dat hij beroemd zou blijven zolang hij het de wereld moeilijk maakte er achter te komen wie hij werkelijk was. Jammer genoeg werd het mysterie dat hij als een rookgordijn rond zijn persoon had opgetrokken al snel geïnterpreteerd als de camouflage waarachter diepe en duistere geheimen schuilgingen.
Tijdens zijn uitvaartplechtigheid moest hij worden ontdaan van dat raadselachtige en slechte imago, wilde hij de eeuwigheid worden ingestuurd als een deugdzaam en godvruchtig man. Nu hij daar roerloos lag en zich niet meer kon verweren, werd hij door zijn familie helemaal ontbloot. Zijn ziel werd linea recta naar de hemel gecatapulteerd, terwijl hij zelf misschien nog graag wat tijd in het vagevuur had doorgebracht.

In het Staples Center in Los Angeles lag ongetwijfeld een man opgebaard die als popster rassenbarrières heeft doorbroken waar andere grote artiesten decennialang niet overheen geraakten. Elvis Presley langs de blanke kant en Louis Armstrong en Aretha Franklin langs de zwarte, om er maar een paar te noemen. Niet alleen slaagde Jackson erin grenzen te verleggen, hij plukte er op muzikaal en financiëel vlak ook royaal de vruchten van. Net zoals Barack Obama dat met een elegante vanzelfsprekendheid gedaan heeft in de politiek.
Jackson werd postuum gebombardeerd tot de Martin Luther King Jr. van zijn generatie en toch was hij zelf niet consequent waar het zijn eigen zwarte uiterlijk betrof. Ook trouwde hij tot twee keer toe met een blanke vrouw en kreeg hij drie blanke kinderen.

Ik vraag me af waar de echte Michael Jackson begint en eindigt? Is hij de man die de rest van de eeuwigheid zal doorbrengen in een gouden doodskist? Of zit hij verscholen in de witte handschoen die zijn broers en fans tijdens de uitvaartplechtigheid droegen? Of leeft hij verder in zijn eigen geniale liedjes die door zijn liefhebbende vrienden met veel emotie werden gespeeld en gezongen?
Ik heb gekeken naar het grootste media-event aller tijden en ik heb gehuild. En toen het afgelopen was, wenste ik dat ze enkel een minuut stilte hadden gehouden. Eerst een minuut stilte en dan de korte toespraak van zijn elf-jarige dochter Paris. Hier stond een kind dat als enige de moed en de kracht had om in één enkele zin te zeggen waar het voor haar op neerkomt: voor haar was hij de beste vader van de wereld.
De rest is bijzaak.
_

zondag 5 juli 2009

Big Brother is watching you

_
Indien jij dit jaar een van de uitverkorenen was die in de zinderende hitte op de wei van Werchter een zonneslag mocht gaan riskeren, dan is de kans groot dat iemand haargenau weet in welke biertent je jezelf lazarus hebt gezopen en hoe vaak je achteraf op toilet hebt gezeten of hulp bent gaan zoeken in een EHBO-post. Tenzij je nog een archaische gsm zonder bluetooth op zak hebt, in welk geval je ontsnapt bent aan het alziend oog van het hoogtechnologisch Big Brother-systeem dat dit jaar tijdens het rockfestival werd gebruikt.

Onderzoekers van de CartoGIS Cluster, vakgroep geografie, van de Universiteit van Gent hebben onder het mom van wetenschappelijk onderzoek zesendertig bluetooth-scanners opgehangen aan de omheining van het terrein om daarmee het verplaatsingsgedrag van de gemiddelde festivalganger te registreren. Bedoeling is om na te gaan of de voorzieningen efficiënt verspreid zijn en hoe de massa zich gedraagt vóór, tijdens en na een optreden, waar de bezoekers eten en drinken, waar ze blijven stilstaan en zitten.
De mensen in kwestie zijn zich van geen kwaad bewust. En dat is precies waar bij mij het schoentje knelt.
‘Het is geen schending van de privacy,’ verzekeren de onderzoekers ons. ‘We gaan namelijk niet de mens op zich traceren, maar het toestel.’
Ze kunnen dus niet zeggen of jij om middernacht nog een pintje bent gaan drinken, maar wel of je gsm het gedaan heeft. Ze kunnen ook niet zien hoeveel jointjes zoon- of dochterlief heeft gerookt, alleen hoe vaak zijn of haar gsm op bezoek is geweest in de tent van de buren, alwaar het toestel een tijdlang verdacht ritmische bewegingen heeft gemaakt. Of er een condoom gebruikt werd, kunnen de onderzoekers van de vakgroep geografie niet zeggen. Daar komt waarschijnlijk vanaf volgend jaar een studiegroep volksgezondheid aan te pas.

Natuurlijk is dit een schending van de privacy. Draai en keer het zoals je wil. Het is de eerste stap in de desensibilisering van de bevolking. Vandaag vinden we het niet erg om getracked te worden op Rock Werchter en morgen staan we toe dat ons komen en gaan, denken en doen gade geslagen, geregistreerd en gemanipuleerd wordt door een kleine groep van mensen aan wie ik de controle over mijn leven niet wil overhandigen.

Een kleine praktijkoefening. Stel je voor dat het stadsbestuur van Scherpenheuvel-Zichem op een dag beslist dit systeem te installeren in de straten rond de basiliek. Op die manier kunnen ze het gedrag van de bedevaarders en bezoekers tijdens de meimaand in kaart brengen. Hoeveel mensen gaan echt binnen in de basiliek? Hoeveel blijven er zitten tijdens de mis? Hoeveel brengen er een bezoek aan de kaarsenkapellen? Hoeveel tijd brengen ze door in het park? Wie doet de rozenkrans? Wie staat stil bij de kraampjes rond de kerk? Welke restaurants en café’s worden het meest gefrequenteerd? Waarom gaan ze hier vaker naar binnen dan daar? Hoe kunnen we daar iets aan veranderen? Wat kunnen we doen om er voor te zorgen dat ze op bepaalde plaatsten hun geld uitgeven? Hoe dirigeren we de mensenstroom? Hoe manipuleren we hun gedrag?

Orwelliaanse toestanden zijn het.
_

vrijdag 5 juni 2009

Het kapsel van Wilders

_
Mensen die voor eeuwig en altijd vasthouden aan hetzelfde kapsel, zelfs tegen de wetten van de natuur in, daar schort iets aan. Neem nu Geert Wilders. Een man van vijfenveertig jaar die zijn haar tot stro blondeert om het vervolgens op pijnlijk abnormale wijze achterover te kammen en met haarlak vast te spuiten. Zeg nu zelf, dat klopt toch niet.

Een karikatuur worden van jezelf. Politici zijn er niet vreemd aan. En vaak heeft het met haar te maken. Het ravenzwarte kapsel van Elio Di Rupo, de bles van Guy Verhofstad, de brilliantine van Willy Claes, de baard van Herman De Croo, de kale kop van Pim Fortuyn, de blonde lokken van Marie-Rose Morel. Waarom de grote nood aan een harig trademark? Omdat die mensen geen inhoud hebben? Dat klopt zeker voor sommigen, maar niet voor iedereen. Heeft De Croo nooit gedacht: ‘Vandaag scheer ik hem af?’ Ongetwijfeld wel. Maar is hij dan nog Herman De Croo?

Wilders heeft wegens gebrek aan inhoud een personage gecreëerd dat gemakkelijk te herkennen is. Zijn marketingstrategie werkt. In een maatschappij waar gemeenplaatsen en one-liners stilaan het niveau bepalen, is het bijna geen wonder.
Op het late journaal vroeg een reporter aan een oud dametje waarom ze voor Wilders gestemd had. ‘Nou, voor de vrijheid!, riep ze enthousiast uit. Alsof het de meest logische zaak van de wereld was.

Welke vrijheid, Nederland?

_

dinsdag 19 mei 2009

Cynisme volgens Rik Torfs

_
In zijn column voor deredactie.be schreef Rik Torfs vorige week iets dat me niet loslaat. Het is natuurlijk niet de eerste keer dat hij me uit mijn slaap houdt. Ik neem zijn woorden hier letterlijk over:

"Vooral cynisme is een fascinerend fenomeen. Het lijkt een superieur wapen. De cynicus heeft genoeg aan een giftig zinnetje en een lage stem om iemand binnen de kortste keren in de grond te boren. De cynische oneliner wekt de schijn dat hij die hem uitspreekt over een superieur verstand beschikt.

Dat is een vergissing. Achter de oneliner van de cynicus schuilt niet zozeer zijn kracht dan wel zijn beperking. Sommigen moeten het met een oneliner stellen omdat ze de tweede lijn niet zinvol krijgen gevuld. Vele mensen hebben geluk dat zij, onder meer in de media, de kans niet krijgen om hun betoog af te maken zonder dat zij worden onderbroken, want dan pas zou blijken hoe weinig ze te zeggen hebben.

Cynici genieten in onze samenleving een al te gunstige pers. Jammer. Ze zijn immers helemaal niet geweldig. Cynici zijn de kleine middenstanders van de geest. Niet briljant genoeg om in het leven te slagen. Niet onmondig genoeg om daarover te zwijgen. Cynisme is niets anders dan iemands gesublimeerde verdriet over zijn eigen tragische beperkingen."
_

woensdag 22 april 2009

De sterren van de hemel - een vertelseltje

_
‘Godverdoeme, zijde zot? Daar klim ik niet op.’
Louis stond met zijn zatte kloten onderaan de stellingen rond de basiliek van Scherpenheuvel en zijn beste maat Jaak lachtte hem uit.
‘Ge zijt ne zeveraar, Louis. Aan den toog grote praat, maar als ’t er op aan komt, durfde niks.’

Jaak had gelijk natuurlijk. Louis had hoogtevrees, maar dat wist niemand. Zijn legerdienst bij de para’s gedaan en voor elke sprong water en bloed gezweet. En maar weesgegroetjes bidden voor ons liefvrouwke.
Toch was dat nog gemakkelijk in vergelijking met de stommiteit die hij nu wilde begaan. Wanneer je in de deur van een C130 staat, heb je nauwelijks besef van hoogte. Bovendien sta je in het oorverdovende gebrul van de motoren en het zuigende geraas van de wind. Het enige wat je moet doen is één stap voorwaards zetten.
Op een stoel kruipen in de keuken om een nieuwe gloeilamp in te draaien is veel moeilijker. Zeker als ons Irma staat instructies te geven, dacht Louis. Twee linkerhanden hebde, Lewie Vranke. Altijd gehad. Hij hoorde het haar zo zeggen.

De eerste meters waren de moeilijkste. Bij Steve aan de toog van den 2BE leek het daarnet allemaal nog zo simpel.
‘Voor elke ster die ge van de koepel van de basiliek gaat pikken, Louis, trakteer ik je de hele meimaand elke dag een pint,’ had Jaak gezegd. ‘Maar ’t moeten wel de nieuwe zijn, he. Geen ouwe brol. Daar doe ik het niet voor.’
Een meter of tien van de grond knikten Louis’ knieën zo hard dat hij zich uit alle macht moest vastklampen aan de stellingen. Zijn kneukels werden er spierwit van. Hij duizelde en dat kwam door meer dan alleen maar de drank. Louis deed zijn ogen dicht en haalde een paar keer diep adem. De koude nachtlucht sneed door zijn keel. Zijn bonzende hart kwam wat tot bedaren en hij slaagde erin zijn spieren te ontspannen en verder te klimmen.
‘Als ge met uw klikken en klakken naar beneden dondert, laat ik je hier liggen,’ riep Jaak omhoog. ‘Dan kan de pastoor morgen een mis voor je doen.’
Ons vader moest me bezig zien, dacht Louis, hij sloeg me dood. Maar zijn vader, de koster, lag al jaren op het kerkhof in de Molenstraat. Leverkanker.
Naarmate hij hoger klom, groeide langzaam Louis’ zelfvertrouwen. De nachtelijke stilte en de duisternis brachten hem tot rust en het leek wel alsof hij voor de eerste keer in jaren weer een doel had.
Heel zijn leven had hij in Scherpenheuvel gewoond, elke zondag had hij slaag gekregen en had zijn vader hem dik tegen zijn goesting naar de mis gesleurd terwijl hij veel liever op de kruisweg of aan het kasteel achter de meulen ging spelen met zijn kameraden. En later, toen hij met Irma getrouwd was, had hij het spek weer aan zijn been. Hij geraakte van die kerk niet af.
Als ik er niet vanaf geraak, dacht hij kordaat, dan geraak ik er wel op. En straks ook op ons Irma. Dat ze haar uitvluchten voor iets anders gebruikt.

De laatste meters vloog hij bijna naar boven. Alsof hij vleugels had gelijk de engelen. In mei trakteert Jaak aan zijn beste maat Louis elke dag acht pinten. Acht. Dat kan tellen!


(Enige gelijkenis met bestaande mensen is puur toeval. Bel zeker niet naar de politie of de pastoor als je meent hierin de echte daders te herkennen.)
_

vrijdag 10 april 2009

Dagboek van een oorlog (16)

_
Donderdag 10 april 2003

Iedereen zette zich schrap voor de slag om Bagdad en hij is er niet gekomen.

Toen mijn oudste kinderen gisteren van de bus stapten, kondigden ze met enthousiasme aan dat de oorlog voorbij was. ‘The war is over, the war is over!’ had een juf geroepen terwijl ze vreugdevol door de gangen danste.
Later op de middag heb ik de beelden gezien van de ‘bevrijding’ van Bagdad. Samen met het personeel van Burger King, het fastfoodrestaurant waar ik met de kinderen zat te eten. We stonden met een twintigtal mensen rond het tv-scherm. Op CNN lieten ze de fameuze scène zien van de Amerikaanse mariniers die op het Fardousplein in het midden van de stad een menigte woedende Irakezen bijstond bij het neerhalen van het reuzestandbeeld van Saddam.
De verontwaardiging was groot bij iedereen rond het tv-scherm toen een marinier de Amerikaanse vlag op Saddams gezicht plakte. ‘In your face, asshole!

Toen het standbeeld dan eindelijk met een knal op de grond viel, begon iedereen er op te springen en te spuwen. Er waren zelfs mensen die er met hun sandalen en schoenen op sloegen, de ultieme belediging voor de Arabieren. Ook rond mij stond iedereen te roepen en joelen, met plaatsvervangende vreugde en opluchting.
Ik moest weer tranen bedwingen. Je kan je niet voorstellen hoe nauw de Jordaniërs begaan zijn met het lot van de Irakese bevolking. Ze zijn hier zo gepassioneerd dat ze het lijden van een ander als hun eigen lijden aanvoelen. Zo ook voelen ze de opluchting over het einde van een verpletterende en beklemmende dictatuur.

Maar wat nu met Bagdad? Wat nu met Irak? What’s the plan, Mr. President?


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
-

maandag 6 april 2009

Dagboek van een oorlog (15)

_
Zondag 6 april 2003

De Belgische ambassadeur heeft afgelopen vrijdag al zijn landgenoten uitgenodigd. We waren met een dertigtal. Ik had een extra gast meegenomen: Hubert De Maere d'Aertrycke, de man die aan het hoofd staat van Caritas Internationaal Hulpbetoon België. Hubert is een vriend van mijn vader en sinds woensdag in het land in de hoop een hulpproject op poten te zetten. Een taak die niet zo voor de hand ligt als je wel zou denken.
Niet alle Belgen die in Jordanië wonen waren aanwezig. Onder normale omstandigheden zijn dat er éénenzestig. Belgen van allerlei makelij. Een aantal zijn genaturaliseerd, dus niet Belg van geboorte. Een tiental zijn echtgenotes van Jordaniërs of Palestijnen. Een deel zijn kinderen. Twee zijn nonnen, Kleine Zusters van Nazareth (Nazareth Oost-Vlaanderen, niet Palestina). Drie zijn diplomaten van de ambassade, samen met hun vrouwen. En de rest zijn een handjevol mensen die voor hulporganisaties en NGO’s werken.
Twee daarvan staan in deze regio aan het hoofd van Unicef en van Médicins Sans Frontièrs. Zij kwamen vertellen over wat zij doen, of proberen te doen, in Irak. Ook Hubert deed een ad rem bijdrage aan het gesprek.

De ambassadeur legde kort uit waar de Belgische regering staat in dit conflict en maakte daarna een analyse van de politiek van Donald Rumsfeld vs. Colin Powell.
‘De militaire aanpak verschilt erg van de diplomatieke,’ zei hij. ‘Wanneer je een militair en een diplomaat elk het bos instuurt met de opdracht een hert terug te brengen, komt de militair na een half uur terug met een dood hert over zijn schouders. Hij is ongetwijfeld de man van de actie. De diplomaat, de man van de rede, komt pas na twee dagen terug, maar heeft het hert levend gevangen zonder ook maar één schot te lossen.’
‘Dus dat is het verschil,’ ging hij verder, ‘tussen de aanpak van Rumsfeld en Powell. Het is dan ook onvergeeflijk dat de gealliëerden geen twee dagen gewacht hebben om Powell de kans te geven met zijn levende hert uit het bos terug te keren.’

Hubert De Maere, de man van Caritas, een ex-militair-ooit-zelf-diplomaat-nu-humanitair, maakte daar een erg gevatte opmerking over.
‘Ik ga helemaal akkoord met uw mooie uitleg, meneer de ambassadeur,’ zei hij, ‘maar is het niet ironisch dat de man van de diplomatie, Colin Powell, in feite een militair is en de man van de actie, Donald Rumsfeld, een diplomaat?’
Touché.

Maar het was de chef van Médicins Sans Frontièrs die de diepste indruk op mij gemaakt heeft die avond. Het Amerikaanse leger strooit kleine voedselpaketten uit boven Irak. De bedoeling is om op korte tijd zoveel mogelijk mensen te voorzien van de meest essentiële benodigdheden. De Amerikanen proberen op die manier tijd te winnen tot ze de echte humanitaire hulp in Irak toelaten. Om er voor te zorgen dat de paketten goed opvallen in het landschap, zijn ze verpakt in geel plastic.
En dan zijn er de beruchte cluster bombs, kleine bommen die in honderden stukjes uiteenspatten, dwars doorheen vlees, bot en zelfs de klei van de huizen op het platteland. Echter niet alle cluster bombs ontploffen onmiddellijk, maar vallen intact op de grond. Ze zijn even groot en even geel als de voedselpaketten.

‘Mama, papa, kijk! Ik heb een pakje met eten gevonden!’


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

vrijdag 3 april 2009

Mukamana (2)

_
Op 23 februari vertelde ik het verhaal van Mukamana, een meisje uit Rwanda dat van een gewisse dood gered werd door o.a. mijn vader en later geadopteerd werd door Michael Bierlmeier en zijn familie in Duitsland.
Vandaag kreeg ik tot mijn grote spijt het verschrikkelijke bericht dat Michael plots gestroven is. Je kan de boodschap ook lezen op de website van Kinder Brauchen Frieden, de hulporganisatie die hij oprichtte om kinderen te helpen die het slachtoffer zijn van oorlog. De reden voor zijn onverwachte overlijden ken ik niet en staat ook niet op de site.

Het zou natuurlijk gemakkelijk zijn om op een moment als dit in clichés te hervallen. Waarom hij? Een man die zoveel goede dingen heeft gedaan in zijn leven en die nog zoveel zou kunnen betekenen voor de wereld, in de eerste plaats dan voor zijn eigen gezin.

De dood van Michael Bierlmeier is een tragisch verlies. Meer kan ik er in mijn verdriet niet over zeggen. Begrijpen kan je zoiets toch niet.


Lees ook: Mukamana (1)
_

donderdag 2 april 2009

Dagboek van een oorlog (14)

_
Woensdag 2 april 2003

Gisteren stond er een aandoenlijk verhaal in de krant dat aansluit bij iets dat ik eerder in dit dagboek schreef. Van de vierhonderdduizend Irakese vluchtelingen in Jordanië zijn er sinds het begin van de oorlog al zesduizend zevenhonderd teruggekeerd naar Irak.
Het artikel brengt het relaas van de zevenentwintigjarige Ghanem Rahim die zijn reden geeft voor zijn beslissing om terug te keren naar zijn geboortestad Basra. Hij wil namelijk zijn elf broers en zussen niet alleen laten in hun strijd tegen de Engels-Amerikaanse invasie. Ghanem sluit zich aan bij duizenden andere Irakezen die besloten hebben om naar hun land terug te keren om actief weerstand te bieden.
‘Ik wil niet toekijken terwijl mijn land uit mekaar wordt gerukt,’ zegt Ghanem. ‘We moeten onze eer redden, onze waardigheid en ons land.’

Om in Irak te geraken, moet er veel geld betaald worden. Busmaatschappijen willen hun bussen en het leven van hun chauffeurs niet riskeren. Alleen een beperkt aantal taxi’s en privé-transportbedrijven zijn bereid het traject naar Bagdad af te leggen. Een rit kost al gauw tweeduizend dollar.
Irakezen zoals Ghanem Rahim kunnen die prijs onmogelijk betalen. Daar heeft Uday, de zoon van Saddam Hussein, gretig gebruik van gemaakt. Elke Irakees die er in slaagt op eigen houtje de grens te bereiken en over te steken naar Triebil krijgt van Uday gratis vervoer naar o.a. Bagdad.

Tijdens deze oorlog was het gisteren doodgewoon de achtste verjaardag van mijn dochter Anoud. Voor haar was er geen vuiltje aan de lucht. Ook al is haar klas danig uitgedund, toch was het een gezellige viering met taart en een zwempartijtje met vriendjes en vriendinnetjes in het zwembad van de school.
Tijdens het feestje praatte ik met de moeder van Tara. Zij is Irakese. Haar eigen moeder woont in Karbala en haar zus in het centrum van Bagdad. Al meer dan een week heeft ze geen contact met hen gehad. Ze kan niet meer bellen en vraagt zich af of ze dood zijn of levend.
Ze vertelde dat ze niet meer naar tv durft te kijken uit angst voor beelden van haar gebombardeerde straat. Haar gezicht was een ravage van slaapgebrek en nervositeit.
Ondertussen zaten we gezellig bij het zwembad. Onze dochtertjes lachten en speelden samen in het water.

De tv staat hier in huis al lang niet meer aan. Een aantal dagen geleden heb ik besloten hem definitief af te zetten. Ik werd ziek van de beelden.
De zon schijnt en het is aangenaam warm. Af en toe betrap ik mezelf erop dat ik vrolijk ben. Het is heel gemakkelijk om te doen alsof er niks aan de hand is.
Never underestimate the power of denial.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

maandag 30 maart 2009

Dagboek van een oorlog (13)

_
Zondag 30 maart 2003

Op de derde pagina van de Jordan Times verschijnt elke dag het Home News. In de linkerkolom staan er een lijstje van de hoogtepunten. Vandaag zijn het er vijf. Twee hebben met Irak te maken.

Het eerste draagt als titel: Iraqi nationals here can channel donations through embassy. De Iraakse ambassade in Amman heeft sinds zaterdag zijn deuren geopend om Iraakse burgers in Jordanië de kans te geven geld te doneren. Volgens de officiële verklaring aanvaardt de ambassade alle financiële en andere giften om het Irakeese volk te steunen in hun volharding tijdens deze tijd van oorlog en onaflatende internationale sancties.

Een week geleden reed ik nog voorbij de Iraakse ambassade. Het gebouw is omringd door een hoge muur met kantelen en een kanjer van een vergulde poort. De muur is versierd met lichtblauwe tegels en versieringen. Deze ambassade ligt in een deel van de stad waar ik zelden kom, maar morgen zal ik eens de inspanning doen om tot daar te rijden in een taxi. Om te zien hoeveel mensen staan aan te schuiven met donaties.
Gisteren schreef ik nog dat er vierhonderduizend straatarme vluchtelingen zijn in Amman. Hoeveel geld zullen zij naar de ambassade dragen?

Het tweede onderwerp in de linkerkolom van de Jordan Times is: Amman Private University halves tuition fees. De Amman Private University (APU) heeft beslist om alle studenten die uit Irak moeten vluchten vijftig procent korting te geven op hun leergeld.
Bijna tweeduizend vijfhonderd Jordaanse jongeren studeren namelijk aan Irakeese universiteiten. Ze zijn intussen terug thuis. Volgens het artikel heeft koning Abdullah richtlijnen gegeven om de inschrijving van terugkerende studenten te vergemakkelijken. De APU volgt als eerste deze richtlijnen. U vraagt, wij draaien!

Verder staat er op pagina drie ook nog een artikel over Abu Hamed, een achtenvijftigjarige Palestijn die in ’67 zijn land werd uitgejaagd en al zesendertig jaar in Hitteen Refugee Camp woont, een vluchtelingenkamp op amper elf kilometer van Amman. Abu Hamed zegt dat hij vanwege zijn eigen verbittering heel goed kan begrijpen hoe de Irakeese bevolking zich momenteel moet voelen.
Bij het lezen van dit artikel maak ik de bedenking dat het onbegrip bij de mensen elke dag groter wordt. En in het hart van de Jordaniërs groeit stilaan ook woede en zelfs haat. Omdat zoveel bloedvergieten tegen alle rede ingaat.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

zondag 29 maart 2009

Dagboek van een oorlog (12)

_
Zaterdag 29 maart 2003

Op donderdag kreeg ik een email van mijn moeder met als onderwerp: Amai! Ze vertelt over een reportage op Nederland 1 over Iraakse vluchtelingen die al jaar en dag proberen te overleven in Jordanië.
Ik zie hen alle dagen, de vrouwen in zwart. Ze zitten op de stoepen voor de winkels in Sweifiyeh sigaretten of snoepjes te verkopen. Het zijn stuk voor stuk Irakese oorlogsweduwen, die zonder enige vorm van inkomen of steun van de Jordaanse overheid tot bedelen gereduceerd zijn.
Er zijn naar schatting vierhonderduizend Irakese vluchtelingen in Jordanië. De grootste influx werd veroorzaakt door de eerste Golfoorlog. Sinds die tijd zijn er nog steeds dagelijks Irakezen die de grens oversteken om het regime van Saddam te ontvluchten.
Mijn moeder zei dat er in de reportage gepraat werd over Yousef Hashweh. Hij is een reverend en dokter van de CAMA-kerk en leidt een project dat gratis medische verzorging biedt aan deze Irakese mensen, maar ook aan arme Jordaanse families, ongeacht hun geloofsovertuiging. De CAMA-kerk is een Nederlandse zendingsbeweging met projecten in zevenentwintig landen over de hele wereld.
Wat gaan deze vluchtelingen doen na de ‘bevrijding’ van Irak? Zitten ze met ongeduld te wachten om terug te keren? Hier zijn ze in ieder geval niet welkom. Ze vormen een last die de lokale economie niet aankan. Dus kan er van integratie en blijven geen sprake zijn, aldus de algemene consensus. Jordanië is uiteindelijk nog steeds een derde wereldland.

Mijn moeder rapporteerde ook dat er in De Morgen een artikel stond over het Jordaanse koningshuis onder de titel: ‘Jordanië danst op het slappe koord.’ Het gaat over de voorbereidingen die al zouden getroffen zijn voor het ballingschap van de koninklijke familie in geval van volksopstand.
Natuurlijk is dit klinklare onzin. Wie heeft die voorbereidingen dan getroffen? Je gaat mij niet komen vertellen dat ze gaan weglopen, hoe erg het hier ook uit de hand loopt. Misschien zinspeelt het artikel op de blunder die koning Abdullah vorige week begin. Toen wees hij op vraag van Amerika vijf Irakese diplomaten uit. Jordanië was het tweede land om aan dat verzoek tegemoet te komen. Die beslissing wordt hem alles behalve in dank afgenomen. De situatie is op dit moment zeer delicaat. Er is inderdaad niet veel meer nodig om het volk helemaal tegen hem keren.

Hoe langer dit conflict aansleept, hoe slechter voor Jordanië. De economische ramp is niet te overzien. De handel en import/export, waarvan de mensen hier grotendeels leven, staan zo goed als stil. Er komen geen buitenlandse investeerders meer. Het toerisme staat op een historisch laag pitje.
In de Sharq al-Awsat (de Arabische krant die in Londen gepubliceerd wordt) stond gisteren dat volgens een aantal Egyptische analysten de VS van plan is het hele Midden Oosten te ‘bevrijden’.
Allah yustur, God behoede ons.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

vrijdag 27 maart 2009

Dagboek van een oorlog (11)

_
Donderdag 27 maart 2003

Het is kwart na middernacht. Ik lag al in mijn bed toen ik terug moest opstaan om dit op te schrijven: in het Westen zijn er mensen die beweren dat het nauwelijks een oorlog kan genoemd worden, wat er gaande is in Irak, omdat er bijna geen sprake is van slachtoffers.
Op een discussieforum las ik: ‘Het klinkt natuurlijk cynisch maar het aantal slachtoffers valt nog enorm mee als je kijkt naar de enorme inzet van het wapentuig.’
Cynisch vind ik eerder deze uitspraak.
Hier is wat ik erover denk.
Ten eerste is het helemaal in het Anglo-Amerikaanse belang dat er in alle stilte wordt gezwegen over hoeveel doden er in Irak al gevallen zijn. Je kan mij niet vertellen dat wanneer er al meer dan duizend raketten zijn afgevuurd dat daar geen slachtoffers bij vallen. Komaan.
Hoe accuraat die bommen ook mogen zijn, ze hebben al honderden en honderden slachtoffers gemaakt. Die raketten landen niet in de woestijn. Surf maar eens naar een website dat een stadsplan van Baghdad toont. Die stad is niet ontworpen als Washington DC, waar er kilometers open ruimtes zijn tussen de regeringsgebouwen. Dit is een stad waar alles op elkaar gebouwd staat. Je kan niet bombarderen zonder honderden slachtoffers te maken.
De Amerikanen en Britten zwijgen over die slachtoffers in alle talen, vooral dan Engels. Omdat de Irakese burgers hen moeten zien als de bevrijders.
Ten tweede is er Saddam zelf die zwijgt over het ware aantal doden. Hij wil zijn eigen bevolking niet ontmoedigen. Hij probeert de oorlog te minimaliseren door te doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Enkele tientallen slachtoffers, big deal. Die Amerikanen kunnen er niks van. Laat maar komen, wij vechten wel terug. Laat ze maar gebouwen platgooien, die bouwen we wel samen terug op eens we hen hier hebben buitengesmeten.

Niemand wil toegeven hoeveel doden er vallen. De propagandapraktijken werpen duidelijk betere resultaten af dan de bommenwerpers bommen.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

donderdag 26 maart 2009

Dagboek van een oorlog (10)

_
Woensdag 26 maart 2003

Vandaag heb ik foto’s gezien van mijn zee van bloemen. Een van de twee vrienden met wie ik tien dagen geleden op die mooie heuvel heb gezeten, ging eergisteren terug en maakte drie prachtige foto’s. Hij wou de herinnering vastleggen vooraleer de bloemen in de boomgaard verdwijnen. Het resultaat is adembenemend.

Gisteren is het in de loop van de namiddag weer beginnen sneeuwen. In de tijdsspanne van een uur waren alle wegen dichtgesneeuwd. En dat op het einde van maart. Ik heb het hier nog nooit meegemaakt.
Toen ik vanochtend de rolluiken optrok, zag ik de straat niet eens. De hele stad was bedekt met een melkwitte, dichte mist. De schoolbus kwam pas om negen uur opdagen, twee uur later dan normaal, en ik had een beklemmend gevoel toen mijn oudste kinderen opstapten. Alsof ik hen nooit meer zou terugzien. Ze zijn intussen weer veilig thuis.

Vanmiddag ging ik op bezoek in The Humane Center for Animal Welfare, de enige fatsoenlijke dierenwelzijnsorganisatie in Jordanië. Daar was ik getuige van het einde van een leven. Het leven van een achtien jaar oude, zwarte muilezel die door jarenlange ondervoeding en hard werken totaal op was. Hij kon niet eens meer op zijn poten staan.
Zijn eigenaar, een straatarme boer wiens economische overleving afhangt van dit dier, stond openlijk te huilen. Het was ijskoud, het sneeuwde, de ezel lag onder het afdak op een deken, zijn hoofd op een baal stro. Het was een surreële scène. Een situatie waarvan je je afvraagt of je er wel echt op staat te kijken.
Voor mijn ogen stortte de wereld in van een straatarme man. Hij zag zijn leven wegvloeien, samen met dat van zijn ezel. Hoe zal hij nu zijn velden ploegen? Hoe moet hij zijn oogst naar de markt brengen? Wat gaan zijn kinderen eten? Hoe moet het nu verder?
Terwijl ik naar hem keek, durfde ik amper de gedachtensprong te maken naar de slachtoffers in Irak, die ook liggen te sterven, voor wie ook tranen van onmacht en verdriet worden uitgestort.

Ik wil dit nog even kwijt over deze kloteoorlog. Ik ben verlamd door de gedachte dat zoveel mensen in de wereld denken dat wanneer je tégen de oorlog bent, je ook vóór Saddam zou zijn. Ik snap het niet.
Iedereen is het er over eens dat de bevolking van Irak het slachtoffer is geweest van de jarenlange tirannie van een magalomaan wiens machtslust geen grenzen kent. Hij heeft zijn volk geregeerd en geterorriseerd. Daar zijn we het allemaal over eens. Maar dat betekent niet dat om hen te helpen het nodig is om hen nog een beetje dieper in de wanhoop en de ellende te drukken.
Vandaag kreeg ik koude rillingen bij het zien van de beelden van de juichende mensen in de straten van Umm Qasr. Dagenlang had de wereld commentaar op de afwezigheid van de opgeluchte inwoners. Waarom liep niemand de geallieerde troepen tegemoet om hen te bedanken? Al die tijd was ik blij, fier zelfs, dat de mensen van Umm Qasr zich kloek en trots hielden. En nu… nu waren de beelden er plots toch.
Ik droom van de tijd toen er nog geen televisie was, toen je nog niet kon zien wat er gaande was, dat er niets anders op zat dan het einde van de oorlog af te wachten en te hopen dat jouw kant gewonnen had.
Misschien ben ik wel een lafaard.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

dinsdag 24 maart 2009

Dagboek van een oorlog (9)

_
Maandag 24 maart 2003

Gisteren was ik diep geschokt door de beelden van een Amerikaanse soldaat die door Iraakse militairen voor de camera’s werd opgevoerd. Hij staarde verward heen en weer, alsof hij onder de invloed was van drugs. De angst was duidelijk van zijn gezicht af te lezen.
Omwille van die beelden heb ik vandaag geen tv gekeken. Struisvogelstrategie. Het gaf me echter wel de tijd om wat gesprekken te voeren met mensen. De meningen lopen ver uiteen, maar toch zijn er hier en daar een aantal overeenkomsten.
‘We kunnen niet te lang in zoveel spanning leven,’ zegt de ene.
‘We vinden dat de bevolking van Irak niet nog eens een aanslepende oorlog hoeft te ondergaan,’ zegt de andere. ‘Dat ze dus maar snel ‘bevrijd’ mogen worden.’
Veel mensen trekken zich hier bijna het haar uit hun hoofd bij de gedachte dat de Amerikaanse soldaten verwacht hadden om Basra binnen te wandelen en daar begroet te worden door een juichende menigte opgeluchte inwoners.
'Hebben die Amerikanen dan nog nooit van trots gehoord?'
‘Hadden ze nu echt verwacht om van Kuweit City naar Bagdad te marcheren zonder op verzet te stoten?’
'Ook al worden die mensen door Saddam onderdrukt en misschien zelfs uitgehongerd, ze zijn en blijven in de eerste plaats Irakezen.'

Langzaam maar zeker laaien de gemoederen hier hoger en hoger op. De Jordaniërs halen er voldoening uit dat de Irakezen terugvechten, dat ze sterker zijn dan de geallieerden hadden voorspeld. Good for them!
Gisteren stonden honderden studenten van de University of Jordan aan de poorten van de campus oog in oog met de politie. Later kwamen elders in de stad ook ruim drieduizend mensen bijeen voor een vredige protestmars.
Vanuit die laatste groep kwam er een oproep aan de hele Arabische gemeenschap en alle officiële instanties in het Midden-Oosten om de Irakezen te steunen in de ‘verdediging van hun natie’. Ook in Irbid, de tweede grootste stad van Jordanië, werd er een gelijkaardige bijeenkomst georganiseerd.

En wat denken mijn kinderen er over? Ik moest even slikken toen mijn oudste zoon tijdens het avondmaal vertelde dat hij vandaag op school bomalarm geoefend had. Toen de bel drie keer ging, moesten alle leerlingen onder hun bank kruipen.
‘Hoe gaat dat ons beschermen tegen een inslaande bom?’, vroeg hij terecht.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

zaterdag 21 maart 2009

Dagboek van een oorlog (8)

_
Vrijdag 21 maart 2003

Vandaag is de eerste dag van de lente. Stel je voor.
Ik zit vanavond weer naar tv te kijken, ook al heb ik de hele dag bijna niets anders gedaan. Het ‘vuurwerk’ in Bagdad gaat zo meteen herbeginnen na een staakt-het-vuren van een uur.
Ik heb er stilaan genoeg van. De hele avond al breng ik door met het heen- en weerzappen tussen BBC World, Jordan Television en de Iraakse televisie.
In Irak zag ik eerst het einde van een praatprogramma tussen drie mannen in legeruniform. Daarna verscheen er een gepassioneerde zanger die plechtstatig een lied zong ter grotere glorie van zijn president. Als je hem moet geloven is Saddam Hussein niet veel minder dan God de Vader zelve.
Dan maar weer BBC World kijken. (CNN kan ik niet ontvangen.) Daar wordt net gezegd dat er vandaag demonstraties waren in Amman. Ik denk aan mijn moeder. Haar ontgaat geen woord van de berichtgeving. Maakt ze zich niet te ongerust? Natuurlijk wel, hoe kan het anders.
Even later belt ze om te vragen hoe het met ons gaat. Zorgen maakt ze zich niet, zegt ze. We lachen bij de bedenking hoe ver Bagdad en Amman van elkaar verwijderd liggen.
‘Als er in Madrid bommen vallen, merk je daar in België toch ook niks van,’ stel ik haar gerust.
‘Zelfs al vielen ze in Eindhoven,' grapt ze, 'we zouden er ons in Scherpenheuvel niks van aantrekken!’
Daarna praten we wat meer geanimeerd dan anders over mijn kinderen, mijn ex, mijn vader.

Om tien uur begint het journaal op Jordan Television. Vandaag gebruiken ze het woord alleged, vermoedelijk, minstens twee keer in elke zin. Het nieuws van de geallieerde opmars in Irak wordt hier met veel argwaan onthaald.
De nieuwslezer hamert minutenlang op het feit dat in Umm Qasr de Amerikaanse vlag werd gehezen. Dat gelooft in Jordanië wellicht niemand. En indien het waar is, vindt iedereen het terecht een zware schending van de Iraakse sovereniteit.
Het kan voor de Jordaanse overheid niet gemakkelijk zijn om het midden te houden tussen hun steun aan Amerika, die om economische en politieke redenen schijnbaar onontbeerlijk is, en de sterke emoties van de Jordaanse bevolking. Zelfs het feit dat zoveel Iraakse soldaten zich al hebben overgegeven aan de geallieerde troepen gaat er hier nauwelijks in. Misschien is het wel opgezet spel. Een soort van Hollywoodproductie. Wag the Dog.
Dan zap ik nog even terug naar de Iraakse telelvisie. Daar tonen ze toevallig net de toespraak van Mohammad Said al-Sahhaf, de minister van informatie. Ik versta niet genoeg om met zekerheid te zeggen waarover hij praat, maar de beelden die volgen liegen er niet om: gebombardeerde gebouwen en totale ravage. De schade is enorm.
Deze beelden krijgt de hele wereld morgen bij het eerste daglicht voorgeschoteld via de Westerse media.

Nu stop ik er mee. Met een overtuigde druk op de knop zet ik mijn tv af. Jammer dat de mensen in Bagdad niet op die manier hun miserie kunnen afzetten.
Aan de bevrijding van een volk hangt een hoog prijskaartje.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

vrijdag 20 maart 2009

Dagboek van een oorlog (7)

_
Donderdag 20 maart 2003

De aanvallen zijn begonnen. Toen ik om vijf uur vanochtend opstond om de verwarming aan te zetten, kon ik niet aan de verleiding weerstaan om even naar BBC World te kijken.
Ari Fleischer, de woordvoerder van het Witte Huis, was net klaar met een statement. Terwijl de commentator nog even samenvatte wat Fleischer had verteld, schakelde het beeld al over naar George Bush, die zich opmaakte om zelf het woord te nemen. Een kapster was ijverig in de weer om zijn haar met kam en spuitbus te cementeren. Bush maakte ondertussen een grapje met de mensen van de cameraploeg en het geluid.
Terwijl ik zat te kijken, moest ik plots denken aan neuroloog Oliver Sacks. In zijn boek The Man Who Mistook his Wife for a Hat beschreef hij een incident in een psychiatrisch ziekenhuis waar hij werkte. Op een dag ontstond er grote opschudding in de gemeenschappelijk televisiekamer. Een aantal patiënten keken samen tv en waren in een hysterische lachbui uitgebroken. Toen Sacks en het verplegend personeel bezorgd kwamen toegelopen, bleek dat de patiënten naar een toespraak van toenmalig president Ronald Reagan zaten te kijken. Zonder geluid!
Sacks legde in zijn boek uit dat communicatie bestaat uit veel meer dan alleen maar het gesproken woord. Een overtuigende speech heeft ook met lichaamstaal te maken en als dusdanig ook met lichamelijke geloofwaardigheid. En die geloofwaardigheid was bij Reagan duidelijk ver zoek.
Toen ik president Bush bekeek, moest ik – ondanks de pijnlijke redenen waarom hij op mijn scherm was verschenen – toch een glimlach onderdrukken.

Maar natuurlijk vergaat het lachen ons hier allemaal wanneer we denken aan het feit dat het wachten nu voorbij is. Nochtans is er vanuit het raam van mijn flat nog steeds weinig te merken van enige spanning in Amman. Er zijn minder mensen op de been, dat wel. Zelfs bij de kapper was er bijna niemand. Maar ik neem aan dat weinig mensen van plan zijn om vanavond op stap te gaan. Iedereen wil tv kijken. El Jazira, Jordan Television of CNN.
Vanochtend werd er in de Jordan Times nog met geen woord gesproken over de vroege aanvallen op Baghdad. De krant was waarschijnlijk al ter perse gegaan toen de aanvallen begonnen.
Wat er wel in stond was een artikel over het vluchtelingenkamp in Ruweished, aan de Jordaans-Iraakse grens, opgezet door de Rode Halve Maan. Daar kwamen gisteren zes families toe. Mensen die al twintig jaar in Baghdad wonen, maar nu toch het zekere voor het onzekere nemen.
‘We zullen wel teruggaan wanneer alles achter de rug is,’ zei een van de mannen.

Mijn oudste kinderen hoefden niet naar school vandaag. De Public Security Department (zoals de politie hier heet) raadde onze school aan om de poorten dicht te houden op de eerste dag van de aanvallen. Omwille van de buitenlandse leerlingen en leerkrachten. De politie zal ons adviseren wanneer het weer veilig is om de lessen te hervatten.
Wat een onzin. Op die manier maak je pas een doelwit van de school. Bovendien hebben vierenzestig procent van de leerlingen het land al verlaten. Het is allemaal onnodige paniek.
Ik maak me daar verschrikkelijke druk om, terwijl mijn oudste kinderen het gewoon fijn vonden om onverwacht een dagje vrij te hebben.
De volgende uren en dagen zal heel Jordanië aan de televisie gekluisterd liggen. Hoe is het mogelijk dat we zo’n informatiehonger hebben ontwikkeld? Vroeger werden oorlogen gevoerd, verloren of gewonnen, en enkel de overlevenden konden er nog iets over navertellen.
Nu heeft elke tv-zender zijn eigen man of vrouw in Bagdag en wacht de wereld met ongeduld op elk kruimeltje nieuws dat in onze richting wordt gegooid.

Trouwens... wat zou er van Peter Arnett van CNN geworden zijn? Ken je hem nog? Hij was tijdens de vorige Golfoorlog de laatste reporter die nog vanuit Bagdad mocht verslag geven.


Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1).
_

woensdag 18 maart 2009

Dagboek van een oorlog (6)

_
Dinsdag 18 maart 2003

Vandaag is bij mij de verslagenheid heel groot. Het wachten is voorbij. Saddam en zijn zonen hebben achtenveertig uur de tijd gekregen om Irak te verlaten, met als gevolg dat de oorlog er nu echt zit aan te komen.
Tijdens de toespraak van Bush kon ik mijn tranen niet bedwingen. Hij richtte zich tot de Iraakse soldaten met de boodschap niet langer een stervend regime te verdedigen. Toch offeren die soldaten zich met passie op voor hun president. Stervend regime of niet.
Zo zijn de Irakezen nu eenmaal. Ze geloven koppig in de overwinning. Zelfs wanneer ze oog in oog staan met het machtigste leger ter wereld. Voor ons lijkt dat hallucinant, maar voor hen is het vanzelfsprekend. Kijk maar naar alle vrijwilligers uit andere Arabische landen die trouw zweren aan Saddam en ook bereid zijn om hun leven te geven in een strijd die voor ons al op voorhand verloren lijkt.
Toen ik het vliegtuig van de VN inspecteurs zag opstijgen, vloeide bij mij weer de tranen. ‘Mission failed’, zei de nieuwslezer. Wat gefaald heeft is de diplomatie, de volharding, de goedheid.

Gisteren stond er op pagina drie van de Jordan Times een artikel over hoe een Egyptische populaire zanger, Shaban Abdel Rahim, de gevoelens van vele Arabieren heeft omgezet in het lied Attacking Iraq. Het zou gaan over een protestlied gericht aan het adres van George Bush.
‘Kijk liever naar Israël en laat Irak met rust!’, zingt Abdel Rahim. Het lied is erg populair downtown, waar de gemoederen altijd sneller en hoger oplaaien dan uptown. Maar volgens het artikel begint er nu ook in de andere delen van de stad vraag te komen naar het lied.
Protest is er in mijn onmiddellijke omgeving ook tegen de nakende oorlog. Iedereen maakt zich erg ongerust. De meeste mensen beschouwen een oorlog als illegaal en onaanvaardbaar. Afgelopen zondag werd er hier vlakbij een wake bij kaarslicht gehouden. Daar werden borden met Disarm Bush omhoog gehouden. De anders zo gematigde Jordaniërs uiten nu openlijk hun misnoegen.

Samen met de rest van de wereld telt Amman af naar het moment van de waarheid. Nog achtenveertig uur. Moeten we nu hopen dat het een korte blitz wordt? Dat ze Saddam en zijn zeven dubbelgangers binnen afzienbare tijd kunnen ombrengen? Misschien wel. Veel anders zit er niet meer op. Misselijk word ik er van.

Lees ook de andere dagboekfragmenten,
te beginnen bij Dagboek van een oorlog (1)
_

zondag 15 maart 2009

Dagboek van een oorlog (5)

_
Zaterdag 15 maart 2003

Vanochtend kreeg ik een email van mijn zus waarin ze schrijft dat het maandag, dinsdag of woensdag gaat gebeuren. En dat terwijl ik gisteren nog even gegrepen werd door de illusie dat het er nooit van komt. Ik weet natuurlijk ook dat die oorlog er gewoon wél komt, maar ik vind dat men nooit de hoop mag opgeven dat de pure goedheid of de rede dan toch de bovenhand haalt.

Afgelopen donderdag had ik een vergadering bij een nieuwe klant. Jane Taylor is een Engelse fotografe die al veertien jaar in Jordanië woont. Net zo lang als ik. Zij wil de vrije tijd, die de (nakende) oorlog haar geeft, gebruiken om eindelijk een website te maken. Ze kan nu toch niet rondtrekken.
Haar werk is zeer gevariëerd en boeiend. Zo heeft ze bijvoorbeeld in Irak een aantal fotoreportages gemaakt. Fantastische beelden. Terwijl we samen haar archieven doorzochten om te zien welke foto’s in aanmerking komen voor de website, maakte ik de bedenking dat we met deze momentopnames over enkele weken misschien een venster naar het verleden hebben. Een soort van fotografische teletijdmachine. De mensen en gebouwen bestaan dan misschien niet meer. Het lachende jongetje met zijn vuile gezichtje zal het mogelijk met zijn leven bekocht hebben. De prijs van de oorlog tegen de terreur zal voor hem veel te hoog zijn geweest.

Ik had besloten om dit weekend niet aan het conflict te denken. Na mijn bezoek aan Jane had ik er even genoeg van. Gisteren ben ik met twee vrienden een ritje gaan maken. Aan het begin van de namiddag zei ik dat we een zee van bloemen moesten vinden op de top van een hoge heuvel. Alleen daar zouden we tijdelijk kunnen ontsnappen aan de realiteit die ons allemaal te wachten staat.
Gemakkelijker gezegd dan gedaan. Begin hier in Jordanië maar eens naar een zee van bloemen te zoeken. Gelukkig is er deze winter veel regen en sneeuw geweest en is het landschap groener dan ik het ooit al gezien heb. Wat kan het hier toch pijnlijk mooi zijn.
We haddden de hoop al bijna opgegeven, toen we na twee uur op een heel smal weggetje terecht kwamen langs een lage, scheefgezakte muur. Achter die muur bevond zich een grote boomgaard vol met oude, statige olijfbomen.
Vlak bij de weg, onder één van de bomen, stond een ezel te grazen. En naast de ezel stond een oud vrouwtje, verrimpeld en versleten van een leven lang werken in de hete zon, hout te hakken.
Tot onze verbazing was de grond van de hele boomgaard bedekt met paarse en roze bloemen. Ik geloof niet dat ik in mijn hele leven al zoveel bloemen bij mekaar heb gezien. Onvoorstelbaar.
Ahlan wa sahlan,’ zei het vrouwtje toen we vroegen of we in haar boomgaard mochten rondwandelen, wat welkom betekent.
We hebben een uur lang in volledige stilte op de grond gezeten in deze zee van bloemen. Vanop het hoogste punt van de boomgaard hadden we een adembenemend zicht op de Dode Zee, de Jordaanvallei en in de verte Jerusalem. Wat leek het daar vredig, op de heuvels aan de overkant. Een echt bijbels tafereel.
’s Avonds, toen ik weer thuis was en op BBC World naar het nieuws keek, zag ik beelden van hoe er die namiddag op diezelfde heuvels dood en vernieling gezaaid was door zwaar gewapende Israëlische soldaten.
De wondermooie stilte van mijn bloemenzee is nu enkel nog een herinnering. Komt er dan nooit een einde aan de pijn in deze regio?

www.janetaylorphotos.com


Lees ook: Dagboek van een oorlog (6)
_

woensdag 11 maart 2009

Dagboek van een oorlog (4)

_
Dinsdag 11 maart 2003

Enkele dagen geleden kreeg ik een email waarin stond dat Ali’s Dry Clean, vlak bij de militaire basis in Sawafi aan de grens met Irak, dagelijks duizend tweehonderd uniformen van Britse en Amerikaanse soldaten wast. Daar zal meneer Ali zelf dan waarschijnlijk heel gelukkig mee zijn. Een uiterst lucratieve bezigheid, dat uniformen wassen.
En hij is niet alleen in het profiteren van een mogelijke oorlog. Zo is er bijvoorbeeld nergens in Amman nog een 4x4 te huur. De stad wordt overspoelt door journalisten en die willen blijkbaar allemaal zo mobiel mogelijk zijn.
Uiteraard is het de regering zelf die de grootste beloning zal ontvangen. In ruil voor haar pro-Westerse houding mag Jordanië van de VS namelijk tweehonderd miljoen dollar per jaar aan militaire steun in ontvangst nemen. Mooi meegenomen. In vergelijking met de paria-status die koning Hussein voor zijn land had verworven tijdens de eerste Golfoorlog heeft koning Abdullah het dit keer wel heel slim gespeeld. Althans vanuit zijn eigen standpunt.
Ik vraag me vaak af op welke basis dat soort beslissingen genomen wordt en wie er eigenlijk precies achter zit.

Gisteren wou ik het zekere voor het onzekere nemen en heb ik Jamil, mijn leverancier van solar (Arabisch voor huisbrandolie) opgebeld. Je weet maar nooit dat morgen de oliekraan wordt dichtgedraaid.
Jamil vertelde in zijn allerbeste Engels dat hij het idee van een oorlog anders best goed vindt. Waarom dat zo is kon hij niet precies uitleggen en ik denk dan ook dat Jamil redelijk uniek is in zijn mening.
De meeste Jordaniërs voelen zich ongemakkelijk bij het idee van oorlog. Vooral dan wat de economische terugslag ná het conflict betreft.
Bovendien is iedereen hier heel erg nauw verbonden met de Iraakse bevolking. Heel veel mensen hebben familie of vrienden in Bagdad. Ze maken zich dan ook terecht zorgen om hen, want de meesten kunnen geen kant uit en zullen in het midden van een gewapend conflict terecht komen.
Behalve Jamil, mijn solarman, heb ik nog één andere stem gehoord ten voordele van de oorlog. Mijn buurvrouw vertelde dat haar huishoudhulp uit Sri Lanka enkele vriendinnen heeft die van de verwarring willen gebruik maken om zonder papieren uit Irak te ontsnappen. Gewoon ergens de grens oversteken.
De grens naar waar in hemelsnaam? Naar Saoedi Arabië, naar Syrië, naar Turkije, naar Iran? Of naar hier, waar ze zonder papieren en zonder pardon achter de tralies vliegen, als waren ze zware criminelen.


Lees ook: Dagboek van een oorlog (5)

dinsdag 10 maart 2009

Dagboek van een oorlog (3)

_
Woensdag 5 maart 2003

Op 3 maart zou de oorlog beginnen. Daar had ik mij altijd zo’n beetje op ingesteld. Het is nu de avond van 5 maart en ik zit hier achter mijn computertje te schrijven, mijn kinderen liggen zalig in hun bedjes te slapen en er is gelukkig nog geen oorlog. Hopelijk, maar hoogstonwaarschijnlijk, zal hij er ook nooit komen.
Terwijl Jordanië nog volop bijkomt van de grote sneeuwstorm van vorige week, vragen we ons met z’n allen af wat er ons eigenlijk allemaal te wachten staat. ‘Helemaal niks, er gebeurt hier helemaal niks,’ is de hoopvolle commentaar van heel wat mensen.
Vanmiddag, toen ik een kopje koffie zat te drinken met enkele vriendinnen, hoorden we aan het tafeltje achter ons iemand zeggen dat de Amerikanen van plan zijn om tijdens de eerste vier dagen van de oorlog vierduizend raketten af te vuren op strategische punten in Irak.
Ook al lijkt mij zo een uitspraak klinklare onzin (hoe kon die man dat nu weten?), het maakt de realiteit van een nakende oorlog toch zoveel pijnlijker. Bommen, raketten, dood, vernieling… Dat zal er allemaal aan te pas komen. Het zendt koude rillingen door me heen.
Ook al hopen we hier in Jordanië van echt geweld gespaard te blijven en ook al zullen er enkel aan de andere kant van de grens mensen sterven, we zullen er toch met onze neus vlak bovenop worden geduwd.

Aangezien ik zoveel vrienden heb binnen de expatgemeenschap, hebben ondertussen al een heel aantal van de mensen die ik ken, de meesten samen met hun kinderen, het land verlaten. Ik wil graag extra benaderukken dat elk van hen, zonder uitzondering, vertrokken is onder protest. Eén enkele Hollandse vriendin zag in haar gedwongen ballingschap een onverwachte kans om eens lekker gezellig gaan te shoppen.
Uiteraard zijn alle diplomaten etc. nog hier. Het zijn maar de non-essentials, zoals die dan heten, het niet-essentiële personeel dat met tegenzin in veiligheid wordt gebracht. De laatste Hollanders vertekken vanavond. De Belgen vinden het nog lang niet nodig om te evacueren.
Het leven in Amman gaat ogenschijnlijk zijn normale gangetje. Van paniek is hier bij de bevolking zeker geen sprake. De supermarkten worden op dit moment nog niet leeggekocht en ik heb nog niet gemerkt dat mensen benzine beginnen op te slaan.
Hoe kan men zich nu in hemelsnaam op zoiets voorbereiden? En is dat ook nodig? De mensen zitten wel in met wat er gaat gebeuren, met het onfaire van de erg agressieve Amerikaanse houding, met de grote mond van Bush en zijn kompanen, maar we zijn hier in Jordanië op dit ogenblik toch veel meer begaan met onze eigen economie en ons eigen dagelijkse leven.
Economisch gaat het hier niet al te goed, dus aan politieke speculatie wordt hier kennelijk minder gedaan dan pakweg vijf jaar geleden. De mensen hebben er gewoon de tijd en energie niet voor, denk ik.


Lees ook: Dagboek van een oorlog (4)

maandag 9 maart 2009

Dagboek van een oorlog (2)

_
Dinsdag 25 februari 2003

Sinds haar onafhankelijkheid in 1947 werd Jordanië - een constitutionele monarchie - voor het merendeel van de tijd geregeerd door koning Hussein. Hij was een pragmatisch en succesvol leider en slaagde erin zijn land op de kaart van niet alleen het Midden-Oosten maar ook de rest van de wereld te zetten. De huidige koning, Abdullah II, oudste zoon van koning Hussein en prinses Muna, besteeg de troon in 1999 na de dood van zijn vader.
Jordanië heeft een bevolking van iets over de vijf miljoen, waarvan tweeënnegentig procent sunnitische moslims en acht procent christenen en anderen.
Het merendeel van het land bestaat uit rotsachtige woestijn, maar we hebben natuurlijk de Great Rift Valley die de oostelijke oever van de Jordaan scheidt van de westelijke. Ook het laagste, bewoonde punt op aarde bevindt zich binnen onze landsgrenzen, de Dode Zee (op 408 meter onder de zeespiegel).
Jordanië heeft een uitweg naar de Rode Zee via de havenstad Aqaba in de Golf van Aqaba. De buurlanden zijn de Bezette Palestijnse Gebieden en Israël in het westen, Syrië in het noorden, Irak in het noord-oosten en Saoedi-Arabië aan de hele zuid-oostelijke en zuidelijke grens. De officiële taal van Jordanië is het Arabisch, maar ook Engels wordt door de midden- en hogere klasse goed verstaan en gesproken.
Op toeristisch vlak heeft Jordanië heel wat te bieden: Petra, de uit-de-stenen-gehouwen stad van de Nabateeërs; Jerash, één van de best bewaarde - eerst Griekse en daarna Romeinse - steden van de Decapolis; Karak, met zijn prachtige kruisvaardersburcht; de Dode Zee; de woestijn van Wadi Rum, om maar de meest bekende te noemen.
Jordanië heeft weinig of geen eigen water en zeker geen druppel olie. Armoede en werkloosheid zijn hier nog steeds erg grote problemen en minstens een derde van de bevolking leeft zelfs onder de armoedegrens.
Economisch houdt het land het hoofd boven water met handel, dienstverlening, import/export. Er is ook een beperkte industrie, een beetje landbouw en uiteraard toerisme. Irak is altijd één van de grootste handelspartners van Jordanië geweest, vooral dan voor de invoer van ruwe olie.
Amman is de hoofdstad en veruit de grootste stad van het land. Het is ook de plaats waar ik woon. Het is een moderne en schone stad, waar het verkeer wel erg chaotisch kan zijn, maar waar het over het algemeen zeer aangenaam wonen is.

Ik ben C., ooit nog eens uit Scherpenheuvel in Vlaams-Brabant, België. Ik kwam hier veertien jaar geleden als toerist op bezoek en ben tot voor kort getrouwd geweest met een Jordaniër. Nu ben ik gescheiden. Ik ben zesendertig jaar en heb vier kinderen. Mijn oudste zoon wordt elf in mei, mijn oudste dochter wordt acht in april, en dan is er mijn tweeling van bijna vijftien maanden.
Wij wonen in een flat in Sweifiyeh, één van de vele residentiële buurten van uptown Amman. Ik knoop de eindjes aan elkaar met een klein thuisbedrijfje in webdesign. De twee oudsten gaan naar de International Community School en hebben het daar heel erg naar hun zin.
Mijn vriendenkring bestaat voor het overgrote merendeel uit expats. Velen van hen zijn Hollanders, die in Amman in veel grotere getalen aanwezig zijn dan Vlamingen. Maar natuurlijk heb ik ook Jordaanse vrienden.
Na veertien jaar voel ik mij hier erg goed in mijn vel. Het is ook daarom dat ik besloten heb hier te blijven wonen na mijn echtscheiding, nu twee maanden geleden. Integratie kan je het zeker niet noemen, maar ik heb toch een ‘aangepaste’ manier van leven gevonden.
Mijn situatie is nu wel drastisch anders dan voorheen en ik ben erg benieuwd naar wat er in de komende weken in mijn eigen leven gaat gebeuren. Ik woon hier zonder man, als gescheiden Westerse vrouw met vier kinderen. Spannend zal het zeker worden, maar echte problemen voor mijzelf en mijn kinderen voorspel ik niet.

Lees ook: Dagboek van een oorlog (3)
_

zondag 8 maart 2009

Dagboek van een oorlog (1)

Heel lang geleden, toen de dieren nog konden praten en de bomen op hun wortels door het bos liepen, heb ik een oorlog meegemaakt. Niet van dichtbij, gelukkig, maar toch ook niet van heel ver.
Begin maart 2003, toen ik al bijna vijftien jaar in Jordanië woonde, brak in buurland Irak voor de tweede keer de Golfoorlog uit. Van de eerste Golfoorlog, die vier jaar eerder werd beslecht, was ik ook al getuige geweest. Maar dit keer beleefde ik het conflict op een heel andere manier.

Elk jaar in maart denk ik terug aan die tijd. En elk jaar opnieuw denk ik: ik zou eens iets moeten doen met het dagboek dat ik toen geschreven heb.
Twee medewerkers van het Nederlandse tv-programma Netwerk hadden mij gecontacteerd met de vraag of ik voor hen een dagboek wilde bijhouden, samen met een aantal mensen in andere betrokken of naburige landen. De bedoeling was om neer te pennen hoe wij en onze onmiddellijke omgeving de situatie in Irak beleefden en welke impact het conflict al dan niet had op ons leven.
Ik was sinds enkele maanden gescheiden en woonde met mijn vier kinderen op een flat in Sweifiyeh, een residentiële wijk van Amman. Het was niet gemakkelijk om opnieuw mijn draai te vinden. Meer dan wat ook vreesde ik het isolement, dus ik greep het aanbod van Netwerk met beide handen. Het was een mooie manier om met de wereld in contact te staan en tegelijk iets te doen wat ik graag deed: schrijven.

Natuurlijk kan ik hier enkel mijn eigen dagboekfragmenten publiceren. Het zal dus een eenzijdige kijk zijn op de gebeurtenissen. Ik heb in het archief van netwerk.tv gezocht naar het volledige dagboek, maar ik vind het niet meer terug.
Hoe ging dit hele procedé precies in zijn werk? Eerst werd ons gevraagd om een introductie te schrijven. Op die manier leerden de lezers niet alleen kort het land kennen waarin we woonden, maar ook de mensen achter het dagboek.
De inleiding mocht een hele pagina beslaan. De dagboekfragmenten zelf, die we om de twee à drie dagen moesten inzenden, waren ongeveer een halve A4 lang.
Ik zal de teksten publiceren zoals ik ze destijds geschreven heb (ik heb enkel de meest pijnlijke taalkundige fouten verbeterd) en niet zoals ze uiteindelijk op de website van Netwerk verschenen zijn. Ik herinner me wel dat er in mijn teksten maar weinig werd veranderd of verbeterd. Of dat bij de andere deelnemers ook zo was, weet ik natuurlijk niet.
Ook zal ik de teksten online zetten op dezelfde dagen dat ik ze zes jaar geleden geschreven heb. Met als enige uitzonderingen de introductie en het eerste dagboekfragment. Ze werden respectievelijk op 25 februari en 5 maart 2003 geschreven en ik zal ze morgen en overmorgen publiceren.


Lees ook: Dagboek van een oorlog (2)

_

zaterdag 7 maart 2009

Sjalleke

In Het Nieuwsblad vertelt Marie-Rose Morel (VB) vandaag over haar strijd tegen kanker. Ik heb al van bij het begin erg met haar te doen. Ze is nog zo jong, ze heeft kleine kinderen, de prognose is niet goed. Je moet een hart van steen hebben om daar geen verdriet bij te voelen.
‘Ik ben zesendertig jaar,’ zegt ze, ‘dan ga je niet dood.’

Kanker is de grote gelijkmaker. Dat zeggen ze ook wel van andere dingen, maar bij kanker hoor je heel vaak de uitspraak: je denkt altijd dat het alleen andere mensen overkomt, tot het in je eigen leven toeslaat.
Zo ging het ook bij Morel. Toen ze het nieuws kreeg dat ze niet alleen baarmoederkanker heeft, maar ook meerdere uitzaaiingen, kon ze dit nauwelijks geloven. Die eerste confrontatie met het noodlot moet keihard geweest zijn.
Toch blijft ze optimistisch. Zowel op haar blog als in dit interview. Dat bewonder ik in haar, ook al ben ik verder geen fan.
Bij het krantenartikel staat een zeer charmante foto. Je merkt niet eens dat ze doodziek is.
Dat is niet het enige dat me opvalt. Morel heeft iets op haar hoofd. Niet haar lange, blonde lokken van weleer, want die is ze na de eerste chemokuur al kwijt geraakt. Nee, wat ze op haar hoofd heeft is ook niet een pruik maar een sjaaltje.

‘Ik draag vooral sjallekes,’ legt ze uit. ‘Mijn grootmoeder droeg die vroeger ook.’
Zou ze dan vanaf nu pro-hoofddoek zijn?
_

woensdag 4 maart 2009

Google Maps

Wanneer ik bij Google Maps naar Scherpenheuvel zoek, kom ik in het centrum van Zichem terecht. Voor een buitenstaander is dat waarschijnljk geen wereldnieuws, want we vormen uiteindelijk samen met nog drie of vier andere deelgemeenten de stad Scherpenheuvel-Zichem, maar voor mij is het wel een big deal.
Het moet een technische fout zijn. Ik weet dat het niet op elke computer zo is, want ik heb het al elders geprobeerd. Ga zelf maar eens kijken en laat me alsjeblieft weten waar je uitkomt.

Vroeger, vóór de fusie van 1977, bestond er veel rivaliteit en jaloezie tussen de verschillende gemeenten bij ons. ‘Die van Zichem’ en ‘die van Scherpenheuvel’ konden elkaar zo goed als niet uitstaan. Er was zelfs een soort van bendevorming bij de jeugd en die ging dan tijdens de carnaval- en kermisweek met veel plezier op de vuist. Zelfs op het chirobal werd er naar goede jaarlijkse traditie eens kort en krachtig geknokt.
Dat deze rivaliteit gebaseerd is op een vierhonderd jaar oude geschiedenis weten weinigen. Zichem kwam namelijk eerst, snap je. En toen kwam Scherpenheuvel pas.
In 1212 bestond de agglomeratie Zichem al en in 1386 werden er zelfs wallen en een burcht gebouwd. Twee eeuwen later brak de pest uit en zo kwam het dat in het midden van de zestiende eeuw de Zichemnaren op pelgrim trokken naar een nabijgelegen heuveltje. Ze gingen daar bij een Mariabeeld bidden voor verlichting van koorts en andere contraproductieve kwalen. De Heeren van Sichem hebben met andere woorden de Scherpe Heuvel op de kaart gezet.
Toen de aartshertogen Isabella en Albrecht besloten om op dat heuveltje een heuse basiliek te bouwen, trokken de Scherpenheuvelaren de lokale macht naar zich toe.

Versta me niet verkeerd. Ik ben wel degelijk een dochter van Scherpenheuvel. Ik wil hier niet de zaak van Zichem bepleiten, maar ik ben wel de eerste om aan te tonen dat er omwille van de basiliek – die bij ons meer dan waar ook in het midden van het dorp staat – toch enig onevenwicht is ontstaan.
Stel je voor hoe het er aan toe gegaan is in de eerste weken en maanden na de fusie. Ik weet niet hoe het in andere steden en dorpen in België verlopen is, maar hier heeft het gespetterd. En het zit nog steeds heel diep. Tweeëndertig jaar later ligt het nog steeds op onze lever.
Op de mijne ook blijkbaar, want ik erger me er aan dat ik bij Google Maps niet in mijn eigen dorpskern terecht kom, maar in die van een gemeente op slechts drie kilometer van hier.
Misschien moet iedereen die de fusie heeft meegemaakt eerst dood zijn vooraleer de wonde definitief toegroeit. Ik zou anders liever niet zo lang op genezing wachten.
Zou een kaars gaan branden in de basiliek baat kunnen brengen?
_